Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1414

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
03-03-2014
Zaaknummer
200.017.871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering door verzekeraar van betaalde voorschotten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.017.871

(zaaknummer rechtbank Zutphen 91188)

arrest van de eerste kamer van 25 februari 2014

in de zaak van

de naamloze vennootschap

TVM Particulier N.V.,

handelend onder de naam

OVZ Verzekeringen,

gevestigd te Hoogeveen,

appellante,

hierna: OVZ,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert,

tegen:

[bewindvoerder], in zijn hoedanigheid van

bewindvoerder in de schuldsanering van

[geïntimeerde],

kantoorhoudende te [plaats kantoor],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.A.H. Kool.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 april 2008 en 15 oktober 2008, die de rechtbank Zutphen tussen appellante als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 november 2008,

- de memorie van grieven tevens houdende verandering van eis, met producties,

- de memorie van antwoord met producties.

Ter rolle van 20 december 2012 is de schorsing geconstateerd ingevolge art. 29 Fw jo. art. 313 Fw., in verband met het feit dat [geïntimeerde] bij vonnis van 30 januari 2012 is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder is bij exploot opgeroepen en heeft ter rolle van 7 mei 2013 aangegeven de procedure over te nemen. Daaruit leidt het hof af dat de bewindvoerder de verificatie van de vordering heeft betwist. Vervolgens hebben de pleidooien plaatsgevonden overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 7 oktober 2013 door Mr. S.A.H. Kool namens [geïntimeerde] zijn ingebracht. Na de pleidooien hebben partijen nog getracht een minnelijke regeling te bereiken, maar nadat deze niet tot stand is gekomen heeft Mr Kool het hof bij brief van 18 november 2013 verzocht arrest te wijzen. Op verzoek van het hof heeft Mr. Kool voorts bij dit schrijven beter leesbare exemplaren van de producties 9A, 9C, 11 en 18 toegezonden.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in het vonnis van 15 oktober 2008, zij het dat het hof daarbij de door OVZ tegen die feitenvaststelling gerichte bezwaren (in grief I en VI) in aanmerking neemt. Het hof stelt in verband daarmee vast dat de vennootschap naar Engels recht [naam vennootschap] Ltd. de lunchroom heeft gedreven en [geïntimeerde] van die vennootschap (hierna: de Ltd.) enig aandeelhouder en - tezamen met haar dochter - bestuurder is geweest. Deze vaststelling komt in de plaats van hetgeen in de rechtbank in r.o. 2.1 van het vonnis van 15 oktober 2008 heeft vastgesteld. Het hof neemt gelet op de betwisting door OVZ voorts niet als vaststaand feit aan dat [naam Ltd.] Ltd. te [plaats Ltd.] maandelijks facturen heeft verzonden aan [naam vennootschap] Ltd. met betrekking tot de vergoeding voor de inzet van [naam 1] als bedrijfsleider in de periode van week 4 van 2007 tot en met week 35 van 2007. Voor het overige verwijst het hof naar het in de rechtsoverwegingen 2.1 t/m 2.10 van het vonnis van 15 oktober 2008 weergegeven feitenoverzicht. Daarnaast gaat het hof uit van de volgende feiten:

a. a) [geïntimeerde] heeft bij dagvaarding van 8 januari 2009 in kort geding een nadere voorschotbetaling door OVZ gevorderd ter hoogte van € 55.332,11, alsmede veroordeling van OVZ om aan [naam bureau] opdracht te geven om voort te gaan met de eerder aan haar verstrekte opdracht. De voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen heeft bij vonnis van 30 januari 2009 de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen. De voorzieningenrechter heeft in dit verband onder meer overwogen het voorshands niet aannemelijk te achten dat de kosten van het inschakelen van [naam 1] en [naam 2] in causaal verband staan met het ongeval. De voorzieningenrechter heeft overwogen - kort gezegd - de door OVZ reeds betaalde voorschotten als voorschot op de overige schadeposten te beschouwen.

b) Bij arrest van 10 november 2009 heeft dit hof voornoemd vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen van 30 januari 2009 bekrachtigd.

c) Bij arrest van 14 september 2010 heeft dit hof het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen van 22 november 2007, waarbij een voorschot van € 29.241 werd toegewezen, bekrachtigd.

4.De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het hoger beroep richt zich tegen het vonnis van 15 oktober 2008. Tegen het tussenvonnis van 16 april 2008 zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hoger beroep van OVZ in zoverre wordt verworpen.

4.2

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[geïntimeerde] is geboren op [geboortedatum]. Op 25 januari 2007 is zij slachtoffer geworden van een verkeersongeval, waarbij zij letsel heeft opgelopen. Een verzekerde van OVZ was aansprakelijk voor het veroorzaken van het ongeval. [geïntimeerde] heeft voorschotbetalingen van OVZ ontvangen ter hoogte van € 20.000 en € 29.241. OVZ heeft in eerste aanleg terugbetaling van de voorschotbetalingen gevorderd voor een bedrag van € 47.241, alsmede - kort gezegd - een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] geen schade wegens verlies van arbeidsvermogen heeft geleden en zal lijden. De rechtbank heeft de vorderingen van OVZ afgewezen. OVZ is in hoger beroep gekomen van deze uitspraak en heeft - naast genoemde vorderingen - een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerde] ten onrechte voorschotten van OVZ heeft gevorderd en ontvangen voor een beweerdelijk ingeschakelde vervangende arbeidskracht ([naam 1]). Het hof ziet aanleiding de grieven van OVZ gezamenlijk te behandelen. Achtereenvolgens zullen hierna (i) de vordering tot terugbetaling, (ii) de verklaring voor recht met betrekking tot ten onrechte ontvangen voorschotten en (iii) de verklaring voor recht betreffende verlies van arbeidsvermogen worden beoordeeld.

4.3

OVZ heeft aan haar vordering tot terugbetaling van de aan [geïntimeerde] betaalde bedragen ten grondslag gelegd dat deze bij wijze van voorschot aan [geïntimeerde] zijn betaald in verband met de door [geïntimeerde] specifiek opgevoerde kosten van in totaal € 48.020 voor het inschakelen van de heer [naam 1] ([naam 1]) als vervangende arbeidskracht. Nu [geïntimeerde] [naam 1] niet daadwerkelijk heeft ingeschakeld, daartoe geen noodzaak bestond, althans [naam 1] op het moment van het ongeval al in de lunchroom werkzaam was, heeft [geïntimeerde] volgens OVZ op dit onderdeel geen schade geleden. Aldus heeft voor de betaling van voorschotten geen grondslag bestaan, reden waarom OVZ deze voorschotten als onverschuldigd betaald terugvordert, althans OVZ jegens [geïntimeerde] een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft.

4.4

[geïntimeerde] heeft de stellingen van OVZ gemotiveerd betwist. [geïntimeerde] heeft daarnaast als verweer aangevoerd dat ook als zij ter zake van het inschakelen van [naam 1] geen schade zou hebben geleden, voor toewijzing van de gevorderde terugbetaling geen plaats zou zijn, omdat OVZ de voorschotbetalingen onder algemene titel heeft gedaan. Het hof begrijpt de stellingen van [geïntimeerde] aldus, dat zij tevens als verweer aanvoert dat de betaalde voorschotten in ieder geval hebben te gelden als voorschot op de schade die zij voor het overige heeft geleden. [geïntimeerde] heeft in dit verband verwezen naar rechtsoverweging 4.13 van het vonnis van de voorzieningenrechter van 30 januari 2009, waarin - kort gezegd – is geoordeeld dat de door OVZ al betaalde voorschotten als voorschot op de overige schade van [geïntimeerde] moeten worden beschouwd.

4.5

Stelplicht en bewijslast ter zake van de door OVZ gestelde onverschuldigde betaling, althans ongerechtvaardigde verrijking, rusten op OVZ. Naar het oordeel van het hof bestaat voor omkering van de bewijslast zoals door OVZ gesteld, geen grond.

Naar het oordeel van het hof heeft OVZ onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de door [geïntimeerde] ontvangen voorschotbetalingen uitsluitend betrekking hebben op de kosten in verband met het inschakelen van [naam 1] als vervangende arbeidskracht. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat deze voorschotten onder algemene titel zijn betaald, hetgeen door OVZ onvoldoende gemotiveerd is betwist. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de betaling van het bedrag van € 29.241 op grond van het kortgedingvonnis van 22 november 2007 uitsluitend betrekking heeft gehad op de door [geïntimeerde] gestelde kosten in verband met inschakeling van [naam 1], leidt dit nog niet tot de conclusie dat de betaalde voorschotten thans als onverschuldigd betaald kunnen worden teruggevorderd. Terecht wijst [geïntimeerde] immers in dit verband op rechtsoverweging 4.13 van het kortgedingvonnis van 30 januari 2009, waarin (voorafgegaan door een overweging die erop neerkomt dat de gestelde kosten voor het inschakelen van [naam 1] voorshands onvoldoende aannemelijk worden geacht) uitdrukkelijk is bepaald: “Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter het prudent om voormeld bedrag (van € 29.241,=, hof) en het reeds eerder door OVZ aan [geïntimeerde] verstrekte voorschot van € 20.000 te beschouwen als voorschot op de in het bedrag van € 23.693,36 begrepen schadeposten.” Blijkens rechtsoverweging 4.1 van het kortgedingvonnis had het genoemde bedrag betrekking op verlies van zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp, rapportage verzekeringsarts, buitengerechtelijke kosten, kosten accountant [naam accountant], taxikosten en voorschot smartengeld. Voor zover de betaalde voorschotten dus al op het moment van betaling specifiek betrekking zouden hebben gehad op de schade in verband met het inschakelen van [naam 1], moet er vanaf het kortgedingvonnis van 30 januari 2009 in ieder geval van worden uitgegaan dat toekenning van de betaalde bedragen voorshands gerechtvaardigd werd geacht als voorschot op de overige schadeposten van [geïntimeerde]. Uit het kortgedingvonnis blijkt immers dat in de betreffende kort geding procedure geen veroordeling tot bijkomende voorschotbetalingen voor de overige schadeposten werd uitgesproken, omdat het reeds betaalde bedrag vanaf de datum van dit vonnis geacht werd op die overige schadeposten betrekking te hebben. OVZ heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de andere door [geïntimeerde] gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen of dat meer in het algemeen de overige schade van [geïntimeerde] niet het bedrag van de betaalde voorschotten zou belopen. Reeds om die reden is voor terugbetaling van de aan [geïntimeerde] betaalde voorschotten geen plaats. [geïntimeerde] is als gevolg van de voorschotbetalingen evenmin ongerechtvaardigd verrijkt.

De conclusie luidt dan ook dat de stellingen van OVZ voor toewijzing van de gevorderde betaling geen grond bieden, ook niet als [geïntimeerde] met betrekking tot de inschakeling van [naam 1] als vervangende arbeidskracht geen schade zou hebben geleden, hetgeen overigens in deze procedure evenmin komt vast te staan (zie r.o. 4.7 e.v.).

4.6

De vordering tot betaling van de proceskosten met betrekking tot de kortgedingprocedure in twee instanties (die leidden tot het vonnis van 22 november 2007 en het arrest van dit hof van 14 september 2010) kan evenmin worden toegewezen. Zonder nadere verklaring, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de grondslag aan de betaling van die proceskosten is ontvallen. De grond voor de betaling van de proceskosten was immers gelegen in de betreffende veroordelingen, terwijl van vernietiging van deze uitspraken geen sprake is geweest. Evenmin is voldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] als gevolg van de vergoeding van haar proceskosten ongerechtvaardigd is verrijkt of op andere grond gehouden is om deze proceskosten aan OVZ te betalen.

4.7

Het hof is van oordeel dat evenmin plaats is voor toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] ten onrechte voorschotten heeft gevorderd en ontvangen voor het beweerdelijk inschakelen van [naam 1], althans voor het inschakelen van een vervangende arbeidskracht. Stelplicht en bewijslast terzake rusten op OVZ, nu zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat [geïntimeerde] geen schade heeft geleden in verband met het inschakelen van [naam 1]. Ook waar het deze vordering betreft is naar het oordeel van het hof geen plaats voor omkering van de bewijslast om redenen van redelijkheid en billijkheid.

Naar het oordeel van het hof heeft OVZ de stellingen die zij aan de gevorderde verklaring voor recht ten grondslag heeft gelegd deels onvoldoende onderbouwd en voor het overige niet bewezen, terwijl zij evenmin voldoende specifiek nader bewijs heeft aangeboden.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.8

OVZ heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] na het ongeval geen extra kosten heeft behoeven te maken door [naam 1] in te schakelen, nu deze al in de lunchroom werkzaam was vóór het ongeval. Naar het oordeel van het hof is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat [naam 1] zonder onderbreking voor en na het ongeval in de lunchroom werkzaam is geweest en dat hij voor en na het ongeval dezelfde werkzaamheden is blijven verrichten.

[naam 1] heeft op 7 december 2007 verklaard dat hij met zijn vrijwillige werkzaamheden voor de lunchroom van [geïntimeerde] in november 2006 was opgehouden, dat hij doende was zelf een zaak op te zetten, en dat hij pas na het ongeval op verzoek van [geïntimeerde] weer voor de lunchroom is gaan werken, toen als bedrijfsleider. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] in het voorlopig getuigenverhoor van 17 maart 2009, die heeft verklaard dat [naam 1] niet in [naam 3] was in een periode waarin hij bezig is geweest met het oprichten van een eigen zaak. Weliswaar is [naam 1] op 21 april 2008 op zijn eerdere verklaring teruggekomen, door te verklaren dat hij, in tegenstelling tot zijn eerder afgelegde verklaring, ook na november 2006 gewoon bij lunchroom [naam 3] is blijven werken. Het hof acht deze nadere verklaring echter niet voldoende geloofwaardig om op basis daarvan als vaststaand aan te nemen dat [naam 1] zonder onderbreking bij de lunchroom heeft gewerkt. Ook uit de overige verklaringen kan dit niet met voldoende zekerheid worden afgeleid. Weliswaar heeft getuige [getuige 2] aanvankelijk (tijdens het voorlopig getuigenverhoor van 14 januari 2009) - kort gezegd - verklaard dat [naam 1] hetzelfde werk deed vóór en na het ongeval, maar zij is op 17 maart 2009 op die eerdere verklaring teruggekomen. Zij heeft op 17 maart 2009 verklaard dat [naam 1] er voor het ongeval niet elke dag was, dat hij ‘s middags even weg was en weer terugkwam om met [geïntimeerde] mee terug te rijden en dat hij af en toe hielp. Na het ongeval deed [naam 1] volgens getuige [getuige 2] wat meer. Ook [geïntimeerde] en [getuige 1] hebben verklaard dat [naam 1] vóór het ongeval slechts incidenteel in de lunchroom hielp.

De stelling dat [naam 1] al vóór het ongeval in dezelfde mate voor [geïntimeerde] werkzaam was als na het ongeval, is evenmin voldoende aannemelijk op basis van de getuigenverklaring van de door OVZ ingeschakelde expert van [naam 4], de heer [naam expert] van 27 april 2009. [naam expert] heeft weliswaar verklaard dat [geïntimeerde] [naam 1] tijdens een eerste gesprek met [naam expert] als vaste kracht heeft gepresenteerd en nadien heeft aangevoerd dat [naam 1] de ingeschakelde bedrijfsleider was, doch het hof is van oordeel dat - mede gelet op de andersluidende verklaringen van [geïntimeerde] en getuige [getuige 3] op dit punt - niet is uit te sluiten dat tijdens dit gesprek sprake is geweest van een misverstand.

4.9

Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat [naam 1] vóór het ongeval ononderbroken in de lunchroom werkzaamheden heeft verricht, rechtvaardigt dit overigens nog niet zonder meer de conclusie dat [geïntimeerde] terzake geen schade heeft geleden. OVZ heeft niet gesteld dat [naam 1] in de periode vóór het ongeval voor zijn werkzaamheden betaling ontving, terwijl ook diverse getuigen over het onbetaald en vrijblijvend karakter van de inspanningen van [naam 1] hebben verklaard. Noch uit de verklaringen van [naam 1], noch uit enige andere verklaring kan voorts worden afgeleid dat [naam 1] bereid is geweest of heeft toegezegd ook in de periode na het ongeval voor [geïntimeerde] nog onbetaald werkzaamheden te blijven verrichten. [naam 1] heeft daarentegen tijdens het voorlopig getuigenverhoor juist verklaard dat [geïntimeerde] na de aanrijding wist dat hij - ook vanwege de financiën - weg wilde gaan en dat hij al vanaf november 2006 bezig was met iets anders.

4.10

Het hof acht voorts niet aannemelijk dat [geïntimeerde] geen schade heeft geleden omdat zij vóór het ongeval zelf in de lunchroom geen werkzaamheden verrichtte en er daarom geen noodzaak bestond om een vervangende arbeidskracht in te schakelen. Alleen uit de verklaring van [naam 1] van 21 april 2008 kan dit worden afgeleid, waar hij verklaart: “Mevrouw [geïntimeerde] deed namelijk al vóór het ongeval weinig tot niets in de zaak” en “Er is na het ongeval ook niemand anders aangenomen om haar werk over te nemen.” In zijn eerdere verklaring van 7 december 2007 lijkt [naam 1] echter wel degelijk een verband te leggen tussen de uitval van [geïntimeerde] en haar hulpvraag aan [naam 1], waar hij verklaart: “Op 25-01-2007 vond het ongeval plaats. [geïntimeerde] kon vanaf dat moment niet meer in de lunchroom staan. Ze heeft mij gevraagd om haar te helpen, wat ik ook ben gaan doen.” De verklaring van [naam 1] tijdens het voorlopig getuigenverhoor van 27 april 2009 is evenmin in overeenstemming met hetgeen [naam 1] op 21 april 2008 heeft verklaard, waar [naam 1] op 27 april 2009 omtrent de werkzaamheden van [geïntimeerde] verklaart: “Zij deed de administratie, de inkoop en bij extreme drukte hielp zij mee met koffie inschenken en in de keuken.”

Gelet op deze inconsistentie acht het hof de verklaring van [naam 1] van 21 april 2008 onvoldoende geloofwaardig om aan te nemen dat [geïntimeerde] vóór het ongeval in de lunchroom geen werkzaamheden verrichtte. Bovendien staan tegenover deze verklaring van [naam 1] diverse andere verklaringen (waaronder die van [geïntimeerde] en [getuige 2]), op basis waarvan aannemelijk is dat [geïntimeerde] in de periode vóór het ongeval in de lunchroom wel degelijk werkzaamheden verrichtte. OVZ heeft niet bestreden dat [geïntimeerde] na het ongeval nog beperkt inzetbaar was, zodat op basis van het voorgaande niet kan worden geconcludeerd dat geen noodzaak bestond een vervangende arbeidskracht in te schakelen.

4.11

Voor zover de stellingen van OVZ zo begrepen moeten worden dat [geïntimeerde] volgens OVZ bovendien geen schade heeft geleden omdat [naam 1] na het ongeval niet in de lunchroom heeft gewerkt en dus ook niet betaald behoefde te worden, is het hof van oordeel dat dit op basis van de verklaringen van de verschillende getuigen evenmin is komen vast te staan. Alleen getuige [getuige 1] heeft op 17 maart 2009 verklaard dat [naam 1] na het ongeval weinig tot niets deed, nauwelijks bezig was met [naam 3] en alleen [geïntimeerde] bracht en haalde. Op basis van deze verklaring acht het hof onvoldoende aannemelijk dat [naam 1] na het ongeval geen werkzaamheden heeft verricht in de lunchroom. Niet alleen is onduidelijk in hoeverre getuige [getuige 1] zicht had op alle werkzaamheden van [naam 1], nu zij heeft verklaard in de betreffende periode alleen te hebben gewerkt op vrijdagavond en op zaterdag en wanneer zij vrij was van school. Bovendien staan tegenover haar verklaring de andersluidende verklaringen van [geïntimeerde], [naam 1] en [getuige 2]. De verklaring van getuige [getuige 1] tijdens het voorlopig getuigenverhoor van 17 maart 2009 doet aan het voorgaande niet af. Weliswaar heeft zij verklaard dat [naam 1] wel hele dagen aanwezig was, maar dat als dat werken is, zij dat ook wel zou willen, doch uit die verklaring kan niet voldoende duidelijk worden afgeleid op welke periode (voor of na het ongeval) het verklaarde betrekking heeft. Zo al voldoende aannemelijk zou zijn dat [naam 1] weinig werkzaamheden verrichtte, rechtvaardigt dit voorts nog niet zonder meer de conclusie dat voor [geïntimeerde] om die reden geen betalingsverplichting zou bestaan.

4.12

De stelling dat [geïntimeerde], althans de Ltd. geen kosten voor het inschakelen van een vervangende arbeidskracht heeft gemaakt, nu - ook als dat wel was afgesproken - [geïntimeerde] in ieder geval heeft verzuimd [naam 1] voor zijn werkzaamheden meer dan genoemd bedrag te betalen, acht het hof onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerde] heeft in reactie daarop immers aangevoerd dat zij de aan [naam 1] verschuldigde bedragen heeft voldaan door die te verrekenen met diverse posten, waaronder schulden die zij voor [naam 1] heeft voldaan. In dit verband heeft zij verwezen naar het bij conclusie van antwoord als productie 4 overgelegde overzicht (‘het Overzicht’), waarop de door [geïntimeerde] verrekende posten zijn opgenomen, met een toelichting daarop in productie 5. Het lag op de weg van OVZ om dit gemotiveerde en met stukken onderbouwde betoog voldoende concreet en gemotiveerd te weerspreken, hetgeen OVZ heeft verzuimd. Een en ander klemt temeer nu uit de verklaringen van [naam 1] moet worden afgeleid dat hij de door [geïntimeerde] gestelde verrekenposten deels erkent. Zo heeft [naam 1] bijvoorbeeld tijdens het voorlopig getuigenverhoor van 27 april 2009 verklaard dat verrekening heeft plaatsgevonden met een bedrag van € 8.000, ter zake van een lening van de zus van [geïntimeerde], welke post (weliswaar voor een bedrag van € 8.800) in het Overzicht is opgenomen. Ook komt met het in het Overzicht opgenomen bedrag van € 1200 (met de vermeldingen “2 maanden huur [naam 5]” en “extra betaald eind september en 31 oktober”) overeen de verklaring van [naam 1] op 7 december 2007 dat hij, toen hij in [naam 5] woonde één keer € 700,00 en begin november € 500,00 (derhalve in totaal € 1200) extra heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor de verklaring van [naam 1] op 7 december 2007 dat hij een bedrag van € 2.000 heeft ontvangen; ook dit bedrag komt in het Overzicht voor.

Ten overvloede overweegt het hof dat - voor zover al aan bewijswaardering zou worden toegekomen - de door [naam 1] afgelegde verklaringen ook met betrekking tot de door hem ontvangen bedragen zodanig inconsistent zijn, dat het hof deze verklaringen niet voldoende geloofwaardig acht om op basis daarvan als vaststaand aan te nemen dat [geïntimeerde] [naam 1] voor zijn werkzaamheden niet of onvoldoende heeft betaald.

4.13

Gelet op al het voorgaande kan niet als vaststaand worden aangenomen dat [geïntimeerde] ten onrechte voorschotten heeft ontvangen voor het beweerdelijk inschakelen van [naam 1], althans voor het inschakelen van een vervangende arbeidskracht. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.

4.14

De verklaring voor recht inhoudende dat [geïntimeerde] vanwege de staking van haar werkzaamheden bij Lunchroom [naam 3] als gevolg van het ongeval geen schade wegens verlies van arbeidsvermogen heeft geleden en zal lijden, kan evenmin worden toegewezen.

4.15

OVZ heeft in dit verband aangevoerd dat [geïntimeerde] geen schade heeft geleden als gevolg van verlies van verdiencapaciteit, omdat zij van de Ltd. geen loon ontving. De kosten van [naam 1] als vervangende arbeidskracht zijn - voor zover al gemaakt - volgens OVZ door de Ltd. gedragen en niet door [geïntimeerde] in privé. Nog daargelaten de stelling van [geïntimeerde] dat de betreffende betalingen wel ten laste van haar privé inkomen zijn gekomen, kan in ieder geval niet als juist worden aangenomen dat de schade die [geïntimeerde] vordert afgeleide schade zou betreffen waarvoor geen vergoedingsplicht zou bestaan. Ook als de betalingen aan [naam 1] door de Ltd. zijn gedragen, zullen deze op het vermogen van [geïntimeerde] van invloed zijn geweest, nu zij aandeelhouder van de Ltd. was. De conclusie dat [geïntimeerde] in het geheel geen schade als gevolg van verlies van arbeidsvermogen heeft geleden acht het hof daarom niet gerechtvaardigd. In het onderhavige geval is geen sprake van een schadevergoedingsverplichting op grond van een louter jegens de vennootschap geschonden norm. Juist de schending van een norm jegens [geïntimeerde] ligt immers aan de aansprakelijkheid van de veroorzaker van het ongeval en derhalve aan de (voorlopige) betalingsverplichting van OVZ ten grondslag. Ook als zou worden aangenomen dat de door [geïntimeerde] in verband met het inschakelen van een vervangende arbeidskracht geleden schade niet het door [geïntimeerde] gestelde bedrag van € 48.020 betreft, is de conclusie nog niet gerechtvaardigd dat [geïntimeerde] in het geheel geen schade ter zake zou hebben geleden. Een verklaring voor recht in die zin is reeds om die reden niet toewijsbaar. Voor zover de stelling van OVZ niet inhoudt dat [geïntimeerde] in verband met het feit dat zij na het ongeval haar werkzaamheden niet meer heeft kunnen uitoefenen in het geheel geen schade heeft geleden, doch OVZ slechts bedoelt te betogen dat deze schade niet als schade wegens verlies van arbeidsvermogen kan worden aangemerkt, heeft OVZ bij de gevorderde verklaring voor recht naar het oordeel van het hof onvoldoende belang.

Daarbij komt bovendien dat [geïntimeerde] heeft gesteld zich buiten haar werk in de lunchroom bezig te houden met Zweeds vertaalwerk voor een tijdschrift over weeftechnieken en met de distributie van dit tijdschrift, waarmee zij in 2006 € 4.500 had verdiend en tot welke werkzaamheden zij na het ongeval niet meer in staat was, hetgeen door OVZ niet is betwist. Ook om die reden kan niet voor recht worden verklaard dat [geïntimeerde] geen schade wegens verlies aan arbeidsvermogen heeft geleden.

4.16

OVZ heeft nog aangevoerd dat [geïntimeerde] onjuist heeft verklaard omtrent de inkomsten die zij in verband met de exploitatie van de lunchroom genoot. Ook als deze stelling juist is - hetgeen overigens naar het oordeel van het hof in dit geding niet is komen vast te staan - rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat [geïntimeerde] geen schade heeft geleden als gevolg van verlies van arbeidsvermogen, noch dat zij geen schade heeft geleden in verband met inschakeling van ([naam 1] als) vervangende arbeidskracht. Zonder nadere verklaring, die ontbreekt, is evenmin in te zien hoe deze stelling zonder meer zou rechtvaardigen dat [geïntimeerde] gehouden is de door OVZ aan haar betaalde voorschotten terug te betalen.

5 Slotsom

5.1

Het hof is van oordeel dat de vorderingen van OVZ ook in hoger beroep moeten worden afgewezen. Aan nadere bewijslevering wordt niet toegekomen nu OVZ geen concrete feiten te bewijzen heeft aangeboden die tot een ander oordeel kunnen leiden.

De slotsom luidt dan ook dat de grieven falen, althans dat geen van de grieven tot vernietiging van de bestreden vonnissen kan leiden. Het vonnis van 15 oktober 2008 zal worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof OVZ in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.148

- salaris advocaat € 4.893 punten x tarief 1.631,00)

Totaal € 6.041

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 16 april 2008;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 15 oktober 2008;

veroordeelt OVZ in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 6.041, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaaknummer en de namen van partijen) het bedrag van € 5.926 te weten:

- € 1.033 wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 4.893 wegens salaris overeenkomstig het liquidatietarief ,

en het restant ad € 115 aan de advocaat van [geïntimeerde] wegens haar eigen aandeel in het griffierecht;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, A.S. Gratama en A.W. Steeg en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.