Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1408

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
WAHV 200.127.553
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Verzetzaak. Artikel 27 WAHV. Oordeel van de kantonrechter dat op basis van het zaakoverzicht

onvoldoende aannemelijk is dat de inleidende beschikking en de aanmaningen zijn verzonden, is niet juist gelet

op de wijze waarop het aanmaak- en verzendproces bij het CJIB is ingericht (vgl.ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020).

Kennisgeving van verhaal rechtsgeldig uitgevaardigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2015/5

Uitspraak

WAHV 200.127.553

25 februari 2014

CJIB 160929362

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 26 april 2013

betreffende

[de betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen het verhaal zonder dwangbevel waarvan de officier van justitie op 3 december 2012 kennis heeft gegeven gegrond verklaard en heeft deze kennisgeving vernietigd. Voorts heeft de kantonrechter bepaald dat het griffierecht door de griffier zal worden terugbetaald. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1.

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene gegrond verklaard. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene de inleidende beschikking en aanmaningen niet heeft ontvangen, zoals de betrokkene in het verzetschrift had aangevoerd, althans is onvoldoende aannemelijk geworden dat deze poststukken daadwerkelijk zijn verzonden. De kantonrechter heeft in dat verband het volgende overwogen:

“Ter staving van de verzending van de beschikking en aanmaning heeft de officier van justitie een zaakoverzicht overgelegd waarin de data van verzending van de beschikking en de aanmaningen zijn vermeld. Hoewel aan dit zaakoverzicht het vermoeden kan worden ontleend dat op de daarin genoemde data in het geautomatiseerd systeem de beschikking en de aanmaningen zijn aangemaakt en vervolgens verzonden, blijkt dit hier niet onomstotelijk uit, temeer nu in het door de officier van justitie verstrekte dossier geen fysiek bewijs voorhanden is van de vervaardiging van de beschikking en de aanmaningen, bijvoorbeeld in de vorm van kopieën van deze stukken.

Betrokkene heeft aangevoerd dat in de periode dat de beschikking en de aanmaningen zijn verzonden hij voortdurend woonachtig is geweest op het van hem in de Gemeentelijke Basis Administratie opgenomen adres, dat hij in die periode niet is verhuisd en dat hij in de periode geen storing in de ontvangst van poststukken heeft bemerkt.”

2.

De officier van justitie voert in hoger beroep aan dat kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat niet onomstotelijk vaststaat dat de inleidende beschikking en de beide aanmaningen daadwerkelijk zijn aangemaakt en aan de betrokkene zijn gezonden. Weliswaar is het overleggen van de in het zaakoverzicht van het CJIB vermelde poststukken wegens technische redenen niet mogelijk, maar dat betekent niet dat niet bewezen kan worden dat die poststukken zijn verzonden. De officier van justitie meent dat dit voldoende betrouwbaar vast is komen te staan en wijst daartoe op de wijze waarop het aanmaak- en verzendproces van die poststukken bij het CJIB is ingericht. De officier van justitie gaat er daarom vanuit dat de betrokkene alle aan hem verzonden poststukken van het CJIB heeft kunnen ontvangen. Het verzet van de betrokkene had daarom ongegrond moeten worden verklaard door de kantonrechter, zo meent de officier van justitie.

3.

Een kennisgeving van verhaal als bedoeld in artikel 27 WAHV kan eerst rechtsgeldig worden uitgevaardigd, nadat de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd tot verhaal waarvan de kennisgeving moet dienen, onherroepelijk is geworden. In een geval als het onderhavige, waarin door de betrokkene het verweer is gevoerd dat hij de inleidende beschikking noch de beide aanmaningen heeft ontvangen, is voor de beantwoording van de vraag of de beschikking onherroepelijk is, beslissend of op grond van een in het kader van de procedure van artikel 27 WAHV verricht onderzoek, zo nodig aan de hand van door de officier van justitie te verstrekken gegevens, door de kantonrechter wordt vastgesteld dat het verweer van de betrokkene als onjuist moet worden verworpen, omdat blijkt dat deze de genoemde poststukken wel heeft ontvangen, dan wel deze niet heeft ontvangen ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid. In beginsel is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat aan één van de voorwaarden is voldaan, maar van een betrokkene mag worden verwacht dat hij niet volstaat met de enkele ontkenning dat hij de betreffende poststukken heeft ontvangen, doch, voor zover in zijn vermogen ligt, nadere gegevens verschaft ter staving van dat verweer.

De door de kantonrechter gehanteerde eis, dat onomstotelijk dient te blijken dat de relevante stukken zijn verzonden waarbij van belang kan zijn dat in het door de officier van justitie verstrekte dossier fysiek bewijs voorhanden is, vindt geen steun in het recht.

4.

Uit het zaakoverzicht van het CJIB en het commentaar dat door de officier van justitie in de procedure bij de kantonrechter is ingebracht, kan het volgende worden afgeleid. Volgens het zaakoverzicht is de inleidende beschikking, waarbij onderhavige administratieve sanctie aan de betrokkene is opgelegd, op 29 april 2012 verzonden. Daarbij is het adres Orchislaan 19 3, 6833 AE te Arnhem gehanteerd. Dit adres komt overeen met het adres dat destijds in de gemeentelijke basisadministratie (verder: GBA) bekend was van de betrokkene; hetzelfde adres is ook door de betrokkene opgegeven in het verzetschrift.

Aangezien tegen de inleidende beschikking geen beroep is ingesteld bij de officier van justitie en daarnaast de sanctie niet is voldaan, is de sanctie op de voet van de artikelen 23, tweede lid, en 25, eerste lid, van de WAHV tweemaal verhoogd en zijn, volgens het zaakoverzicht, twee aanmaningen aan de betrokkene gezonden, eveneens naar voornoemd adres. Na het verstrijken van de vervaldatum voor betaling van het bedrag van de tweede aanmaning, heeft het CJIB voormelde adresgegevens geverifieerd bij de GBA en correct bevonden, waarop is overgegaan tot de uitvaardiging van de kennisgeving van verhaal.

5.

Het is het hof ambtshalve bekend dat het CJIB voor de vervaardiging en aanbieding ter verzending van poststukken gebruikt maakt van de diensten van een printermailservicebedrijf. Op elektronische wijze worden dagelijks gegevens verstrekt vanuit het geautomatiseerde systeem van het CJIB aan het printermailservicebedrijf. Het aanmaken, uitdraaien op papier, voegen in een enveloppe en aanbieden aan PostNL geschiedt ook door middel van een geautomatiseerd systeem. Het CJIB geeft de verzenddatum van de betreffende poststukken mee. De logistiek bij het printermailservicebedrijf is zodanig ingericht, dat deze poststukken vóór de verzenddatum aan PostNL worden aangeboden. Er is sprake van een interne kwaliteitscontrole bij het printermailservicebedrijf. Zo vindt een vergelijking plaats van het totale aantal aan PostNL aangeboden stukken en het totale aantal door het CJIB aangeleverde zaken. Gecontroleerd wordt of hetzelfde aantal documenten wordt uitgeprint als dat aan PostNL wordt aangeboden (Nationale Ombudsman 15 mei 2007, AB 2007, 290 en JB 2007, 159). Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat gelet op de inrichting van het aanmaak- en verzendproces de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten. Bij deze stand van zaken mag worden aangenomen dat indien in het zaakoverzicht van het CJIB is aangegeven dat een poststuk is verzonden, dat ook daadwerkelijk is geschied. Daar kan niet aan afdoen dat het niet mogelijk is om nadien afschriften van deze poststukken te produceren.

6.

Nu uit het hiervoor overwogene kan worden aangenomen dat alle poststukken daadwerkelijk naar het juiste, bij de GBA bekende adres zijn verzonden, en geen van deze poststukken als onbestelbaar retour is gekomen, moet het er - anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld - voor worden gehouden dat de betrokkene deze poststukken heeft ontvangen. De betrokkene is er - hetgeen onder 3. is overwogen in aanmerking genomen - niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd en de beide aanmaningen hem niet hebben bereikt. Het door hem gestelde is daartoe onvoldoende, nu dit in feite niet meer inhoudt dan de enkele, niet nader onderbouwde ontkenning de poststukken van het CJIB te hebben ontvangen.

7.

Nu de betrokkene geen beroep heeft ingesteld tegen de aan hem verzonden inleidende beschikking is deze onherroepelijk geworden. De betrokkene heeft, ondanks de aan hem verzonden aanmaningen, de aan hem opgelegde sanctie alsmede de daarop gevallen verhogingen niet voldaan. Nu voor het overige niet blijkt van omstandigheden op grond waarvan de kennisgeving van verhaal niet had mogen worden uitgevaardigd, is de kennisgeving van verhaal rechtsgeldig uitgevaardigd.

8.

Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter geen stand kan houden. Het hof zal die beslissing vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het verzet van de betrokkene ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Schuijlenburg, Sekeris en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.