Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1337

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
200.133.551-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen reden voor ontslag bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.133.551/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 589711/ BM VERZ 13-4700)

beschikking van de familiekamer van 20 februari 2014

inzake

[X],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. J.G.H. van der Kolk, kantoorhoudende te Stadskanaal,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [B.V. Y],

gevestigd te [woonplaats],

hierna te noemen: [B.V. Y],

2. [de ouders],

beiden wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de ouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 1 augustus 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 september 2013, is de rechthebbende in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De rechthebbende verzoekt het hof (naar het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende de bewindvoerder te wijzigen van [B.V. Y] in [Z].

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 november 2013, heeft [B.V. Y] het verzoek in hoger beroep van de rechthebbende bestreden en verzocht haar verzoek af te wijzen.

2.3

Het hof heeft tevens kennisgenomen van het verzoek van de rechthebbende van
21 mei 2013 aan de rechtbank, een brief van [B.V. Y] van 26 juni 2013 aan de rechtbank en een journaalbericht met bijlage van 15 oktober 2013 van mr. Van der Kolk, binnengekomen bij de griffie op 16 oktober 2013.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 24 januari 2014 plaatsgevonden. Verschenen is de rechthebbende, bijgestaan door mr. Van der Kolk. Namens [B.V. Y] zijn verschenen mevrouw [2] en mevrouw [3]. Namens [Z] is als informant mevrouw [1] verschenen. Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn de ouders niet verschenen. Mr. Van der Kolk en mevrouw [3] hebben beiden het woord gevoerd mede aan de hand van de door hen overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

De rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, sector kanton, heeft bij beschikking van 26 november 2009 een bewind in de zin van artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende en [B.V. Q] tot bewindvoerder benoemd.

3.2

Bij beschikking van 9 maart 2012 van de rechtbank Groningen, locatie Winschoten, sector kanton, is [B.V. Q] ontslagen als bewindvoerder en is in haar plaats benoemd tot bewindvoerder [de bewindvoerder], verbonden aan [R].

3.3

Bij beschikking van 4 september 2012 van de rechtbank Groningen, locatie Winschoten, sector kanton, is [de bewindvoerder], verbonden aan [R] ontslagen als bewindvoerder en is in haar plaats benoemd tot bewindvoerder [B.V. Y].

3.4

Op 29 mei 2013 heeft de rechthebbende een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend waarbij zij heeft verzocht [B.V. Y] te ontslaan als bewindvoerder en mevrouw [1], verbonden aan [Z] te [plaats], als bewindvoerder te benoemen.

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, sector kanton, het verzoek van de rechthebbende afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een bewindvoerder worden ontslagen op verzoek van de rechthebbende, wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden.

4.2

In de onderhavige zaak is aan de orde of sprake is van gewichtige redenen om de bewindvoerder te ontslaan.

4.3

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is het hof van oordeel dat niet is gebleken van dergelijke redenen. Het hof overweegt hierover als volgt. Gebleken is dat in september 2012 de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van de rechthebbende tussentijds is beëindigd en dat de schuldenlast van de rechthebbende ongeveer € 20.000,- bedraagt. Vast staat dat de rechthebbende op het moment dat [B.V. Y] als bewindvoerder werd benoemd geen inkomen had en evenmin een woning. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is naar voren gekomen dat [B.V. Y] heeft bewerkstelligd dat de rechthebbende een woning heeft kunnen huren, ondanks het ontbreken van inkomen, en dat zij thans een bijstandsuitkering ontvangt. Voor zover de rechthebbende heeft gesteld dat zij dit zelf volledig heeft geregeld, vindt haar stelling geen steun in de stukken. Ondanks dat er sprake is van een zeer problematische financiële situatie ten aanzien van de rechthebbende, is [B.V. Y] er naar het oordeel van het hof in geslaagd het bewind met succes uit te oefenen. Weliswaar heeft de rechthebbende gesteld dat haar rekeningen niet altijd werden betaald en dat zij niet altijd weekgeld ontving, maar naar het oordeel van het hof heeft de hoogte van haar inkomen in combinatie met de hoogte van haar schuldenlast tot gevolg dat haar financiële situatie instabiel blijft, waardoor de uitvoering van het bewind, waaronder het betalen van rekeningen en het uitkeren van leefgeld, niet altijd goed kan verlopen. Voorts acht het hof het - anders dan de rechthebbende heeft gesteld - inherent aan de uitvoering van het bewind dat aan [B.V. Y] salaris wordt betaald en dat dit ten laste komt van het inkomen van de rechthebbende. Gezien de instabiele financiële situatie van de rechthebbende is naar het oordeel van het hof geen enkele bewindvoerder in staat het bewind aldus uit te voeren dat zich de door de rechthebbende gestelde problematiek niet voordoet.

4.4

Voor zover de rechthebbende heeft gesteld dat [B.V. Y] het bewind op een onzorgvuldige wijze uitoefent, nu de rechthebbende de studiefinanciering en huurtoeslag op haar eigen bankrekening ontvangt en [B.V. Y] geen overleg heeft gevoerd met de rechthebbende om deze door [B.V. Y] te laten ontvangen, volgt het hof haar daarin evenmin. [B.V. Y] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de rechthebbende ervan op de hoogte is gesteld dat [B.V. Y] alle inkomsten van de rechthebbende dient te ontvangen. Wat er verder ook zij van de reden dat de studiefinanciering en huurtoeslag van de rechthebbende niet op de rekening van [B.V. Y] wordt gestort, van belang is dat de rechthebbende deze nog steeds zelf ontvangt ondanks dat zij weet dat [B.V. Y] deze behoort te ontvangen. Gelet hierop had het op haar weg gelegen ervoor zorg te dragen dat de studiefinanciering en huurtoeslag ook daadwerkelijk op de rekening van [B.V. Y] wordt gestort.

4.5

Niet aannemelijk is dat [B.V. Y] de rechthebbende onvoldoende informatie heeft verstrekt over hetgeen voor haar wordt betaald, zoals de rechthebbende heeft gesteld. Het hof acht daarbij van belang dat [B.V. Y] onweersproken heeft gesteld dat het opstarten van het bewind bij [B.V. Y] lange tijd heeft geduurd vanwege de omstandigheid dat de rechthebbende geen vaste woon- of verblijfplaats en inkomen had en dat het in die tijd lastig was in contact met haar te komen. [B.V. Y] heeft voorts ter zitting te kennen gegeven dat maandelijks een overzicht van de gedane betalingen aan de rechthebbende wordt toegezonden. Weliswaar heeft de afgelopen periode daarbuiten weinig contact tussen [B.V. Y] en de rechthebbende plaatsgevonden, maar ter zitting heeft [B.V. Y] verklaard dat [B.V. Y] de intentie heeft om de communicatie met de rechthebbende zo goed mogelijk op te pakken. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [B.V. Y] onweersproken heeft gesteld dat na de bestreden beschikking een gesprek heeft plaatsgevonden met de rechthebbende waarin duidelijke afspraken zijn gemaakt over de communicatie tussen hen en dat naar aanleiding hiervan een plan van aanpak is opgesteld. Naar het oordeel van het hof ligt het eveneens op de weg van de rechthebbende zich in te zetten om de communicatie zo goed mogelijk te laten verlopen.

4.6

Weliswaar is duidelijk geworden dat de rechthebbende de relatie met [B.V. Y] als ernstig verstoord ervaart, maar het hof is op grond van de stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat dit geen gewichtige reden oplevert om [B.V. Y] te ontslaan als bewindvoerder, nu niet althans onvoldoende is gebleken dat [B.V. Y] tekort is geschoten in de communicatie met de rechthebbende. Ook is niet gebleken dat de verhouding tussen de rechthebbende en [B.V. Y] zodanig is verstoord dat genoegzame communicatie niet meer mogelijk is. De enkele omstandigheid dat de rechthebbende geen vertrouwen heeft in [B.V. Y] en zij een bewindvoerder wenst waarin zij meer vertrouwen heeft, acht het hof - mede gelet op het hiervoor overwogene - daartoe onvoldoende.

4.7

Voor zover de rechthebbende heeft gesteld dat de bestreden beschikking in strijd is met artikel 1:435, lid 3 BW, nu de rechtbank de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende voor een bewindvoerder niet heeft gevolgd, gaat het hof aan haar stelling voorbij. Anders dan de rechthebbende heeft gesteld is alleen voor de rechter die het bewind instelt het uitgangspunt dat deze de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende voor een bewindvoerder volgt. Nu in het onderhavige geval reeds een bewind is ingesteld en het gaat om een verzoek tot wijziging van de huidige bewindvoerder, is artikel 1:435, lid 3 BW niet van toepassing.

4.8

Nu ook overigens niet aannemelijk is geworden dat [B.V. Y] het bewind op een onzorgvuldige wijze jegens de rechthebbende heeft uitgeoefend, zal het hof evenals de rechtbank het verzoek van de rechthebbende tot wijziging van de huidige bewindvoerder afwijzen.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 1 augustus 2013.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H. Garos, mr. G.M. van der Meer en
mr. H. Lenters, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 februari 2014 in het bijzijn van de griffier.