Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1303

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
TBS P13/0528
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof heeft de officier van justitie terecht geanticipeerd op de mogelijkheid dat het hof de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar zou verlengen en heeft hij in dat licht en met het oog op artikel 509o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering tijdig een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling bij de rechtbank ingediend. De rechtbank had, nu het hof nog niet had beslist op het ingestelde hoger beroep tegen haar beslissing van 4 juli 2012 en het derhalve onduidelijk was of en zo ja, met welke termijn het hof de terbeschikkingstelling zou verlengen, ter zitting van 7 augustus 2013 de behandeling moeten schorsen in afwachting van de beslissing van het hof. Als gezegd, heeft de rechtbank echter de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard. Die beslissing was ontijdig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

TBS P13/0528

Beslissing d.d. 6 februari 2014

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank van Noord-Holland van 7 augustus 2013, waarbij de officier van justitie in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling niet ontvankelijk werd verklaard.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 23 september 2013;

- mededeling van [kliniek] van de beslissing op grond van artikel 16b, sub a Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden van 13 december 2013;

- de brief van de terbeschikkinggestelde ingekomen op 17 januari 2014.

Het hof heeft ter zitting van 23 januari 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. S.O. Roosjen, advocaat te Drachten, en de advocaat-generaal

Mr. A.A. Schut.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

Het hoger beroep richt zich enkel tegen de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de rechtbank een redelijke beslissing heeft genomen maar dat gelet op artikel 509v van het Wetboek van Strafvordering de behandeling van de zaak aangehouden had moeten worden teneinde de beslissing van het hof van 24 september 2013 af te wachten. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de terbeschikkinggestelde in zijn hoger beroep nu hij bij dat hoger beroep geen belang heeft.

Het oordeel van het hof

De rechtbank Haarlem heeft bij beslissing van 4 juli 2012 de terbeschikkingstelling verlengd met een termijn van twee jaar. De terbeschikkinggestelde heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Dit hof heeft dit hoger beroep voor het eerst behandeld ter zitting van 24 januari 201. Bij tussenbeslissing van 7 februari 2013 heeft het hof het onderzoek heropend. Het hof heeft het hoger beroep nader behandeld ter zitting van 23 mei 2013 en bij tussenbeslissing van 13 juni 2013 het onderzoek wederom heropend. Vervolgens heeft het hof het hoger beroep nader behandeld ter zitting van 10 september 2013 en bij beslissing van 24 september 2013 de terbeschikkingstelling verlengd met een termijn van twee jaar.

De officier van justitie heeft, kennelijk rekening houdend met de mogelijkheid dat het hof zou beslissen tot een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, vooruitlopend op de beslissing van het hof op 3 juni 2013 een vordering tot verlenging van de maatregel ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de beslissing waarvan beroep de officier van justitie in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Naar het oordeel van het hof heeft de officier van justitie terecht geanticipeerd op de mogelijkheid dat het hof de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar zou verlengen en heeft hij in dat licht en met het oog op artikel 509o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering tijdig een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling bij de rechtbank ingediend. De rechtbank had, nu het hof nog niet had beslist op het ingestelde hoger beroep tegen haar beslissing van 4 juli 2012 en het derhalve onduidelijk was of en zo ja, met welke termijn het hof de terbeschikkingstelling zou verlengen, ter zitting van 7 augustus 2013 de behandeling moeten schorsen in afwachting van de beslissing van het hof. Als gezegd, heeft de rechtbank echter de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard. Die beslissing was ontijdig.

Nu het hof bij zijn beslissing van 24 september 2013 de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar heeft verlengd, kan thans worden vastgesteld dat de op 3 juni 2013 ingediende vordering gelet op artikel 509o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering te vroeg is ingediend. Het hof zal daarom de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in die vordering. Daar het hof, zij het een andere motivering, tot dezelfde beslissing komt als de rechtbank, zal het hof de beslissing waarvan beroep bevestigen.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt de beslissing van de rechtbank van 7 augustus 2013 van met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr R. de Groot en mr. J.W. Rijkers als raadsheren,

en drs. G. Mensing en W.J. Canton als raden,

in tegenwoordigheid van B. Moorlag als griffier,

en op 6 februari 2014 in het openbaar uitgesproken.

Mr R. de Groot en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.