Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1298

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
13/00666
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1901, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Beroep bij rechtbank niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0498
V-N Vandaag 2014/412
V-N 2014/25.20.4
V-N 2015/1047

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/00666

uitspraakdatum: 18 februari 2014

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 juni 2013, nummer AWB 13/675, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.447. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 28.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij – in één geschrift vervatte – uitspraken op bezwaar van 13 januari 2011 de bezwaren afgewezen.

1.3

Belanghebbende heeft met dagtekening 26 juli 2012 een brief aan de Inspecteur gestuurd.

1.4

Belanghebbende is wegens het niet tijdig nemen van een besluit in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bezwaarschrift van 26 juli 2012 niet-ontvankelijk verklaard en de vordering tot een dwangsom afgewezen.

1.5

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaak betrekking hebben.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013 te Arnhem. Namens de Inspecteur is verschenen F.[A]. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet ter zitting verschenen.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft op 10 maart 2007 aangifte IB/PVV 2006 gedaan, waarbij het volgende is aangegeven:

Loon uit tegenwoordige arbeid 9.445

Loon uit vroegere arbeid 6.877

Buitengewone uitgaven (2.441)

Belastbaar inkomen uit werk en woning 13.881

2.2

Met dagtekening 21 juni 2007 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV 2006 (aanslagnummer [0000.00.000].H.60; hierna: de eerste voorlopige aanslag) opgelegd. Hierbij is uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.526. De aanslag is als volgt opgebouwd:

Verschuldigd (34,15% x € 12.526 =) 4.276

Af: gecombineerde heffingskorting (2.997)

Af: loonheffing (1.302)

Teruggaaf 23

Vergoede heffingsrente 2

Totale teruggaaf 25

2.3

Belanghebbende heeft bij brief van 30 juli 2007 tegen de eerste voorlopige aanslag bezwaar gemaakt. 

2.4

Met dagtekening 23 november 2007 is aan belanghebbende een tweede voorlopige aanslag IB/PVV 2006 (aanslagnummer [0000.00.000].H.61; hierna: de tweede voorlopige aanslag) opgelegd. Hierbij is, conform de ingediende aangifte IB/PVV 2006, uitgegaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.881. De aanslag is als volgt opgebouwd:

Verschuldigd (34,15% x € 13.881 =) 4.740

Af: gecombineerde heffingskorting (2.997)

Af: loonheffing (1.302)

Te betalen 441

Te betalen heffingsrente 30

Reeds verleende teruggaaf bij eerste VA 23

Totaal te betalen 494

2.5

Belanghebbende heeft bij brief van 23 november 2007 tegen de tweede voorlopige aanslag bezwaar gemaakt. 

2.6

Belanghebbende heeft bij brief van 19 juli 2009 gereageerd op een brief van de Inspecteur van 10 juli 2009 waarin deze nadere vragen heeft gesteld over de ingediende aangifte IB/PVV 2006. In deze brief heeft belanghebbende verzocht om binnen veertien dagen uitspraak te doen op de bezwaarschriften tegen de eerste en de tweede voorlopige aanslag.

2.7

Met dagtekening 13 augustus 2009 is de definitieve aanslag IB/PVV 2006 (aanslagnummer [0000.00.000].H.66; hierna: de definitieve aanslag) aan belanghebbende opgelegd. Hierbij is uitgegaan van een correctie van € 566 op de ingediende aangifte IB/PVV 2006, welke correctie betrekking heeft op de arbeidskorting en de buitengewone uitgaven. De Inspecteur heeft dientengevolge het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op (€ 13.881 + € 566 =) € 14.447. De aanslag is als volgt opgebouwd:

Verschuldigd (34,15% x € 14.447 =) 4.932

Af: gecombineerde heffingskorting (2.997)

Af: loonheffing (1.302)

Te betalen 633

Af: voorlopige aanslag (441)

Te betalen 192

Te betalen heffingsrente 28

Totaal te betalen 220

2.8

Belanghebbende heeft bij brief van 7 september 2009, ontvangen door de Inspecteur op 8 september 2009, bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslag, waarbij wordt gesteld dat ook over de Wajong-uitkering arbeidskorting moet worden toegekend.

2.9

Bij brief van 28 april 2010 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat, gelet op het feit dat de definitieve aanslag is opgelegd, de aandachtspunten met betrekking tot de voorlopige aanslagen hun belang hebben verloren.

2.10

De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraken op bezwaar van 13 januari 2011 afgewezen. In de uitspraken op bezwaar is onder meer vermeld dat het mogelijk is om daartegen in beroep te gaan bij rechtbank Haarlem.

2.11

Bij brief van 24 juli 2012 heeft de Belastingdienst, Regionaal Incasso Centrum, aan belanghebbende onder meer meegedeeld:

“Naar aanleiding van uw brief van 16 juli 2012 betreffende de betalingsherinnering voor de aanslag [0000.00.000].H61 kan ik u het volgende mededelen:

- De voorlopige aanslag [0000.00.000].H61 dient alsnog te worden betaald.

- Het opleggen van de definitieve aanslag (…) H66 van € 220,00 betekent dat u als u de voorlopige aanslag (…) H61 heeft betaald u op de definitieve aanslag (…) H66 maar € 220,00 hoeft bij te betalen.

- Op de voorlopige aanslag (…) H60 heeft u € 25,00 retour ontvangen.

- U bent dus over het jaar 2006 per saldo € 689,00 inkomensheffing verschuldigd aan de Belastingdienst waarvan u al € 220,00 heeft voldaan en € 25,00 heeft terugontvangen.

(…)

Indien u het met deze beslissing niet eens bent kunt u bezwaar indienen tegen de definitieve aanslag (…)H66.”

2.12

Belanghebbende heeft de Inspecteur vervolgens een brief van 26 juli 2012 gezonden waarin het volgende is vermeld:

“Bezwaarschrift tegen uw beschikking van 24 juli 2012, (...) H66 (2006).

(…)

Hierbij dient ondergetekende een bezwaarschrift in tegen de in uw voornoemde brief vervatte beschikking dat de definitieve aanslag over het belastingjaar 2006 een bedrag zou bevatten van €689,--.

Dit heeft u tot op heden niet eerder aan hem bericht, aangezien uw belastingdienst tot nu toe is uitgegaan van:

a.  een voorlopige aanslag van € 25,00 op 21 juni 2007;

b.  een 2e voorlopige aanslag van € 494,00 op 23 november 2007;

c.  een definitieve aanslag van € 220,- op 13 augustus 2009 waarmee de voorlopige aanslag van 23 november 2007 uiteraard geheel is komen te vervallen.

Uiteraard is het niet mogelijk 6 jaar na een belastingjaar alsnog een geheel andere aanslag op te leggen.

Het kan tevens niet zo zijn dat een belastingplichtige de voorlopige + de definitieve aanslag gezamenlijk verschuldigd is, want een definitieve aanslag dient ter vervanging van de (daarbij vervallen) voorlopige aanslag. Volgens uw beschikking van 24 juli 2012 bevat de definitieve aanslag van 13 augustus 2009 een bedrag van liefst € 689,00”

2.13

Bij “Formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen” van 30 september 2012 heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op de in 2.12 vermelde brief van 26 juli 2012. Bij brief van 16 januari 2013 heeft belanghebbende in verband hiermee van de Inspecteur een dwangsom gevorderd van € 1.260.

2.14

Bij brief van 16 januari 2013 heeft belanghebbende beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de brief van 26 juli 2012.

2.15

Bij beschikking van 18 februari 2013 heeft de Inspecteur het verzoek om een dwangsom afgewezen omdat de in 2.11 vermelde brief geen voor bezwaar vatbare beschikking is en de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk is.

2.16

Belanghebbende heeft bij brief van 21 februari 2013 bezwaar gemaakt tegen de in 2.15 vermelde afwijzing.

2.17

De Inspecteur heeft op 28 mei 2013 uitspraak op bezwaar gedaan waarbij het bezwaar is afgewezen omdat de in 2.11 vermelde brief van 24 juli 2012 geen voor bezwaar vatbare beschikking is. Belanghebbende heeft hiertegen op 30 mei 2013 beroep ingesteld. De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 12 december 2013, nummer AWB 13/3152, op dit beroep onder meer geoordeeld dat met overeenkomstige toepassing van de artikelen 4:19, lid 2 en 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), een kopie van het procesdossier aan het Hof zal worden doorgezonden.

2.18

De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 4 juni 2013 geoordeeld dat in een geval waarin voor de tweede maal bezwaar wordt gemaakt terwijl de aanslag al formele rechtskracht heeft gekregen het tweede bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, de Inspecteur belanghebbende hierover had moeten informeren en hij dat niet tijdig heeft gedaan, dat ingevolge artikel 6:2 van de Awb het niet tijdig nemen van een besluit gelijk wordt gesteld met een besluit, dat in de brief van 24 juli 2012 niet een afzonderlijke, van de verrekening bij de aanslag afwijkende, voor bezwaar vatbare beschikking kan worden gelezen en dat de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar meebrengt dat niet kan worden toegekomen aan de toekenning van een dwangsom.

2.19

De griffier van het Hof heeft belanghebbende bij brief van 5 november 2013, gericht aan het adres den [a-straat] 84 te [Z], uitgenodigd voor het bijwonen van de zitting op 18 december 2013 om 10.00 uur te Arnhem.

2.20

In zijn brief met dagtekening 28 november 2013 heeft belanghebbende de Rechtbank verzocht direct uitspraak te doen in de procedure met het nummer AWB 13/3152, “zodat daarover tijdens de zitting van het Gerechtshof (18-12 a.s.)” duidelijkheid bestaat.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de brief van 26 juli 2012 kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag en of belanghebbende in aanmerking komt voor een dwangsom.

3.2

Belanghebbende betoogt dat de definitieve aanslag de eerder opgelegde eerste en tweede voorlopige aanslag vervangt en dat deze voorlopige aanslagen daarmee van rechtswege zijn komen te vervallen. Invordering van de tweede voorlopige aanslag is dan niet meer mogelijk. Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur een dwangsom is verschuldigd omdat niet tijdig uitspraak op bezwaar is gedaan.

3.3

De Inspecteur betoogt dat de brief van 26 juli 2012 betrekking heeft op de definitieve aanslag en daardoor het bezwaarschrift niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en hij geen dwangsom is verschuldigd.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift, tot vernietiging van de tweede voorlopige aanslag en de toekenning van een dwangsom.

3.5

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Uitnodiging zitting Hof

4.1

Ingevolge artikel 8:108, lid 1 in samenhang met artikel 8:37, lid 1, van de Awb, dient – voor zover hier van belang – de uitnodiging om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, te geschieden bij aangetekende brief, tenzij het Hof anders bepaald. Het Hof merkt allereerst op dat hij niet anders heeft bepaald.

4.2

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 8:37 van de Awb blijkt dat de wetgever bij verzending van stukken, zoals de uitnodiging voor een zitting, in beginsel verzending bij aangetekende brief heeft voorgeschreven omdat “Bij een paar cruciale momenten in de procedure met het oog op de op het spel staande belangen zekerheid [dient] te bestaan dat de brief te bestemder plaatse is aangekomen. Alsdan is in beginsel verzending bij aangetekende brief voorgeschreven. Het gaat (…) om de uitnodiging aan partijen om ter zitting van de rechtbank te verschijnen (…).” (Kamerstukken II, 1991-1992, 22 495, nr. 3, blz. 124)

4.3

Het Hof heeft belanghebbende abusievelijk bij per gewone post verzonden brief uitgenodigd voor de zitting van 18 december 2013. Hieraan verbindt het Hof geen gevolgen, omdat het Hof uit de onder 2.20 genoemde brief van 28 november 2013 afleidt, dat belanghebbende de uitnodiging voor de zitting wel heeft ontvangen. Uit het zonder nader bericht niet verschijnen ter zitting van belanghebbende leidt het Hof derhalve niet af, dat belanghebbende niet op een correcte wijze is opgeroepen.

Brief van 26 juli 2012

4.4

In het arrest van 20 januari 2012, nr. 10/02678, ECLI:NL:HR:2012:BT1516, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, meebrengen dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt.

4.5

Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof in zijn brief van 26 juli 2012 enkel grieven aangedragen tegen de definitieve aanslag. Dit is ook inherent aan zijn stelling, dat de voorlopige aanslagen zijn vervallen met het opleggen van de definitieve aanslag. Nu hij reeds bezwaar tegen deze aanslag had gemaakt en de Inspecteur ook al een uitspraak op dit bezwaar heeft gedaan, merkt het Hof de brief van 26 juli 2012 aan als een beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar inzake de definitieve aanslag. Dit brengt mee dat de Inspecteur op grond van artikel 6:15 van de Awb de brief van 26 juli 2012 als beroepschrift had moeten doorzenden naar de Rechtbank.

4.6

De Rechtbank had naar het oordeel van het Hof moeten beoordelen of het beroepschrift tijdig was ingediend.

4.7

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van die bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, lid 1, van de Awb, is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is bij verzending per post een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.8

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.9

In het onderhavige geval had het beroepschrift – uitgaande van uitspraken op bezwaar met dagtekening 13 januari 2011 – uiterlijk op 24 februari 2011 door de Rechtbank moeten zijn ontvangen. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof gesteld en het Hof acht dit aannemelijk, dat hij het beroepschrift daags na de dagtekening ervan, op 27 juli 2012, heeft ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:15, lid 3, van de Awb, is deze datum te dezen bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend. Het beroepschrift is na 24 februari 2011 en daarmee te laat ingediend. Dit hoeft echter niet tot niet-ontvankelijkheid te leiden als er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Aangezien belanghebbende geen argumenten heeft aangevoerd voor de termijnoverschrijding is het Hof van oordeel dat van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb geen sprake is.

4.10

Gelet op het hiervoor overwogene had de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.

4.11

Ten overvloede merkt het Hof op, dat belanghebbendes stelling dat de voorlopige aanslag vervalt door het opleggen van de definitieve aanslag onjuist is gelet op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2010, nr. 08/03784, ECLI:NL:HR:2010:BK1034.

Dwangsom

4.12

Het betoog van belanghebbende dat hij in aanmerking komt voor een dwangsom faalt omdat de brief van 26 juli 2012 moet worden aangemerkt als een beroepschrift (zie 4.5) en derhalve niet als een aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, van de Awb.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten/griffierecht

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel ziet het Hof op grond van artikel 8:74, lid 2, van de Awb, aanleiding voor een vergoeding van het door belanghebbende in verband met het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht. De reden hiervoor is dat de Belastingdienst in de brief van 24 juli 2012 (zie 2.11) aan belanghebbende heeft meegedeeld dat bezwaar kan worden gemaakt tegen de definitieve aanslag, terwijl op dat moment reeds uitspraak op bezwaar was gedaan.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het beroep tegen de uitspraken op bezwaar niet-ontvankelijk,

– verklaart het beroep inzake de dwangsom ongegrond, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 44 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 118 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 18 februari 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst)

(B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 februari 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.