Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1294

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
12/00236 t/m 12/00240
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BW0470, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3016, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Premieplicht volksverzekeringen. Tot welke onderneming behoren schepen ? Bewijslastverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0501
V-N Vandaag 2014/430
V-N 2014/20.1.3

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 12/00236 t/m 12/00240

uitspraakdatum: 18 februari 2014

nummer /

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond/kantoor Rotterdam (hierna: de Inspecteur) en het incidentele hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 20 maart 2012, nummers AWB 09/4493, 09/4494, 09/4495, 10/2345 en 10/2686, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2003, 2004, 2005, 2006 en 2007 aanslagen in de inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen opgelegd en bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen en de heffingsrentebeschikkingen. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur voor de jaren 2003, 2004 en 2005 de aanslagen en de heffingsrentebeschikkingen verminderd en voor de jaren 2006 en 2007 de bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de aanslagen en de heffingsrentebeschikkingen verminderd.

1.4.

Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 25 april 2012 ter griffie ingekomen.

1.5.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.6.

De Inspecteur heeft bij brieven van 27 februari 2013 en 5 maart 2013 nadere stukken ingediend en bij brief van 1 maart 2013 het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013 te Arnhem. Met instemming van partijen zijn daar gezamenlijk behandeld de zaken met nummer 11/‌00165 tot en met 11/‌00170, 11/‌00197, 12/‌00236 tot en met 12/‌00240 en 12/‌00411. Namens belanghebbende is daar verschenen mr. [A]. Namens de Inspecteur is verschenen [B], bijgestaan door [C]. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, waarbij belanghebbende als eiser wordt aangeduid en de Inspecteur als verweerder:

“Algemeen

2.1

Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in de jaren 2003 tot en met 2007 in Nederland. In die jaren was eiser als kapitein in loondienst en werkzaam op verschillende binnenvaartschepen. Al deze schepen waren voorzien van certificaten als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 en werden met winstoogmerk gebruikt voor vrachtvervoer.

2003

2.2

Eiser was in 2003 als kapitein in loondienst bij [D] SA, gevestigd te [L]. [D] SA is onderdeel van de [E] Groep te [M] en is voor 99% een dochteronderneming van [F] BV te [M].

2.3

Eiser heeft in de periode 1 januari 2003 tot en met 5 mei 2003 werkzaamheden verricht op het motortankschip [G]. Het schip is eigendom van [H] (hierna: [H]) te [N]. De rest van het jaar 2003 is eiser werkzaam geweest op het motortankschip [I], dat tot 15 oktober 2003 in eigendom was bij [D] SA en vanaf die datum bij [J] SA, eveneens gevestigd te [L].

2.4

Voor het motortankschip [G] is op 12 december 2001 door de Minister van Verkeer en Waterstaat aan [H] als eigenaar van het schip een verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart, dat het schip behoort tot de Rijnvaart in de zin van artikel 2, derde lid, van de Herziene Rijnvaartakte (hierna: Rijnvaartverklaring). Op deze verklaring is zowel [H] als [D] SA te [L] bij “Exploitant” ingevuld.

2004

2.5

Eiser was ook in 2004 als kapitein in loondienst bij [D] SA. Eiser heeft in de periode 1 februari 2004 tot en met 31 december 2004 werkzaamheden verricht op het motortankschip [K]. Het schip is eigendom van Scheepvaartonderneming [O] (hierna: [O]) te [M]. In de maand januari van dat jaar heeft eiser werkzaamheden verricht op het motortankschip [I].

2.6

Voor het motortankschip [K] is op 26 mei 2004 aan [O] als eigenaar van dit schip een Rijnvaartverklaring afgegeven. Op deze verklaring is zowel [O] als [D] SA bij “Exploitant” ingevuld.

2005

2.7

Eiser was van 1 januari 2005 tot en met 7 juli 2005 als kapitein in loondienst bij [D] SA. Van 8 juli 2005 tot en met 31 december 2005 was eiser als kapitein in loondienst bij [P] gevestigd te [Q], [L].

2.8

Eiser heeft in 2005 tot en met 7 juli werkzaamheden verricht op het hiervoor genoemde schip [K]. Na die datum heeft eiser gewerkt op het motortankschip [R]. Dit schip is eigendom van [S] BV te [T].

2.9

Voor het motortankschip [R] is op 21 juli 2006 aan [S] BV als eigenaar van dit schip een Rijnvaartverklaring afgegeven. Op deze verklaring is bij “Exploitant” niets ingevuld.

2.10

[P] heeft zich in 2005 niet gemeld als exploitant van het schip [R]. Wel is voor dit schip op 25 augustus 2006 een “certificat d’exploitant” afgegeven waarop [P] staat vermeld als exploitant.

2006

2.11

Eiser was van 1 januari 2006 tot en met 13 februari 2006 als kapitein in loondienst bij [P]. Eiser was van 14 februari 2006 tot en met 31 december 2006 als kapitein in loondienst bij [D] SA.

2.12

Eiser heeft in 2006 werkzaamheden verricht op het hiervoor genoemde motortankschip [K] van [O].

2007

2.13

Eiser was ook in 2007 als kapitein in loondienst bij [D] SA en heeft werkzaamheden verricht op het motortankschip [K] van [O].

E-104 en E-106 verklaringen

2.14

De Luxemburgse autoriteiten hebben aan eiser met dagtekening 11 mei 2004 een zogenoemde E-106 verklaring afgegeven. In deze verklaring is vermeld dat eiser met ingang van 1 februari 2004 in [L] is verzekerd tegen de kosten van ziekte en moederschap. Op 14 maart 2006 is door de Luxemburgse autoriteiten nogmaals een E-106 verklaring aan eiser afgegeven. In deze verklaring is vermeld dat eiser met ingang van 14 februari 2006 in [L] is verzekerd tegen de kosten van ziekte en moederschap.

2.15

Verder hebben de Luxemburgse autoriteiten aan eiser met dagtekening 6 november 2006 een E-104 verklaring afgegeven. In deze verklaring is vermeld dat eiser met ingang van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2004 geregistreerd is geweest voor ziekte en moederschap, uitkeringen bij overlijden, en tuberculose.

Aanslagregeling en bezwaar

2.16

Eiser heeft voor het jaar 2003 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.596 en daarbij verzocht om vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 25.388 en voor de periode dat eiser heeft gewerkt op het motortankschip [I] vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen verleend. Het premie-inkomen van eiser is vervolgens als volgt berekend:

125/360 x € 25.388 is afgerond € 8.815.

2.17

Eiser heeft voor het jaar 2004 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.756 en daarbij verzocht om vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het belastbaar inkomen uit werk en woning gehandhaafd en voor de periode dat eiser heeft gewerkt op het motortankschip [I] vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen verleend. Het premie-inkomen van eiser is vervolgens als volgt berekend:

330/360 x € 28.756 is afgerond € 26.359.

2.18

Eiser heeft voor het jaar 2005 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.392 en daarbij verzocht om vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. Verweerder heeft die vrijstelling geweigerd en het belastbare inkomen uit werk en woning en het premie-inkomen vastgesteld op € 28.519.

2.19

Eiser heeft voor het jaar 2006 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.953 en daarbij verzocht om vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. Verweerder heeft die vrijstelling geweigerd en het belastbare inkomen uit werk en woning en het premie-inkomen vastgesteld op € 30.631.

2.20

Eiser heeft voor het jaar 2007 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.623 en daarbij verzocht om vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. Verweerder heeft die vrijstelling geweigerd en het belastbare inkomen uit werk en woning en het premie-inkomen vastgesteld op € 31.122.”

2.2.

Deze feiten zijn in hoger beroep niet betwist, zodat het Hof daarvan uitgaat. In aanvulling daarop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3.

[D] SA (hierna: [D]) heeft ten behoeve van de [G] een bevrachtingsovereenkomst gesloten.

2.4.

[U], Inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, heeft bij brief van 21 februari 2013 verklaard:

“Voor het binnenvaarstschip [G] met EU-nummer: [0000000000] zijn de volgende certificaten ingevolge artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte afgegeven.

Verlopen certificaten:

CVOR 08-01-2002 - 09-05-2011

CVOR 05-10-2004 - 12-08-2009

(…)”

2.5.

[U], Inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport, heeft bij brief verklaard:

“Voor het binnenvaarstschip motortankschip [K], met EU-nummer: [00000001] zijn de volgende certificaten ingevolge artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte afgegeven.

Verlopen certificaten:

CVOR 17-05-2004 - 31-10-2013

CVOR 05-07-2004 - 31-10-2013

(…)”

2.6.

[V], senior adviseur/specialistisch medewerker van de Inspectie Leefomgeving en Transport, heeft bij brief van 13 april 2012 verklaard:

“Ik heb het verzoek om informatie te verstrekken over het mts. [R], scheepsnummer [0000002] (…) ontvangen.

Het mts. [R] is gecertificeerd voor de vaart op de Rijn en valt derhalve volledig onder de Herziene Rijnvaartacte. (…)

In de bijlage vindt u een uitdraai van het betreffende certificaat. hieruit blijkt dat het Mts. [R] in de door u genoemde periode van 2005 tot heden beschikt over het certificaat voor de vaart op de Rijn.”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Het geschil spitst zich toe op de vraag tot welke onderneming de schepen ‘[G]’, ‘[K]’ en ‘[R]’ behoren en wie de bewijslast draagt van zijn in dat kader ingenomen stelling(en).

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep bij de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende verrichtte in de onderhavige jaren zijn beroepsarbeid aan boord van het motortankschip ‘[G]’, het motortankschip ‘[I]’, het motortankschip ‘[K]’ en het motortankschip ‘[R]’. De Inspecteur stelt dat belanghebbende rijnvarende is in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel m, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (Trb. 1981, 43) (hierna: Rijnvarendenverdrag) en dat de vermelde schepen behoren tot in Nederland zetelende ondernemingen, zodat op belanghebbende de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is (artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag).

4.2.

De onderneming waartoe het schip behoort is de onderneming voor wier rekening en risico het schip wordt geëxploiteerd en die de winst geniet die met het gebruik van het schip wordt beoogd (HR 9 december 2011, nr. 10/03927, ECLI:NL:HR:2011:‌BQ2938).

4.3.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat op de Inspecteur de bewijslast rust van zijn door belanghebbende betwiste stelling dat de onderhavige schepen behoren tot de onderneming van de respectieve eigenaren, omdat, kort gezegd, de Inspecteur beschikt over de beste mogelijkheden om bewijsmiddelen te vergaren die zijn stelling ondersteunen.

4.4.

De Inspecteur voert daartegenover aan dat belanghebbende als inwoner van Nederland volgens de hoofdregel van rechtswege is verzekerd voor de volksverzekeringen, dat belanghebbende zich beroept op een uitzondering op die regel en dat hij daarom de bewijslast draagt van de feiten die leiden tot toepasselijkheid van die uitzondering. Voorts voert de Inspecteur aan dat hij niet beschikt over de bevoegdheden bij niet in Nederland gevestigde ondernemingen, zoals [D], een boekenonderzoek in te (doen) stellen en dus dat hij – anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld – niet over meer mogelijkheden beschikt dan belanghebbende om zijn stellingen door bewijsmiddelen te staven.

4.5.

De onderneming waartoe het schip behoort is de onderneming voor wier rekening en risico het schip wordt geëxploiteerd en die de winst geniet die met het gebruik van het schip wordt beoogd (HR 9 december 2011, nr. 10/03927, ECLI:NL:HR:2011:‌BQ2938).

4.6.

Naar het oordeel van het Hof draagt de inspecteur de last feiten die bepalend zijn voor de premieplicht te stellen en, bij betwisting, te bewijzen. De premieplicht en de daarmee gelijk te stellen verzekeringsplicht vloeien, naar ook volgt uit artikel 6a van de Algemene ouderdomswet, gelijkelijk voort uit de Nederlandse wet en de toepasselijke internationale verdragen. Anders dan de Inspecteur meent, is geen sprake van een op de wet gebaseerde hoofdregel en daarop geldende uitzonderingen ingevolge verdragen. Waar het gaat om de vragen welke onderneming moet worden aangemerkt als exploitant van het schip waarop een werknemer is tewerkgesteld en in welk land deze onderneming is gevestigd, komt daarbij dat de Inspecteur beter dan de werknemer in staat moet worden geacht de relevante feiten op te sporen en te bewijzen, nu het gaat om een onderneming die, naar de Inspecteur stelt, in Nederland is gevestigd. De Inspecteur heeft nog gesteld dat hij geen onderzoeksmogelijkheden heeft ten aanzien van niet in Nederland gevestigde ondernemingen, waarvan belanghebbende stelt dat zij de exploitanten van de schepen zijn. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het Hof niet in waarom voor de bewijsvoering door de Inspecteur noodzakelijk zou zijn een onderzoek in te stellen bij een andere onderneming dan de in Nederland gevestigde onderneming die de Inspecteur voor de exploitant houdt.

4.7.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het motortankschip ‘[G]’ wordt geëxploiteerd door de eigenaar en niet, zoals belanghebbende stelt, door [D].

4.8.

De Inspecteur ondersteunt zijn stelling dat het motortankschip ‘[G]’ in 2003 behoort tot de onderneming van de eigenaar met een verwijzing naar diens aangiften voor de omzetbelasting, die naast een ‘omzet privé’ in december geen andere omzet vermelden dan een maandelijks wisselend bedrag aan ‘omzet 0’. Daaruit leidt de Inspecteur af dat geen sprake is van een zogenaamde bareboat-overeenkomst, omdat in dat geval sprake zou zijn van een gelijkmatige en belaste omzet. Voorts verwijst de Inspecteur naar de aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2003 van [H], die winst uit onderneming vermeldt. Naar de mening van de Inspecteur volgt uit de omstandigheid dat [D] een bevrachtingsovereenkomst heeft gesloten niet dat het schip voor rekening en risico van [D] wordt geëxploiteerd.

4.9.

Belanghebbende stelt daartegenover dat uit de aangifte voor de omzetbelasting niet blijkt wie de exploitant is van een vervoermiddel, in het bijzonder nu bij grensoverschrijdende verhuur van vervoermiddelen de heffing van omzetbelasting is verlegd naar de afnemer. Ook blijkt uit de vermelding van winst uit onderneming in de aangifte van de eigenaar van het schip niet meer dan dat deze winst uit onderneming aangeeft. Dat zegt niets over de vraag of hij ook exploitant van het schip is. Ten slotte wijst belanghebbende erop dat [D] als vervrachter een bevrachtingsovereenkomst heeft gesloten met een bevrachter, uit hoofde waarvan [D] recht heeft op de vrachtpenningen. Dat brengt naar de mening van belanghebbende mee dat [D] de exploitant is.

4.10.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het motortankschip ‘[G]’ behoort tot de onderneming van de eigenaar. De overgelegde gegevens uit de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting van die eigenaar bieden daarvoor onvoldoende steun. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende zijn beroepsarbeid verrichtte aan boord van een schip dat behoort tot een onderneming waarvan de zetel zich in Nederland bevindt.

4.11.

De Rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het motortankschip ‘[K]’ wordt geëxploiteerd door de eigenaren en niet, zoals belanghebbende stelt, door [D].

4.12.

De Inspecteur stelt dat de ‘[K]’ in 2004 en 2005 behoort tot de onderneming van de eigenaar [O]. Daartoe verwijst hij naar de jaarstukken van de eigenaar. Naar de mening van de Inspecteur volgt uit de omstandigheid dat [D] een bevrachtingsovereenkomst heeft gesloten niet dat het schip voor rekening en risico van [D] wordt geëxploiteerd. Voorts wijst de Inspecteur erop dat het Gerechtshof ’s‑Gravenhage in zijn uitspraak van 24 april 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4953, heeft beslist dat [O] de ‘[K]’ exploiteert.

4.13.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan naar het oordeel van het Hof uit de overgelegde jaarstukken van [O] niet worden afgeleid dat hij de exploitant van de ‘[K]’ is. Daarvoor zijn de in die jaarstukken opgenomen specificaties te beperkt. Ook met hetgeen de Inspecteur overigens aanvoert maakt hij niet aannemelijk dat de ‘[K]’ behoort tot de onderneming van [O] als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag.

4.14.

De Rechtbank heeft aannemelijk geacht dat het motortankschip ‘[R]’ in 2005 werd geëxploiteerd door de eigenaar van het schip, omdat aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken. Omdat de eigenaar van het schip in Nederland is gevestigd, is belanghebbende gedurende de periode dat hij op dit schip werkt, verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen.

4.15.

Het incidentele hoger beroep van belanghebbende keert zich tegen deze beslissing. Daartoe voert belanghebbende aan dat de eigendom van het schip niets zegt over de exploitatie daarvan. Tot steun voor zijn stelling heeft belanghebbende verwezen naar het ‘certificat d’exploitant’.

4.16.

De Inspecteur betwist dat het overgelegde certificat betrekking heeft op het onderhavige schip. Hij stelt dat het betrekking heeft op het binnenschip ‘[R]’ met scheepsnummer [000003], dat in 2004 is verkocht, terwijl het in het onderhavige geding gaat om het binnenschip ‘[R]’ met scheepsnummer [0000002]. Voorts wijst de Inspecteur naar de jaarstukken van de eigenaar, waaruit volgens de Inspecteur blijkt dat deze eigenaar omzet realiseert, de vrachtopbrengsten geniet, de onderhoudskosten van het schip draagt, personeel in dienst heeft en personeel inleent. De Inspecteur wijst erop dat [P] blijkens een uitspraak van een Luxemburgse rechter niet als exploitant is aan te merken en dat de ten name van [P] gestelde certificats d’exploitant en rijnvaartverklaringen zijn ingetrokken.

4.17.

Op de Inspecteur rust te last zijn feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, te bewijzen waaruit volgt dat de onderneming waartoe het schip ‘[R]’ behoort haar zetel heeft in Nederland. De Inspecteur heeft daartoe gesteld dat dit schip behoort tot de onderneming van de eigenaar. De Inspecteur heeft deze stelling naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt. Of het schip behoort tot de onderneming van [P] is dan niet relevant, zodat het Hof hetgeen daarover is aangevoerd in het midden kan laten.

4.18.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank vernietigen.

4.19.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de in geding zijnde aanslag betreft.

5 Kosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep en het incidentele hoger beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 3 punten (verweerschrift, incidenteel hogerberoepschrift en verschijnen ter zitting) × 1 (gewicht van de zaak) × € 487, ofwel op € 1.461 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Niet gesteld of gebleken is dat andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarbij de aanslag inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente is verminderd;

  • -

    vermindert de aanslag inkomstenbelasting/‌premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 tot een aanslag berekend naar een premie-inkomen van nihil onder handhaving van de overige elementen van de aanslag;

  • -

    vermindert dienovereenkomstig de in rekening gebrachte heffingsrente;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 1.461; en

  • -

    verstaat dat van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een griffierecht geheven wordt van € 478.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.P.M. Kooijmans en R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 18 februari 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(J.L.M. Egberts)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 februari 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.