Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1276

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
200.131.739
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek gezamenlijk gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.131.739

(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Almelo, 131732)

beschikking van de familiekamer van 20 februari 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K.J. Coenen te Enschede,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

belanghebbende in hoger beroep, verder te noemen: de vader.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel,

gevestigd te Almelo,

verder te noemen: de stichting.


1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, verder: de kinderrechter, van 5 juni 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer en zoals verbeterd bij beschikking van die rechtbank van 17 juli 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift, ingekomen op 6 augustus 2013.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2014 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is B.A.M. Giesen verschenen. Namens de stichting zijn verschenen L.J.M. Heebink, praktijkleider en S. Schulze, gezinsvoogd. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [kind], die is geboren te Enschede op [geboortedatum] 2005. De vader heeft [kind] erkend.

3.2

Bij beschikking van 30 maart 2011 heeft de kinderrechter in de rechtbank Almelo [kind] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar. Deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk tot 30 maart 2014.

3.3

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank met ingang van de datum van die beschikking de vader mede belast met het ouderlijk gezag over [kind], de kosten van de procedure gecompenseerd, verstaan dat eventuele omgang tussen [kind] en zijn vader door de gezinsvoogdes in gang zal worden gezet, en het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil het verzoek van de vader om mede belast te worden met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [kind].


4.2 De moeder is naar het hof begrijpt met één grief in hoger beroep gekomen. Met deze grief beoogt de moeder voormeld geschil in hoger beroep aan de orde te stellen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Uit de overgelegde stukken, waaronder diverse beschikkingen van de rechtbank Almelo en dit hof en schriftelijke aanwijzingen van de stichting, blijkt het volgende.

Na het uiteengaan van de vader en de moeder hebben zich tussen hen vele problemen voorgedaan en zijn er meerdere procedures gevoerd met betrekking tot de omgang tussen de vader en [kind]. Nadat de vader aanvankelijk een uur per week omgang had met [kind] (in het bijzijn van de moeder), heeft de moeder die omgang vanaf 5 mei 2009 niet meer toegestaan. De vader heeft vervolgens verzocht om vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [kind]. De rechtbank heeft besloten tot een raadsonderzoek. De raad heeft het verzoek tot onderzoek echter teruggegeven omdat de moeder onvoldoende wilde meewerken aan het onderzoek. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 17 februari 2010 heeft de rechtbank Almelo op verzoek van de vader een omgangsregeling vastgesteld, met een opbouw in de duur van de omgangsmomenten. De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking en hangende dat hoger beroep geweigerd om de vader omgang te laten hebben met [kind]. In hoger beroep heeft het hof Arnhem wederom een raadsonderzoek gelast. De raad heeft op 17 maart 2011 gerapporteerd. Volgens de raad wordt [kind] bedreigd in zijn ontwikkeling doordat hij klem komt te zitten tussen zijn ouders, nu de vader omgang met hem wil en de moeder de vader uit het leven van [kind] wil weren. [kind] ontwikkelt door de houding van de moeder een negatief vaderbeeld en er is sprake van oudervervreemding, aldus de raad. De raad heeft daarom geadviseerd [kind] onder toezicht te stellen, alsmede om voor de vader een omgangsregeling vast te stellen. Bij beschikking van 17 mei 2011 heeft het hof Arnhem overwogen dat geen sprake is van de door de vrouw gestelde gronden die ontzegging van de omgang aan de vader zouden kunnen rechtvaardigen en bepaald dat aan de stichting wordt overgelaten om een omgangsregeling tussen de vader en [kind] vast te stellen die in het belang van [kind] is en waarbij binnen een jaar geleidelijk wordt toegewerkt naar een reguliere omgangsregeling. Vervolgens is pas in november 2011 de omgang tussen de vader en [kind] weer op gang gekomen. Blijkens het observatieverslag van 2 november 2011 van drs. J. Dragt zijn geen redenen gebleken die verdere contactopbouw tussen de vader en [kind] zouden kunnen bemoeilijken. Vanaf februari 2012 heeft de moeder echter weer geweigerd mee te werken aan omgang tussen de vader en [kind], ondanks schriftelijke aanwijzingen ter zake van de stichting. Bij beschikking van 14 november 2012 heeft de rechtbank Almelo een machtiging uithuisplaat-sing van [kind] bij de vader afgegeven. Deze beschikking is niet geëffectueerd omdat de moeder heeft verklaard onvoorwaardelijk te zullen meewerken aan omgang als door de stichting voorgesteld. De moeder heeft vervolgens op 28 december 2012 en 27 maart 2013 schriftelijke aanwijzingen van de stichting gekregen met betrekking tot de invulling van de omgang tussen de vader en [kind]. Uiteindelijk is de omgang tussen de vader en [kind] medio 2013 op instigatie van de vader beëindigd, omdat hij heeft ervaren dat de omgang als gevolg van de negatieve houding van de moeder een te grote lijdensdruk op [kind] legt.

Omdat hulpverlening voor [kind] van verschillende kanten werd geadviseerd, heeft er een intake bij Mediant Jeugd plaatsgevonden op 22 april 2013. Volgens de stichting is daarbij duidelijk geworden dat er bij [kind] geen sprake is van psychiatrische problematiek maar van ouderproblematiek (loyaliteitsconflict). Mediant heeft aangegeven dat de moeder moet loslaten, oud zeer niet moet projecteren en adviseert mediation voor de ouders en mogelijk een individueel traject voor de moeder.

5.3

Het hof is van oordeel dat de vader naast en met de moeder met het gezag over [kind] moet worden belast. De moeder heeft niet aannemelijk gemaakt dat afwijzing van het verzoek van de vader nodig is, omdat er een onaanvaardbaar risico zou zijn dat [kind] klem of verloren zal raken tussen zijn ouders of omdat afwijzing van het verzoek van de vader anderszins in het belang van [kind] noodzakelijk zou zijn.

5.4

Het hof overweegt daartoe als volgt. Uit het voorgaande blijkt dat er problemen zijn tussen de vader en de moeder, dat de communicatie tussen hen ernstig is verstoord, dat de moeder niet, althans onvoldoende meewerkt aan omgang tussen de vader en [kind] omdat zij daar niet achter staat en dat bij [kind] sprake is van een ernstig loyaliteitsprobleem. Deze problemen worden naar het oordeel van het hof veroorzaakt door de houding van de moeder, zoals hiervoor omschreven. Zolang de moeder niet in staat is, althans denkt niet in staat te zijn de vader in het leven van [kind] een plaats te geven, zullen de problemen voor [kind] niet verdwijnen en blijft er sprake van een ontwikkelingsbedreiging. De moeder is meerdere malen geadviseerd hiervoor hulp in te schakelen. Dat heeft zij, zo is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof gebleken, nagelaten. Een gesprek van de moeder met de huisarts is in dit kader volstrekt onvoldoende. De moeder is niet in staat gebleken het belang van [kind] te laten prevaleren boven haar eigen belang.

5.5

Het hof is dan ook met de kinderrechter van oordeel dat juist in dit geval het in het belang van [kind] noodzakelijk is dat de vader mede wordt belast met ouderlijk gezag over [kind]. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de vader in staat is het belang van [kind] voorop te stellen en boven zijn eigen belang te plaatsen. Hij is in staat gebleken in het belang van [kind] de nodige terughoudendheid te betrachten en ervoor te waken dat [kind] mede ten gevolge van de gezagsuitoefening door de ouders samen tussen zijn ouders klem of verloren raakt. Omdat de moeder de in het belang van [kind] zijnde de afspraken met de hulpverlening niet (altijd) nakomt, acht het hof gezamenlijk gezag in de onderhavige zaak eveneens van belang. Doordat de vader mede wordt belast met het ouderlijk gezag zal hij mede betrokken worden bij alle belangrijke beslissingen aangaande [kind] en is de vader niet langer afhankelijk van de moeder om hem op de hoogte te houden van de ontwikkeling van [kind].

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 5 juni 2013.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.J. Haarhuis, A.E.F. Hillen en J.H. Lieber, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 20 februari 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.