Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1269

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
200.129.117
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Deels met toepassing van nieuwe richtlijnen kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.129.117

(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, 232444)

beschikking van de familiekamer van 20 februari 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.R. van Wieren te ‘s-Hertogenbosch,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.M. van Rossum te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 26 juni 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 21 augustus 2013;

- een journaalbericht van mr. Van Wieren van 5 juli 2013 met bijlagen, ingekomen op 8 juli

2013;

- een journaalbericht van mr. Van Rossum van 7 november 2013 met bijlagen, ingekomen op

11 november 2013;

- een journaalbericht van mr. Van Wieren van 11 november 2013 met bijlagen, ingekomen

op diezelfde datum.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 21 november 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen partijen is op [geboortedatum] 2007 [het kind] (verder: [het kind]) geboren. De man heeft [het kind] erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over haar.

3.2

De man, geboren op [geboortedatum] 1964, woont sinds 7 oktober 2013 samen met [A.] (verder te noemen “[A.]”), die een inkomen heeft van ongeveer € 1.366,26 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.

De man is directeur en enig aandeelhouder van [...] BV (hierna: de holding). De holding is op haar beurt enig aandeelhouder van [X BV] BV (hierna: [X BV]). Blijkens de aangifte IB heeft de man in 2012 uit de Holding een salaris van € 86.743,- bruto ontvangen en in 2011 een salaris van € 86.128,- bruto. Uit de overgelegde jaarstukken van die ondernemingen van de afgelopen jaren blijken de volgende cijfers (in euro’s):

Holding:

2008 2009 2010 2011 2012 2013 (1e 9 maanden)

Netto omzet 118.000 133.500 98.000 83.000 103.000

Bedrijfskosten 90.109 114.077 96.166 95.531 100.480

Eigen vermogen 166.847 303.662 348.523 340.261 157.890

Bedrijfsresultaat

(inclusief resultaat

deelneming) 113.450 137.002 44.861 8.262 67.629

[X BV]:

Netto omzet 275.719 551.568 443.444 263.360 321.035 116.166

Bedrijfskosten 161.576 249.529 197.753 177.768 175.969 101.063

Eigen Vermogen 124.762 246.220 288.601 124.371 27.690

Bedrijfsresultaat 92.146 121.457 42.381 226 64.371 6.448

3.3

De lasten van de man bedragen per maand:

- € 2.854,- aan hypotheekrente;

- € 277,55 aan premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 51,91 aan premie overlijdensrisicoverzekering gekoppeld aan de hypotheek;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 93,87 aan ziektekosten in 2012:

- € 97,97,- premie basisverzekering ZVW,

- € 44,90 premie aanvullende verzekering,

- verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 49,- per maand voor een alleenstaande;

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 3.060,- per jaar.

3.4

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1968, vormt met [het kind] een gezin.

De vrouw voert een praktijk als haptotherapeut en is - freelance - docent/begeleider op [...]. Uit de overgelegde jaarstukken van die onderneming van de afgelopen drie jaren blijken de volgende cijfers (in euro’s):

2010 2011 2012

Omzet 21.858 23.088 34.567

Bedrijfskosten 9.851 9.940 11.978

Eigen vermogen - 574 144

Bedrijfsresultaat 12.007 13.148 22.589

3.5

De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 343,- aan huur (€ 600,- -/- € 257,- huurtoeslag);

- € 224,87 aan ziektekosten in 2012:

- € 142,87 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,

- € 220,- eigen risico,

- € 48,- op aanslag zelf betaalde premie ZVW,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 49,- per maand voor een alleenstaande en de zorgtoeslag van € 88,-.

3.6

De vrouw ontvangt kindgebonden budget van € 77,- per maand in 2012 en € 84,- per maand in 2013. De kosten van de kinderopvang bedragen na aftrek van de kinderopvangtoeslag in 2012 € 135,36 per maand en in 2013 € 96,48 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 1 januari 2012 vastgesteld op € 640,- per maand.

4.2

De man is met elf grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

26 maart 2013. De grieven 1 tot en met 7 zien op de behoefte van [het kind]. De grieven 8 en 9 zien op de draagkracht van de vrouw en de grieven 10 en 11 zien op de draagkracht van de man. De man verzoekt het hof te bepalen dat hij aan kinderalimentatie dient te voldoen over de periode:

- 1 januari 2012 tot 1 juni 2013 € 36,- per maand;

- vanaf 1 juni 2013 € 120,- per maand, althans een bedrag dat het hof juist acht doch niet

hoger dan € 640,- per maand.

Voorts verzoekt de man uitsluiting van de indexering van de alimentatie en verzoekt hij terugbetaling van het door hem teveel betaalde door de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente bij niet of niet tijdige terugbetaling en kosten rechtens.

4.3

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man betwist in de eerste plaats dat de behoefte van [het kind] € 790,- per maand bedraagt (grief 4). Hij stelt dat de rechtbank het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun samenwoning ten onrechte heeft bepaald op € 7.878,- netto per maand (grief 1). Voorts stelt de man dat de kinderopvangkosten van € 571,- per maand ten laste dienen te worden gebracht van het netto gezinsinkomen (grief 2). De man stelt daarnaast dat ten onrechte geen rekening is gehouden met dubbeltelling van woonlasten aan de zijde van de vrouw bij de bepaling van de behoefte van [het kind]. Hij stelt dat in de behoefte van [het kind] reeds ten dele woonlasten aan de zijde van de vrouw liggen besloten, die daarnaast ook bij de berekening van de draagkracht van de vrouw volledig worden meegenomen. Ten slotte stelt de man dat ook in gevallen waarin geen sprake is van co-ouderschap rekening kan worden gehouden met extra woonlasten. Hij verwijst daarbij naar de methode Bol (grief 3).

De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.

5.2

Partijen zijn het eens over de hoogte van het netto inkomen van de vrouw ten tijde van hun uiteengaan, te weten € 964,- netto per maand. Voorts staat vast dat de man in de jaren 2008 tot en met 2011 een netto inkomen had van € 4.124,- per maand.

5.3

Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [het kind] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2012 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Werkgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Werkgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van hun samenwoning dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat hoger is. Hoewel de man in zijn grieven heeft verwezen naar de methode Bol, is in de onderhavige zaak geen sprake van co-ouderschap en heeft de man onvoldoende gesteld om op andere gronden af te wijken van het rapport Alimentatienormen.

5.4

Het gezamenlijk netto gezinsinkomen bedroeg blijkens het hiervoor onder 5.2 overwogene ten tijde van de samenwoning ten minste € 5.088,- per maand.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de kosten van de kinderopvang van

€ 571,- per maand in mindering dienen te worden gebracht op het netto gezinsinkomen. De desbetreffende kosten acht het hof niet bovenmatig gelet op voormeld gezinsinkomen en gelet op de situatie waarin beide partijen betaald werk verrichtten.

5.5

Nu vaststaat dat het gezinsinkomen ten minste € 5.088,- bedroeg en daarmee reeds uitkomt boven de grens van € 5.000,-, behoeft hetgeen de man verder heeft aangevoerd op dit punt geen bespreking meer.

5.6

Op basis van de tabel 2012 berekent het hof de behoefte van [het kind] aan een bijdrage van haar ouders op € 790,- per maand.

5.7

De man stelt voorts dat de vrouw ook dient bij te dragen in deze behoefte van [het kind].

Het hof overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen en zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

5.8

De man verzoekt om toepassing van de nieuwe richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen met ingang van 1 januari 2012, althans met ingang van 1 januari 2013 dan wel met ingang van 1 april 2013 (grief 5, 6 en 7). De man stelt voorts dat de nieuwe richtlijnen in ieder geval dienen te worden toegepast vanaf de datum waarop hij is gaan samenwonen met een nieuwe partner. Voorts stelt de man dat de vrouw een nieuwe woning heeft, met een andere woonlast vanaf 1 juli 2013, zodat in ieder geval vanaf die datum de nieuwe richtlijn moet worden toegepast.

5.9

De Expertgroep Alimentatienormen heeft in februari 2013 nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie gepubliceerd. De vrouw heeft uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen toepassing van die nieuwe richtlijnen, omdat volgens de vrouw geen sprake is van gewijzigde omstandigheden na 1 januari 2013. Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij de man tegemoet wil komen door vanaf 1 januari 2013 het kindgebonden budget in mindering te brengen op de door het hof vast te stellen behoefte van [het kind].

5.10

Vooropgesteld moet worden dat indien de ingangsdatum van de vaststelling of wijziging van de kinderalimentatie is gelegen vóór 1 januari 2013, de behoefte en de draagkracht worden berekend volgens de oude rekenwijze. Indien de ingangsdatum van de vaststelling of wijziging is gelegen tussen 1 januari 2013 en 1 april 2013 wordt de behoefte berekend volgens de nieuwe rekenwijze en de draagkracht volgens de oude rekenwijze. Bij een vaststelling of wijziging van de kinderalimentatie na 1 april 2013 wordt zowel de behoefte als de draagkracht berekend volgens de nieuwe rekenwijze.

Slechts een relevante wijziging na 1 april 2013 leidt tot een draagkrachtberekening volgens de nieuwe richtlijn. De door de man gestelde wijziging van de woonlast van de vrouw acht het hof niet relevant, nu de huurlast van de vrouw slechts met een bedrag van € 10,- per maand is gestegen. Het hof acht deze wijziging niet substantieel. Ook met de samenwoning van de man met ingang van 7 oktober 2013 zal het hof geen rekening houden, nu de man onweersproken heeft verklaard dat zijn nieuwe partner nog een eigen woning heeft met eigen woonlasten. Ook overigens heeft de man onvoldoende gesteld en is niet anderszins gebleken van substantieel gewijzigde omstandigheden na 1 april 2013 die zouden moeten leiden tot een berekening volgens het nieuwe systeem. Het hof zal de draagkracht van partijen dan ook vaststellen volgens de oude rekenwijze.

5.11

De vrouw heeft ter mondelinge behandeling ermee ingestemd dat vanaf 1 januari 2013 de behoefte van [het kind] wordt vastgesteld op basis van de nieuwe richtlijn. Overeenkomstig voormelde nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen beschouwt het hof bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2013 het kindgebonden budget als een bijdrage in de behoefte van de kinderen. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen dient daarom vanaf die datum te worden vermeerderd met het kindgebonden budget, voor zover partijen daarop ten tijde van hun huwelijk recht hadden. Vervolgens dient de behoefte van de kinderen aan de hand van de tabel te worden bepaald. Ten slotte dient het kindgebonden budget na het uiteengaan van partijen te worden berekend en te worden afgetrokken van de behoefte van de kinderen. Wat resteert is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen.

5.12

Naar volgt uit rechtsoverweging 5.5 bedroeg het netto besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan € 5.088,- per maand. Gelet daarop, gaat het hof ervan uit dat partijen op dat moment geen aanspraak konden maken op het kindgebonden budget. Aan de hand van de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2012 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen, stelt het hof de behoefte van [het kind] aan een bijdrage van de ouders, geïndexeerd naar 2013, afgerond vast op € 803,- per maand. Hierop dient het kindgebonden budget van € 84,- per maand dat de vrouw thans ontvangt in mindering te worden gebracht, zodat vanaf 1 januari 2013 een behoefte van € 719,- resteert.

draagkracht van de man

5.13

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te betalen (grief 10). Hij stelt dat de rechtbank bij verrassingsbeslissing en ten onrechte een correctie heeft aangebracht op de jaarrekening 2010 en 2011 en heeft geconcludeerd dat de man zichzelf dividend kon uitkeren. Het gaat niet om fiscale afschrijvingen, maar om feitelijke lasten. Gelet op de aard van de zaken waarop de afschrijvingen plaatsvinden (verbouwing, inventaris en auto), staan daartegenover ook daadwerkelijke kosten die noodzakelijk zijn voor een goede bedrijfsvoering.

Ten aanzien van zijn lasten stelt de man (grief 11) dat rekening dient te worden gehouden met eigen risico van zijn zorgverzekering.

De rechtbank heeft volgens de man een te laag bedrag berekend als kosten voor de omgang, gelet op de ruime zorgregeling. Volgens de man dient rekening te worden gehouden met een zorgkorting van 35% of met omgangskosten van € 10,- per dag en een draagkrachtpercentage van 52,5%.

De netto woonlast van de man is hoger dan het forfait van 30% zoals in de nieuwe richtlijnen. Daarom dient met de werkelijke netto woonlast te worden gerekend in ieder geval tot 1 juni 2013 (de datum waarop de man is gaan samenwonen). De man beroept zich op de onaanvaardbaarheidstoets en de redelijkheid en billijkheid.

5.14

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

5.15

Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw ingestemd met omgangskosten van € 10,- per dag, zodat het hof daarmee rekening zal houden. De man heeft per 28 dagen 12 dagen omgang met [het kind], zodat het hof rekening zal houden met omgangskosten van € 121,- per maand.

Het hof zal aan de zijde van de man geen rekening houden met het eigen risico van de zorgverzekering, nu de vrouw het standpunt van de man gemotiveerd heeft betwist en de man niet met stukken heeft onderbouwd dat hij zijn eigen risico heeft moeten aanwenden.

Het hof komt gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen over de toepasselijkheid van het oude recht niet toe aan bespreking van de woonlast van de man en evenmin aan de onaanvaardbaarheidstoets.

5.16

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.2 en 3.3 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

inkomen

5.17

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt het hof rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting en de door inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De man heeft recht op de algemene heffingskorting, en de arbeidskorting.

bijstandsnorm

5.18

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met artikel 1:400 lid 1 BW aanbevolen draagkrachtpercentage van 70. Er is geen sprake van co-ouderschap, zodat het hof geen redenen aanwezig acht om rekening te houden met een lager draagkrachtpercentage.

5.19

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man met ingang van 1 januari 2012, inclusief fiscaal voordeel, draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 889,- per maand.

5.20

De man stelt dat de vrouw ook dient bij te dragen in de behoefte van [het kind].

5.21

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uit van de hiervoor onder 3.4, 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.22

De man stelt ten aanzien van de draagkracht van de vrouw dat voor de bepaling van haar draagkracht niet alleen bepalend is haar feitelijk genoten inkomen, maar ook haar in redelijkheid te verwerven inkomen (grief 8). De onderneming van de vrouw zit volgens de man in een opstartfase en in 2013 dient te worden uitgegaan van een hogere verdiencapaciteit. De vrouw kan meer werken en kan geacht worden in 2013 ten minste een winst uit onderneming te realiseren van € 50.000,- bruto per jaar. De rechtbank had rekening moeten houden met de startersaftrek.

De man heeft voorts bezwaar tegen de lasten van de vrouw (grief 9). Hij stelt dat de kale huur van de vrouw € 600,- per maand bedraagt. Een deel van de woonlast van de vrouw is dubbel meegerekend. Het eigen risico in 2012 bedraagt € 220,-. Over 2012 heeft de vrouw geen premie arbeidsongeschiktheidsverzekering betaald.

5.23

De vrouw heeft het standpunt van de man gemotiveerd betwist. Zij voert onder andere aan dat zij een maximale inspanning binnen het redelijke levert. Zij betoogt verder dat zij, indien zij enige draagkracht heeft, in staat moet worden gesteld te reserveren voor haar pensioen.

5.24

Het hof is van oordeel dat de vrouw gemotiveerd heeft weersproken dat zij een winst kan realiseren van € 50.000,- per jaar. Hoewel de vrouw inmiddels meer cliënten heeft, daalt haar omzet, omdat de geboden behandeling door zorgverzekeraars in steeds meer beperkte mate wordt vergoed en omdat sinds kort over die behandeling 21% BTW dient te worden afgedragen. Hierdoor is de vrouw genoodzaakt geweest haar tarief te verlagen, om de behandeling voor haar cliënten betaalbaar te houden. De vrouw had in 2012 een omzet van ruim € 34.000,-. Ter mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat haar omzet in 2013 ongeveer € 30.000,- zal zijn. Uit de jaarstukken over 2012 is gebleken dat het bedrijfsresultaat over dat jaar € 22.589,-- bedroeg. Het hof zal van dat bedrag uitgaan bij de berekening van de draagkracht van de vrouw. Gebleken is dat de vrouw ongeveer vier dagen per week werkt. Het hof is van oordeel dat, gezien de inspanningen van de vrouw en de leeftijd van [het kind], van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij meer arbeid verricht.

Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voorts rekening houden met een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 100,- per maand, omdat iedere zelfstandig ondernemer een dergelijke verzekering nodig heeft om bij ziekte in eigen levensonderhoud te kunnen blijven voorzien. Het is dan ook in het belang van [het kind] dat de vrouw in staat is een dergelijke verzekering af te sluiten.

Ten aanzien van de lasten van de vrouw heeft het hof reeds hiervoor overwogen dat met een “dubbeltelling”, zoals door de man gesteld, geen rekening zal worden gehouden. Als eigen risico van de zorgverzekering voor 2012 zal het hof rekening houden met een bedrag van € 220,-.

5.25

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de vrouw met ingang van 1 januari 2012 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 323,- per maand.

5.26

Verdeling van de behoefte van [het kind] van € 790,- per maand in 2012 naar rato van ieders draagkracht betekent dat de man met ingang van 1 januari 2012 een bijdrage van € 579,- per maand dient te leveren.

5.27

De behoefte van [het kind] met ingang van 2013 heeft het hof hiervoor reeds bepaald op

€ 719,-. Verdeling van die behoefte naar rato van ieders draagkracht betekent dat de man met ingang van 1 januari 2013 een bijdrage van € 527,- per maand dient te leveren.

5.28

De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen een behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum, in het bijzonder indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de eerste rechter vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot hetzelfde gevolg. Dit brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met zijn/haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven en, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap moeten geven in de motivering (HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4757).

Het hof hanteert als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage de datum van deze beschikking, nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij de door de man betaalde bijdragen aan [het kind] heeft besteed en zij niet over vermogen beschikt om het teveel betaalde aan de man terug te betalen.

5.29

De man heeft verzocht de wettelijke indexering, zoals opgenomen in artikel 1:402a BW, uit te sluiten. Hij stelt dat zijn inkomen de afgelopen jaren niet is gestegen en dat dit ook niet in de lijn der verwachting ligt. Omdat hij ondernemer is wordt zijn inkomen niet geïndexeerd.

5.30

Het hof overweegt dat uit de overgelegde jaarstukken niet is gebleken dat de bedrijfsresultaten van de man achterblijven bij de in de komende periode te verwachten indexering. Voor het uitsluiten van de wettelijke indexering ziet het hof ook overigens geen aanleiding.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven ten dele, zodat de beschikking zal worden vernietigd.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage aan het uit die relatie geboren kind betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van partijen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van

26 maart 2013 voor zover deze zich uitstrekt over de periode vanaf heden;

bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] dient te voldoen € 527,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, C.J. Laurentius-Kooter en M.L. van der Bel en is op 20 februari 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.