Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1243

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
WAHV 200.124.278
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de verbalisant die de snelheidsovertreding constateerde de sanctie opgelegd of heeft het

CJIB die sanctie opgelegd? Het hof legt aan de hand van de relevante wetgeving uit dat het CJIB

de sanctie niet oplegt maar slechts de beschikking tot het opleggen van een administratieve

sanctie verzendt. De eis dat de naam van de verbalisant die de sanctie oplegt in de beschikking

moet worden vermeld, dan wel dat op enigerlei wijze uit de beschikking moet blijken dat de

beschikking door een dergelijke ambtenaar is opgelegd, vindt geen steun in het recht. In

voorkomende gevallen moet op grond van de in het dossier aanwezige stukken wel kunnen

worden vastgesteld dat de beschikking is opgelegd door een aangewezen ambtenaar als bedoeld

in artikel 3 van de WAHV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/154

Uitspraak

WAHV 200.124.278

19 februari 2014

CJIB 151378517

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch

van 13 februari 2013

betreffende

[naam betrokkene](hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [naam gemachtigde],

kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement s-Hertogenbosch genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

Op 13 juni 2013 is nog een schrijven van de gemachtigde van de betrokkene ingekomen.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1.

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 89,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 15 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 8 maart 2011 om 22.34 uur op de Dr. Verbeecklaan te Sint Anthonis met het voertuig met het kenteken

[kenteken].

2.

De gemachtigde voert namens de betrokkene in hoger beroep aan dat de kantonrechter zonder enige nadere onderbouwing stelt dat de administratieve sanctie direct bij constatering wordt opgelegd door de politieambtenaar. Dit blijkt niet uit de stukken. De constaterende ambtenaar heeft niet meer of minder gedaan dan het invoeren van de gegevens in het systeem en het verzenden van die gegevens aan het CJIB. Uit niets blijkt waar de beschikking is afgegeven door de verbalisant. Nu het CJIB geen zelfstandige bevoegdheid heeft tot het opleggen van beschikkingen, en niet is gebleken dat door de constaterende verbalisant een beschikking is opgelegd, kan er in het geheel geen sprake zijn van een bij beschikking opgelegde administratieve sanctie.

In dit verband voert de gemachtigde, in reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal, nog aan dat niet duidelijk is wie de gegevens in het systeem heeft ingevoerd en wie de gegevens aan het CJIB heeft doorgezonden.

Voorts is door de gemachtigde aangevoerd dat de kantonrechter weliswaar stelt dat door het insturen van de gegevens aan het CJIB de aangewezen ambtenaar een uitvoeringsmandaat verleent aan het CJIB om namens hem de schriftelijke beschikking te verzenden, maar van een dergelijk mandaat is niet gebleken. De gemachtigde meent dat hiervan een kopie moet worden overgelegd.

Tot slot klaagt de gemachtigde over de omstandigheid dat de advocaat-generaal in haar verweerschrift verwijst naar een stuk van het PaG d.d. 28 april 2011, zonder dit stuk bij te voegen.

3.

Artikel 2, eerste lid, van de WAHV houdt in:

''Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet (Stb. 1992, 96), worden op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties opgelegd. (…).''

4.

Artikel 3 van de WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - :

''1. Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.

2.

De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.

(…).''

5.

Artikel 4 van de WAHV houdt in - voor zover hier van belang - :

''1. De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd. Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen.

2.

Zo mogelijk wordt aanstonds een aankondiging van de beschikking uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt, of wordt deze achtergelaten in of aan het motorrijtuig. De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking (…).

(…)".

6.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit instelling centraal justitieel incassobureau is het Centraal Justitieel Incassobureau belast met de taken die hem bij algemene maatregel van bestuur zijn opgedragen.

Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht, zo bepaalt het tweede lid van dit artikel, de werkzaamheden die uit de taken, als bedoeld in het eerste lid, voortvloeien en die Onze Minister van Justitie of het openbaar ministerie van hem verlangen.

7.

Artikel 5 van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (hierna: Bahv) houdt in:

''1. Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft tot taak het openbaar ministerie te ondersteunen bij zijn taak met betrekking tot de inning van de administratieve sancties en de daarop gevallen verhogingen en kosten, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet.

2.

Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht werkzaamheden die Onze Minister of het openbaar ministerie van hem in verband met de uitoefening van hun taken verlangen.

3.

De bevoegde ambtenaren verstrekken het Centraal Justitieel Incassobureau de gegevens, die het behoeft in verband met de uitvoering van dit artikel."

8.

De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“Opsporingsinstantie: Politie Bra-N (het hof leest: Brabant-Noord Verkeershandhaving.

Uitv. (het hof leest: Uitvoerend) ambtenaar: 005553 (…).

De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte radarsnelheidsmeter.

Gemeten (afgelezen) snelheid : 68 km per uur.

Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 65 km per uur.

Toegestane snelheid : 50 km per uur.

Overschrijding met : 15 km per uur. (…).

Naam ambtenaar 1 : [naam]. (…).”

9.

Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gemachtigde namens de betrokkene de gedraging niet bestrijdt, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

10.

Uit het hiervoor beschreven systeem van de wet vloeit voort dat de met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, van de WAHV bedoelde voorschriften belaste, daartoe aangewezen ambtenaren, bevoegd zijn tot het bij beschikking opleggen van een administratieve sanctie. De ambtenaar die de sanctie oplegt dient het CJIB de nodige gegevens te verschaffen welke het CJIB behoeft in verband met de hem opgedragen taak. Het CJIB verzendt als uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie de beschikking tot het opleggen van een administratieve sanctie. Voor deze feitelijke handeling is - nu het daarbij niet gaat om een bevoegdheid om besluiten te nemen - mandaatverlening door de aangewezen ambtenaar niet vereist. Het CJIB heeft - en daarover verschillen partijen niet van mening - niet de bevoegdheid om zelfstandig bij beschikking administratieve sancties ter zake van een overtreding van verkeersvoorschriften op te leggen.

11.

Het hof stelt voorop dat, anders dan de gemachtigde aanvoert, de eis dat de naam van de aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 3 van de WAHV die de sanctie oplegt in de beschikking moet worden vermeld, dan wel dat op enigerlei wijze uit de beschikking moet blijken dat de beschikking door een dergelijke ambtenaar is opgelegd, geen steun vindt in het recht, meer in het bijzonder niet in artikel 4, eerste lid, van de WAHV. In zoverre treft de verwijzing van de gemachtigde naar het arrest van dit hof met het nummer WAHV 200.107.750 geen doel.

12.

Een en ander laat onverlet dat in voorkomende gevallen op grond van de in het dossier aanwezige stukken moet kunnen worden vastgesteld dat de beschikking is opgelegd door vorenbedoelde ambtenaar. In een geval als de onderhavige, waarbij de sanctie is opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven en derhalve niet aanstonds een aankondiging van beschikking kon worden uitgereikt, wordt door de betreffende opsporingsambtenaar de sanctie opgelegd door naar aanleiding van zijn constatering de relevante data in het systeem in te voeren en ter beschikking te stellen aan het CJIB dat op zijn beurt de oplegging van de sanctie neerlegt in een beschikking die aan de betrokkene wordt toegezonden. Dat, mogelijkerwijs, de opsporingsambtenaar daarbij gebruik maakt van administratieve ondersteuning van de opsporingsinstantie waar hij werkzaam is maakt dit niet anders.

13.

Het hof is van oordeel dat uit het onder 8 weergegeven zaakoverzicht genoegzaam blijkt dat verbalisant Bolmers de gedraging heeft vastgesteld en de sanctie heeft opgelegd door de gegevens met betrekking tot de gedraging aan te leveren aan het CJIB. De verwijzing van de gemachtigde naar het arrest van het hof van 6 februari 2013 (LJN: BZ0609, te raadplegen via www.rechtspraak.nl), waarin het hof heeft overwogen dat het CJIB ten onrechte een aan de officier van justitie toegekende bevoegdheid - te weten het uitvaardigen van dwangbevelen - uitoefende, nu een geldig mandateringsbesluit ontbrak, treft dan ook geen doel. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake, nu immers het CJIB niet namens de aangewezen ambtenaar de sanctie oplegt, maar slechts verantwoordelijk is voor het neerleggen van de sanctie in een beschikking en voor toezending van die beschikking aan de betrokkene.

14.

Met betrekking tot de klacht van de gemachtigde dat de advocaat-generaal verwijst naar een stuk van het PaG d.d. 28 april 2011 zonder dit stuk bij te voegen, overweegt het hof het volgende. Hoewel het zorgvuldiger was geweest als de advocaat-generaal dit stuk bij zijn verweerschrift zou hebben gevoegd, zal het hof daaraan geen gevolgen verbinden nu geen aanleiding wordt gezien om dit stuk in de beoordeling te betrekken. Gelet hierop zal het hof verder aan deze klacht van de gemachtigde voorbij gaan.

15.

Gelet op het voorgaande leiden de bezwaren van de gemachtigde niet tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

16.

Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.