Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1238

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
21-004393-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens overtreding artikel 2 lid 1 van de Leerplichtwet meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004393-13

Uitspraak d.d.: 19 februari 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingslocatie Utrecht van 28 maart 2013 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-514090-10 en 16-654872-12, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 februari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadslieden, mr. M.E. Rosing en mr. M. van der Linden, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

De tenlastelegging, in de zaak met parketnummer 16-514090-10 zoals deze op de zitting van 29 november 2012 is gewijzigd, luidt als volgt.


dat hij, in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 11 oktober 2011 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere(n) [jongere 1] en/of [jongere 2] en/of [jongere 3], geboren op respectievelijk [geboortedatum 2] en/of [geboortedatum 3] en/of[geboortedatum 4], althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n), als leerling(en) van een school, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, sub onderdeel 3 van de leerplichtwet 1969, waren/was ingeschreven;

Zaak met parketnummer 16-654872-12 (gevoegd):

dat hij, in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 12 november 2012 te Amersfoort, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij (telkens) het gezag uitoefende over de jongere(n) [jongere 2] en/of[jongere 3], geboren op respectievelijk [geboortedatum 3] en [geboortedatum 4], althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere(n) had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n), als leerling(en) van een school, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, sub onderdeel 3 van de Leerplichtwet 1969, waren/was ingeschreven;

Na een wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep luidt de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 16/514090-10 als volgt:

Zaak met :

primair, dat

A. hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 11 oktober 2011 te Amersfoort, als degene die het gezag uitoefende over of zich had belast met de feitelijke verzorging van een jongere, te weten [jongere 1], geboren op[geboortedatum 2], (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting te zorgen dat die jongere overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 stond ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs, een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken, dan wel een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 25a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs verzorgt, terwijl ten aanzien van die jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969 was geëindigd, en die jongere geen startkwalificatie had behaald.

Artikel 4a jo artikel 26 Leerplichtwet 1969

en/of

B. hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 11 oktober 2011 te Amersfoort, als degene die het gezag uitoefende over de jongere(n)[jongere 2], geboren op [geboortedatum 3], en/of[jongere 3], geboren op[geboortedatum 4], of degene die zich met de feitelijke verzorging van die jongere(n) had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat die jongere(n), als leerling van een school, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3 van de Leerplichtwet 1969, waren/was ingeschreven

Artikel 2 lid 1 jo artikel 26 Leerplichtwet 1969

Subsidiair, dat
hij, in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 11 oktober 2011 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, terwijl hij het gezag uitoefende over de jongere(n) [jongere 1] en/of [jongere 2] en/of [jongere 3], geboren op respectievelijk[geboortedatum 2] en/of [geboortedatum 3] en/of[geboortedatum 4], althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n), als leerling(en) van een school, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, sub onderdeel 3 van de leerplichtwet 1969, waren/was ingeschreven;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs in de zaak met parketnummer 16-514090-10

Het primair tenlastegelegde feit

Het hof heeft te oordelen op basis van de tenlastelegging zoals deze in hoger beroep is gewijzigd en waarvan de tekst hiervoor is vermeld.

De tekst van de wijziging zal zijn ingegeven door het feit dat de dochter van verdachte ([jongere 1] destijds kwalificatieplichtig was, zodat het primaire deel daarop is toegespitst.

De gewijzigde tekst van het primair tenlastegelegde (onder A.) ziet echter op een versie van artikel 4a van de Leerplichtwet die bij wet van 8 december 2011, Stb. 2011, 656 is gewijzigd en die pas op 1 augustus 2012 in werking is getreden. Deze bepaling was dus nog niet van kracht in de periode waarin het tenlastelegde feit zich had voorgedaan, te weten de periode tussen 1 februari 2010 tot en met 11 oktober 2011.

De tekst van art. 4a van de Leerplichtwet 1969 die in de tenlastgelegde periode gold, luidt als volgt.

“De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staan ingeschreven als leerling of deelnemer van een school of instelling die volledig dagonderwijs dan wel een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregelde bezoekt, als:

  1. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet is geëindigd, en

  2. de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.

Het hof heeft daarnaast van de leerplichtambtenaar ontvangen een rectificatie van 3 februari 2014 van het proces-verbaal. Als gevolg van deze rectificatie is de volgende wijziging aangebracht in het in de periode 1 februari 2010 tot en met 11 oktober 2010 opgemaakte proces-verbaal:

“Hierdoor zijn de leerlingen van [school] niet te beschouwen als ingeschreven op een school of instelling die volledig dagonderwijs, een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken, dan wel een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 25a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs verzorgt.”

Het hof merkt op dat deze rectificatie in een ambtsedig proces-verbaal geheel is toegespitst op een tekst van artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 die, zoals hiervoor besproken, in 2010 nog in het geheel niet in werking was getreden.

Het hof is van oordeel dat het op deze wijze rectificeren van een eerder opgemaakt proces-verbaal van de leerplicht-ambtenaar niet is toegestaan, nu er met terugwerkende kracht zaken worden toegevoegd die zich in 2010 niet kunnen hebben voorgedaan. Het hof zal dit gerectificeerde proces-verbaal dan ook uitsluiten van het bewijs voor zover het betreft de kwalificatieplicht van verdachtes oudste dochter

.

Nu ander bewijsmateriaal ontbreekt zal verdachte wegens gebrek aan bewijs worden vrijgesproken van het hem primair onder A tenlastegelegde feit.

Het subsidiair tenlastegelegde feit voor zover betrekking hebbend op [jongere 1]

Ook tot bewijs van dit feit kan voornoemd proces-verbaal van de leerplicht-ambtenaar niet dienen, zodat alleen al om die reden tot een vrijspraak wordt besloten.

Opgemerkt wordt dat, ook al zou het proces-verbaal wel worden gebruikt voor het bewijs, het hof om een andere reden niet tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen. Het subsidiair tenlastegelegde feit ziet namelijk op de tekst van artikel 2 van de Leerplichtwet, terwijl de dochter van verdachte in die periode gelet op haar leeftijd niet meer leerplichtig, maar kwalificatieplichtig was.

Daarom dient verdachte ook van het hem subsidiair tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken, alleen voor zover het feit betrekking heeft op zijn dochter[jongere 1].

Aangezien de rectificatie in het proces-verbaal van de leerplicht-ambtenaar alleen betrekking heeft op de kwalificatieplicht van verdachtes oudste dochter, en de rectificatie niet ziet op hetgeen is genoemd over de leerplicht van de beide jongere kinderen, zal het hof het proces-verbaal in zoverre wel voor het bewijs gebruiken.

Overweging met betrekking tot het bewijs in de beide zaken

Het door de raadslieden namens verdachte gevoerde verweer komt er in de kern en kort weergegeven op neer dat het hof in deze strafprocedure niet gebonden is aan het onherroepelijke oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 augustus 2012, zaaknummer 201111341/1/A2, waarbij het beroep van[school] in de bestuursrechtelijke procedure ongegrond is verklaard en waardoor in stand is gebleven het bindend advies van de Staatssecretarissen van OCW van 11 december 2009 dat[school] geen school is in de zin van de Leerplichtwet (Lpw). De Inspectie en de bestuursrechters zouden namelijk de situatie binnen[school] beoordeeld hebben op grond van de zwaardere eisen van de Toezichtkaders en niet louter op grond van de inrichtingscriteria van de Lpw. Dat is in strijd met het legaliteitsbeginsel en door het onvolledige of onzorgvuldige onderzoek is er ook sprake van een ongeoorloofde omkering van de bewijslast in de strafprocedure.

[school] voldeed volgens de verdediging wel aan de eisen die de Lpw aan een onderwijsinrichting als[school] stelt, in ieder geval in de tenlastegelegde periode. Ook al zou [school] aanvankelijk niet aan alle criteria hebben voldaan, dan is dat in de loop van de bestuursrechtelijke procedure voldoende hersteld door het overleggen van een uitgebreid schoolplan en het beschikken over een poule van bevoegde leraren.

Bovendien is door de raadslieden betoogd dat de gebruikte onderzoeksrapporten van de Inspectie zijn gebaseerd op een onderzoek bij [school] op 19 juni 2009. Dat is ruim voor de tenlastegelegde periode, terwijl daarna geen onderzoek door de Inspectie meer heeft plaatsgevonden.

Dat alles zou moeten leiden tot vrijspraak.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daarbij is in het bijzonder het volgende overwogen.

Vastgesteld kan worden dat de particuliere school [school], opgericht en in stand gehouden door betrokken en ideëel ingestelde ouders en leerkrachten, die het beste met de leerlingen van de school voorhebben, ook moet voldoen aan de eisen van de Lpw en het toezicht daarop van de Inspectie. Uit de processtukken komt echter naar voren dat de leiding van[school] aanvankelijk niet alle medewerking aan het onderzoek van de zijde van de Inspectie heeft willen geven en dat het zelfs in de bestuursrechtelijke procedure lang heeft geduurd voordat kennelijk alle relevant te achten stukken door [school] zijn overgelegd. Dat daardoor minder informatie aan het oordeel van de bestuursrechter ten grondslag kon worden gelegd, is voor risico van [school]zelf. Op zich doet dat niet af aan de behoorlijke bestuursrechtelijke rechtsgang in alle instanties met de bijbehorende bezwaar- en beroepsmogelijkheden, in welke procedure bij uitstek goed inhoudelijk naar alle facetten van het inrichten van een particuliere onderwijsinstelling en het geven van verantwoord onderwijs aan de toevertrouwde leerlingen kan worden gekeken, getoetst aan de eisen van de Lpw. Dat bij de toetsing aan het wettelijk kader in de praktijk gebruik wordt gemaakt van zogenaamde Toetsingskaders, maakt deze toetsing nog niet onjuist zoals door de verdediging is betoogd. Door verdachte is niet aangetoond en aan het hof is ook niet gebleken dat deze voor de toetsing praktische richtlijnen afwijken van de wettelijke grondslag in de Lpw en zeker niet zodanig ruimere of zwaardere eisen aan de onderwijsinstelling stelt dat daarmee in strijd zou worden gehandeld met het legaliteitsbeginsel. Ook is het hof niet gebleken dat er in het kader van de uitgevoerde toetsing of onderzoeken sprake is geweest van onzorgvuldigheden, te wijten aan de betrokken (onderzoeks)instanties. Voor zover er na het onderzoek in 2009 of tijdens het verloop van de bestuursrechtelijke procedure sprake is geweest van een verandering binnen de onderwijsinstelling [school], die tot een ander oordeel had kunnen leiden dan het gewraakte oordeel, had het op de weg van [school] en de betrokken leidinggevenden, leerkrachten en ouders gelegen om daarvan melding te doen aan de Inspectie en/of de leerplichtambtenaar en een nieuw oordeel te vragen over het voldoen aan alle wettelijke eisen. Dat is klaarblijkelijk niet gebeurd. In tegendeel, men heeft kennelijk willens en wetens het risico gelopen dat het bindend advies van de Staatssecretarissen in stand zou blijven en dat vanaf dat moment[school] blijvend niet zou voldoen aan de wettelijke eisen en dus geen school was in de zin van de Lpw. Er is niet gebleken van zodanige feiten en omstandigheden dat in deze strafprocedure zou moeten worden afgeweken van het onherroepelijk oordeel van de bestuursrechter van 15 augustus 2012.

In deze zaak -en de gelijktijdig in hoger beroep behandelde zaken- is het hof gebleken dat alle betrokken ouders volledig op de hoogte zijn geweest van het geschil van[school] met de Inspectie en van de beslissing dat [school] geen school is in de zin van de Lpw, met de daarop gevolgde en onherroepelijk afgedane bestuursrechtelijke procedure. Deze ouders zijn er ook allen individueel op gewezen dat door het plaatsen van hun kinderen op [school] niet voldaan werd aan de leerplicht.

Aangezien zij hun kinderen ook niet op een andere school dan [school] hebben ingeschreven, is sprake van een overtreding van de Leerplichtwet en kan het tenlastegelegde feit worden bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-514090-10 en in de zaak met parketnummer 16-654872-12 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 16-514090-10:

primair, onder B. dat

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 11 oktober 2011 te Amersfoort, als degene die het gezag uitoefende over de jongere(n) [jongere 2], geboren op [geboortedatum 3], en/of[jongere 3], geboren op [geboortedatum 4] of degene die zich met de feitelijke verzorging van die jongere(n) had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat die jongere(n), als leerling van een school, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3 van de Leerplichtwet 1969, waren/was ingeschreven

Zaak met parketnummer 16-654872-12 (gevoegd):
dat hij, in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 12 november 2012 te Amersfoort, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij (telkens) het gezag uitoefende over de jongere(n) [jongere 2] en/of [jongere 3], geboren op respectievelijk [geboortedatum 3] en [geboortedatum 4], althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere(n) had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n), als leerling(en) van een school, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, sub onderdeel 3 van de Leerplichtwet 1969, waren/was ingeschreven

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het in de zaak met parketnummer 16-514090-10 primair onder B. bewezen verklaarde levert op:

als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen, meermalen gepleegd.

het in de zaak met parketnummer 16-654872-12 bewezen verklaarde levert op:

als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Namens verdachte is aangevoerd dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, omdat de ouders nooit hebben kunnen voorzien dat [school] mogelijk niet als school in de zin van de Leerplichtwet zou worden aangemerkt.

Gelet op hetgeen hiervoor reeds is vermeld waren de ouders volgens het proces-verbaal van de leerplichtambtenaar op de hoogte van de discussie die over [school] werd gevoerd en zijn zij gewaarschuwd voor de gevolgen die het laten ingeschreven staan van hun kind op [school] zou kunnen hebben. Dat zij ondanks deze onzekerheid over de formele status van [school] hun kind bij deze school ingeschreven hebben (gelaten), is naar het oordeel van het hof in zoverre een bewuste keuze. Tot afwezigheid van alle schuld leidt deze handelwijze dan ook niet. Reeds om deze reden wordt het beroep op afwezigheid van alle schuld verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voortdurend delict

De verdediging heeft betoogd dat er in geval van een bewezenverklaring sprake is geweest van een voortdurend delict, het ononderbroken laten voortbestaan van één en dezelfde verboden toestand en niet van afzonderlijke feiten. Ten onrechte zou daarom toepassing zijn gegeven aan art. 62 Sr. Er had slechts één geldboete opgelegd kunnen worden. Dat verweer is ook gevoerd in de zaak tegen verdachte met betrekking tot dezelfde kinderen voor de periode van 1 tot en met 30 mei 2013, welke zaak (parketnummer 21-006429-13) gelijktijdig maar niet gevoegd door het hof is behandeld en waarin heden eveneens arrest wordt gewezen.

Het hof is van oordeel dat klaarblijkelijk niet willekeurig door de leerplichtambtenaar en de officier van justitie is gekozen om voor drie periodes afzonderlijk proces-verbaal op te maken tegen verdachte, respectievelijk om hem daarvoor apart te vervolgen. In deze zaak gaat het immers om verschillende schooljaren en in de andere zaak tegen verdachte gaat het om een periode na de veroordeling door de kantonrechter op 28 maart 2013. De verdachte heeft er kennelijk bij het begin van het nieuwe schooljaar en na het eerste proces-verbaal kennelijk bewust voor gekozen om zijn kind opnieuw in te schrijven bij [school] of daar ingeschreven te laten staan. De bewezenverklaarde feiten staan niet in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één feit of als één voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr. Indien de bewezenverklaarde handelingen als één voortdurend delict zou moeten worden gezien, zou de verdachte gedurende de gehele leerplichtige periode van zijn kinderen maar één keer vervolgd en bestraft kunnen worden en zou geen redelijke wetshandhaving in dit verband meer mogelijk zijn. Het hof kwalificeert om die redenen de bewezenverklaarde overtredingen als meerdere feiten en zal ook daarvoor afzonderlijke straffen opleggen.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder rekening gehouden met het feit dat verdachte in het verleden niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Bovendien staat wel vast dat verdachte het beste voorhad met zijn zoon en dochter. Het hof acht daarom, anders dan de kantonrechter en de advocaat-generaal, een geheel voorwaardelijke geldboete passend en geboden. Gelet op het feit dat de twee bewezenverklaarde feiten door de kantonrechter op een en dezelfde terechtzitting zijn behandeld, zal voor beide feiten een voorwaardelijke geldboete worden opgelegd. Nu het gaat om twee kinderen, zullen de geldboetes telkens ook voor twee kinderen worden bepaald. De namens verdachte bepleite schuldigverklaring zonder oplegging van straf acht het hof niet passend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 16/514090-10 primair onder A tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-514090-10, primair onder B. en in de zaak met parketnummer 16-654872-12 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-514090-10 primair onder B. en in de zaak met parketnummer 16-654872-12 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16-514090-10 bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot tweemaal een geldboete van € 250 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboetes niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van het onder 16-654872-12 bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot tweemaal een geldboete van € 250 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboetes niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr M.H.M. Boekhorst Carrillo, voorzitter,

mr M. Barels en mr E.G. Smedema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr W.C.S. Huijbers, griffier,

en op 19 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.