Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1214

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
200.119.448-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1743, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenzijdige aanpassing bijdrage ziektekosten voor gepensioneerede (ex-)werknemers, zonder dat sprake is van een geldig overeengekomen wijzigingsbeding. Maatstaf Mamoet/Sloof (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0174
JAR 2015/191
PJ 2014/52

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.119.448/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 330745\ CV EXPL 10-8009)

arrest van de tweede kamer van 18 februari 2014

in de zaak van

Aegon Nederland N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Aegon,

advocaat: mr. L.V. van der Gun, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. A.W. van Leeuwen, kantoorhoudend te Rotterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 11 januari 2011, van 24 januari 2012 en van 17 juli 2012, welk laatste vonnis is hersteld bij vonnis van. 7 augustus 2012 van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 oktober 2012, ook gericht tegen [X], in eerste aanleg een van de eisende partijen;

- een exploit d.d. 27 oktober 2012, waarbij de zaak bij vervroeging is aangebracht op de rol van 8 januari 2013;

- een akte van de zijde van [geïntimeerden] waarbij namens partij [X] schorsing wordt gevraagd, in verband met het overlijden van geïntimeerde sub 3, met betrekking tot deze geïntimeerde;

- een akte tot referte zijdens Aegon;

- de memorie van grieven (met producties), in de procedure tegen [geïntimeerden];

- de memorie van antwoord,/ tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties);

- de memorie van antwoord van de zijde van [geïntimeerden]

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van Aegon luidt:

“voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

  • -

    A) te vernietigen de tussen partijen gewezen vonnissen van de Rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden van 24 januari 2012, 17 juli 2012 en 7 augustus 2012, alle met zaak/-rolnummer: 330745 \ CV EXPL 10-8009;

  • -

    B) opnieuw rechtdoende, geïntimeerden alsnog in hun vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans hen deze te ontzeggen;

  • -

    C) geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen om aan appellante de kosten van de procedure in beide instanties, inclusief de nakosten, te voldoen binnen zeven (7) dagen na dagtekening van het arrest, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.”

3 Met betrekking tot de grieven 1 en 2 en de feiten voor het overige:

3.1

Grief 1 richt zich tegen het onder 2.1 van het vonnis van 24 januari 2012 als vaststaand aangenomen bijdrage percentage van 55 %. Naar de mening van Aegon ontvingen [geïntimeerden] voor hun uitdiensttreding een tegemoetkoming die gold voor actieve werknemers (circa 55 % van de totaal verschuldigde premie op basis van verpleegklasse 2b, tenzij er volgens cao afspraken een hoger percentage geldt). Nu [geïntimeerden] zich ter zake refereren, zal het hof deze vaststelling dienovereenkomstig corrigeren. Hetzelfde geldt voor de door grief 2 bestreden datum onder 2.4 van de vaststaande feiten als vermeld in het vonnis van 24 januari 2012. Volgens Aegon is bedoeld akkoord gesloten op 15 december 2012 en niet in maart 2012. [geïntimeerden] refereren zich immers ook met betrekking tot dit punt aan het oordeel van het hof. [geïntimeerden] hebben overigens terecht opgemerkt dat deze correcties op zichzelf niet tot vernietiging van de beslissing kunnen leiden.

3.2

Tegen de weergave van de feiten onder overweging 2 (2.1 tot en met 2.10) van het vonnis van 24 januari 2012 zijn overigens geen grieven ontwikkeld, zodat het hof, nu daartegen ook anderszins van bezwaren niet is gebleken, van die feiten uit zal gaan, zulks met inachtneming van hetgeen het hof ten aanzien van de grieven 1 en 2 heeft overwogen. Samen met hetgeen het hof in hoger beroep als gesteld en niet (voldoende) betwist, als vaststaand aanneemt, komt het op het volgende neer:

3.3.

[geïntimeerden] zijn oud-werknemers van Aegon.

[X] is op 1 april 2005 met vervroegd pensioen gegaan, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op 1 oktober 2005 en [geïntimeerde 3] op 1 november 2005. Tot hun uitdiensttreding ontvingen eisers van Aegon een bijdrage van circa 55 % van de totaal verschuldigde premie op basis van verpleegklasse 2b, tenzij er volgens cao afspraken een hoger percentage gold.

3.4.

[X] heeft in januari 2005 en [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] hebben in juni 2005 een brief ontvangen over hun vroegpensioen, welke ze voor akkoord hebben getekend. In deze brief staat vermeld dat men in een aparte brief uitvoerig op de hoogte wordt gesteld van de (financiële) consequenties inzake de pensionering.

3.5.

Daarna hebben [X] (op 15 maart 2005), [geïntimeerde 1] (op 7 september 2005), [geïntimeerde 2] (op 7 september 2005) en [geïntimeerde 3] (op 7 oktober 2005) een brief ontvangen waarin staat vermeld:

"De regelingen en voorzieningen worden u door Aegon op de pensioendatum toegekend, maar zwaarwichtige redenen kunnen aanleiding zijn een regeling en/of voorziening te wijzigen of te beëindigen. Onder een zwaarwichtige reden wordt in ieder geval begrepen: het wijzigen of beëindigen van een dienovereenkomstige voorziening of regeling geldend voor medewerkers in actieve dienst."

Deze brief zal hierna worden aangeduid als de beëindigingsbrief en dit beding zal hierna worden aangeduid als het wijzigingsbeding.

3.6.

In verband met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 heeft Aegon de bijdrageregeling voor actieve medewerkers gewijzigd. Hierover heeft Aegon met de Centrale Ondernemingsraad (COR) op 15 december 2012 een akkoord gesloten. Dit akkoord heeft betrekking op de medewerkers die op 31 december 2005 in dienst waren van Aegon en op (toekomstig) gepensioneerden vanaf 1 januari 2006. De actieve werknemers ontvangen vanaf 2006 een geïndexeerde structurele bijdrage (na aanpassing van het bedrag van € 300,-) van € 420,- per jaar (hierna te noemen de structurele bijdrage). Daarnaast wordt de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 Zvw door Aegon vergoed.

3.7.

In haar brief van 22 december 2005 heeft Aegon aangekondigd dat in verband met de wijziging van de Zvw voor degenen voor wie het pensioen/de vut is ingegaan voor 31 december 2005, de vanaf 1 januari 2006 te vergoeden bijdrage zal bestaan uit de structurele bijdrage. Daarnaast is er een tijdelijke gewenningsbijdrage (gedurende een aantal jaren een tot 0% afbouwend percentage van de "december-2005-bijdrage").

3.8.

Op grond van de Statuten van Aegon-Gepensioneerden wordt iedere gewezen werknemer van Aegon vanaf de dag volgend op de dag dat het dienstverband wegens pensionering eindigt, lid van de Vereniging van Aegon Gepensioneerd (de VAG). Aegon heeft met de VAG overleg gevoerd over voormeld voorstel van 22 december 2005, maar geen overeenstemming bereikt.

Bij brief van 7 juni 2006 heeft Aegon de gepensioneerden een verbeterd aanbod gedaan bestaande uit verlenging van de duur van de gewenningsbijdrage met één jaar, in die zin dat één jaar langer de volledige vergoeding werd betaald. Aegon heeft hierbij een antwoordformulier gevoegd, welk formulier vòòr 15 juli 2006 geretourneerd moest worden, met de mededeling dat indien geen reactie werd ontvangen, Aegon er vanuit ging dat men de voorkeur gaf aan het handhaven van de bestaande situatie.

3.9.

Een aantal gepensioneerden, waaronder [gepensioneerde], en VAG hebben een procedure aangespannen tegen Aegon. De kantonrechter te Den Haag heeft op 1 mei 2007 vonnis gewezen, waarbij de vorderingen van [gepensioneerde] en de VAG zijn afgewezen. Jegens de beide andere eisers in die procedure is de vordering deels toegewezen.

De eisers in die procedure hebben tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

3.10.

Vervolgens hebben Aegon en de VAG een vaststellingsovereenkomst gesloten. Artikel 1 van de tussen Aegon en de VAG gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna te noemen de vaststellingsovereenkomst) luidt:

"AEGON betaalt de Post-actieven die voor 1 januari 2006 uit actieve dienst zijn getreden maandelijks de bruto nominale bijdrage in de ziektekostenpremie die zij in december 2005 ontvingen (verder: de Nominale Bijdrage), tenzij in de Beëindigingsbrief van de Postactieve het Wijzigingsbeding is opgenomen. De Nominale Bijdrage zal vanaf 1 januari 2006 met een vast percentage van 2% per jaar geïndexeerd worden, met dien verstande dat sprake is van rente op rente. Indien de Nominale Bijdrage (geïndexeerd met 2% per jaar vanaf 1 januari 2006) voor een Post-actieve lager is dan de Stucturele Bijdrage, kan de Post-actieve eenmalig kiezen voor voortzetting van de Structurele Bijdrage. De Post-Actieve brengt Aegon voor 1 mei 2008 schriftelijk op de hoogte van zijn of haar keuze. Indien de in de vorige zin bedoelde schriftelijke kennisgeving uitblijft, dan zal AEGON aan deze Post-actieve de Structurele Bijdrage uitkeren als deze voor de desbetreffende Post-actieve in 2008 hoger is dan de Nominale Bijdrage (geïndexeerd met 2% per jaar vanaf 1 januari 2006). Hierbij is niet van belang of de Post-actieve al dan niet bij AEGON Ziektekosten /ONVZ verzekerd is.".

Artikel 2 bepaalt:

"Artikel 1 van deze overeenkomst is niet van toepassing op de Post-actieve in wiens/wier Beëindigingsbrief het Wijzigingsbeding is opgenomen. De in deze overeenkomst neergelegde regeling heeft geen invloed op de juridische positie van de Post-actieven behorende tot deze categorie ten opzichte van AEGON. De Vereniging zal zich niet als belangenbehartiger, vertegenwoordiger of als adviseur van deze groep opstellen noch zal de Vereniging enige verdere activiteiten verrichten ten aanzien van deze groep, waaronder het in contact brengen van Johan [gepensioneerde] met andere Post-actieven in een vergelijkbare rechtspositie. Voorts zal de Vereniging zich onthouden van het openbaar maken van enig oordeel over de positie van deze groep.".

3.11.

Ook tussen Aegon en [gepensioneerde] is een schikking getroffen omdat [gepensioneerde] bij brief van 12 juni 2005 behoud van de oude bijdrageregeling expliciet als voorwaarde voor aanvaarding van het pensioenaanbod had gesteld.

3.12.

De hoger beroep procedure is vervolgens geroyeerd.

4 Met betrekking tot de overige grieven:

4.1

Grief 3 richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter (in het vonnis van 24 januari 2012) “dat Aegon geen beroep toekomt op het wijzigingsbeding.”

4.2

Grief 4 is gericht tegen overweging 5.7 van het vonnis van 24 januari 2012, inhoudend dat de onbillijkheid van de door Aegon aangeboden regeling zit in het onderscheid dat zou worden gemaakt tussen het al dan niet hebben ontvangen van een brief met daarin het wijzigingsbeding.

4.3

Grief 5 richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter omtrent de ingangsdatum van de wettelijke rente.

4.4

Blijkens de toelichting op grief 3 berust deze op een onjuiste lezing van de aangevochten overweging. De kantonrechter heeft niet overwogen dat Aegon alleen een beroep zou toekomen op het wijzigingsbeding indien het een beding is ex artikel 7: 613 BW. De kantonrechter heeft immers onder ogen gezien dat van een arbeidsovereenkomst tussen partijen geen sprake meer was toen de brief met het wijzigingsbeding hen bereikte. De kantonrechter heeft terecht overwogen dat [geïntimeerden] het hun gedane aanbod met betrekking tot prepensioen hebben aanvaard, doch dat het feit dat in dat aanbod stond dat zij bij een aparte brief van de (financiële) gevolgen met betrekking tot de pensionering op de hoogte gesteld zouden worden niet betekent dat eiser door ondertekening van die eerste brief, zich tevens akkoord hebben verklaard met het wijzigingsbeding in de tweede brief. Het gaat derhalve – aldus nog steeds de kantonrechter – om een eenzijdige wijziging van de voorwaarden, zodat moet worden getoetst of Aegon daartoe aanleiding heeft kunnen vinden, of haar voorstel redelijk is en of aanvaarding van dat voorstel – in het licht van de omstandigheden van het geval – in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden. De kantonrechter heeft aldus, naar het oordeel van het hof terecht (immers niet is gesteld of gebleken dat de werkgever anderzijds een eenzijdige wijzigingsbevoegdheid had), het door de Hoge Raad in zijn arrest Mammoet/Stoof (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847) geformuleerde toetsingskader gehanteerd. Daartegen keert de grief zich overigens ook niet.

Daarbij merkt het hof nog op dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet meebrengt dat deze, bij pensioenaanspraken, is uitgewerkt (HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0566).

4.5

De nieuwe stelling van Aegon, erop neerkomend dat [geïntimeerden] door niet (afwijzend) op de tweede brief te reageren zich (stilzwijgend) hebben gebonden aan het wijzigingsbeding, wordt door het hof gepasseerd. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – kan het enkele stilzwijgen van [geïntimeerden] in de gegeven omstandigheden niet meebrengen dat Aegon er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [geïntimeerden] instemden met het wijzigingsbeding.

4.6

Grief 3 mist derhalve feitelijke grondslag en treft geen doel.

4.7

Zoals hiervoor onder 4.4. overwogen, heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof het juiste toetsingskader gehanteerd. Bij de beantwoording van de voorliggende vragen heeft de kantonrechter overwogen en beslist dat de door Aegon aan [geïntimeerden] aangeboden regeling op zichzelf redelijk is, maar dat de onbillijkheid van dat aanbod zit in het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de verschillende groepen postactieven. Nu Aegon naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende zwaarwegende omstandigheden heeft aangevoerd voor het onderscheid tussen de door de VAG vertegenwoordigde groep (zie hiervoor onder de vaststaande feiten) en [geïntimeerden], kon van de laatsten in redelijkheid niet worden gevergd dat zij met het door Aegon gedane aanbod instemden.

4.8

Het hof onderschrijft dit oordeel van de kantonrechter en maakt het tot de zijne. Daarbij tekent het hof aan dat Aegon ook in de toelichting op de grief omtrent zwaarwegende omstandigheden als door de kantonrechter bedoeld, niets heeft gesteld of doen blijken. Dat de beide groepen zo verschillend zouden zijn dat het maken van het door Aegon gewenste onderscheid gerechtvaardigd zou zijn, is evenmin gesteld of gebleken.

4.9

Grief 4 is vruchteloos voorgesteld.

4.10

Grief 5 treft evenmin doel. Zoals de kantonrechter aan het slot van rechtsoverweging 6.2 van het vonnis van 17 juli 2012 terecht heeft overwogen, ontstaat de betalingsverplichting van Aegon niet door de rechterlijke uitspraak, maar wordt zij bij rechterlijke uitspraak vastgesteld.

5 Slotsom

De vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd. Aegon zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] (salaris advocaat: 1 punt tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt Aegon in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op € 299,-- aan verschotten en € 894,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart deze uitspraak voor wat de kostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. J.H. Kuiper en M.E.L. Fikkers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 18 februari 2014.