Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1209

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
200.136.374
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Bevoegdheid Nederlandse rechter. Gewone verblijfplaats

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.136.374

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 348745)

beschikking van de familiekamer van 18 februari 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.J. Coxon te Utrecht,

en

Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.


Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen: de stichting.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 1 augustus 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de moeder, ingekomen op 21 oktober 2013;

- het aanvullend beroepschrift van de moeder, ingekomen op 21 oktober 2013;

- een brief van de stichting van 21 november 2013, ingekomen op 22 november 2013.

2.2

De na te noemen minderjarigen [kind 1] en [kind 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 14 januari 2014 plaatsgevonden. Namens de moeder is haar advocaat verschenen. Namens de raad is E.C.M. van der Veldt verschenen en namens de stichting zijn verschenen R. van Schaik (gezinsvoogd) en K. Ouaftouh.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de moeder zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1997 (verder te noemen: [kind 1]);

- [kind 2], op [geboortedatum] 2000 (verder te noemen: [kind 2]); en

- [kind 3], op [geboortedatum] 2004 (verder te noemen: [kind 3]).

De moeder is alleen belast met het gezag over [kind 1], [kind 2] en [kind 3].

3.2

Op 12 juli 2013 heeft de raad een rapport uitgebracht naar aanleiding van een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel ten aanzien van de drie hiervoor genoemde kinderen.

3.3

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter [kind 1], [kind 2] en [kind 3] onder toezicht gesteld van de stichting met ingang van 1 augustus 2013 tot 1 augustus 2014.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is van de bestreden beschikking in hoger beroep gekomen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de oorspronkelijke vordering van de raad niet ontvankelijk te verklaren, althans deze alsnog af te wijzen, met veroordeling van de raad in de kosten van beide instanties.

4.2

De raad voert verweer ter zitting.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder kan zich met de ondertoezichtstelling van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] niet verenigen. Zij voert als grief aan dat aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, nu de kinderen reeds voor de indiening van het inleidend verzoek van de raad op 16 juli 2013 niet meer in Nederland woonden. In haar tweede grief stelt zij dat niet aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan en in haar derde grief stelt zij dat de ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde heeft, omdat deze in verband met de woonplaats van de kinderen in België niet kan worden uitgevoerd.

5.2

Vooreerst is in geschil of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is van het inleidend verzoek van de raad van 16 juli 2013 kennis te nemen.

5.3

Ingevolge artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Verordening Brussel II-bis) ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid (onder welk begrip de in deze procedure aan de orde zijnde maatregel van ondertoezichtstelling begrepen kan worden, zie artikel 1 lid 2), zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, dat wil zeggen op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid bij het gerecht wordt ingediend (artikel 8 lid 1 jo artikel 16 lid 1, aanhef en sub a, Verordening Brussel II-bis).

5.4

Het begrip “gewone verblijfplaats” in artikel 8 lid 1 Brussel II-bis moet volgens het Hof van Justitie van de EU aldus worden uitgelegd dat het de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet worden bepaald aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. De bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere lidstaat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door bepaalde tastbare maatregelen zoals de koop of de huur van een woning of de aanvraag voor een sociale woning in de lidstaat van ontvangst, kan een aanwijzing zijn voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats. Voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar de lidstaat van ontvangst geldt vooral de wens van betrokkene om daar het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen. De duur van het verblijf kan bij de beoordeling van de bestendigheid van de verblijfplaats dus slechts een aanwijzing vormen. Bovendien kan de leeftijd van het kind van bijzonder belang zijn. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving. Voor deze omgeving is of zijn bepalend de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen. (Zie ECLI:NL:XX:2009:BI0835 Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 2 april 2009, zaak C-523/07 en ECLI:NL:XX:2010:BP0411 Hof van Justitie van de Europese Unie, 22 december 2010, zaak C497/10PPU)

5.5

Ter beantwoording ligt voor de vraag waar [kind 1], [kind 2] en [kind 3], tegen de achtergrond van voormelde criteria, op het tijdstip van indiening van het inleidend verzoek, 16 juli 2013, hun gewone verblijfplaats hadden. In dit kader acht het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang.

5.6

De kinderen zijn geboren en getogen in Nederland. Sinds hun verhuizing uit Amsterdam in 2006 hebben zij in [woonplaats] gewoond. De kinderen, althans [kind 1] en [kind 2], hebben (ook) de Nederlandse nationaliteit, zij spreken de Nederlandse taal en zij zijn in Nederland naar school geweest. Van het gezin maakte ook de meerderjarige zoon van de moeder [kind 4] deel uit. Zijn vrouw en dochter, beiden onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg, verbleven eveneens regelmatig in het gezin van de moeder. Vast staat dat [kind 4] en zijn gezin nog steeds in Nederland wonen. Deze omstandigheid is, zo is tijdens de mondelinge behandeling namens de moeder verklaard, een belangrijke reden voor het indienen van het hoger beroep, nu het gezin de familie in Nederland wenst te kunnen blijven bezoeken. In 2011 is de vader van de kinderen Nederland uitgezet. Zijn woon- en verblijfplaats is onbekend.

In het voorjaar van 2013 zijn zorgmeldingen over de kinderen gedaan, onder meer vanwege regelmatig schoolverzuim. Ondanks verzoek van de raad daartoe aan de moeder, heeft over de meldingen geen gesprek met de moeder plaatsgevonden. Sinds 17 mei 2013 zijn de kinderen niet meer op school verschenen, met uitzondering van [kind 1]. De zorgmeldingen zijn voor de raad aanleiding geweest om een onderzoek uit de voeren naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel voor [kind 1], [kind 2] en [kind 3]. Op 11 juni 2013 is dit onderzoek gestart. Op 1 juli 2013 heeft [kind 1] zijn kluisje geleegd en zijn boeken ingeleverd bij zijn school, het [NAAM SCHOOL]. Hij vertelde dat hij ging verhuizen naar België. Op dezelfde dag ontving de raad van de gemeente Nieuwegein bericht dat de moeder [kind 1], [kind 2] en [kind 3] per 1 juli 2013 had uitgeschreven uit de gemeente Nieuwegein en dat ze naar [plaats] in Servië zouden vertrekken. De moeder bleef op het adres [straat] in [woonplaats] ingeschreven staan. De raad heeft het verzoek om ondertoezichtstelling van de kinderen op 16 juli 2013 ingediend. Bij brief van 24 juli 2013 bericht de advocaat van de moeder aan de raad dat de moeder en haar kinderen niet meer woonachtig zijn in [woonplaats] of elders in Nederland. De brief vermeldt niet per wanneer de moeder en haar kinderen niet meer woonachtig zijn in Nederland en evenmin in welk land de nieuwe woonstede van het gezin zou zijn gelegen. In het beroepschrift en ter zitting is verklaard dat de nieuwe verblijfplaats van de kinderen in België is gelegen. Door of namens de moeder is geen verklaring gegeven over het verschil in de opgave aan de gemeentelijke basisadministratie te [woonplaats] over het vertrek naar Servië en de uitlatingen dat de kinderen in België hun nieuwe verblijfplaats hebben. Hoewel namens de moeder tijdens de mondelinge behandeling van 14 januari 2014 is verklaard dat zij zelf op 1 juli 2013 eveneens is verhuisd naar België, stond zij op 8 januari 2014 nog steeds ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Nieuwegein op het adres [straat]. De moeder reageerde niet op aan haar gerichte brieven, waaronder de naar het zojuist gemelde adres gezonden brief van de stichting van 3 oktober 2013. Desondanks heeft deze brief de moeder kennelijk wel bereikt, nu zij deze daarna, op of omstreeks 29 oktober 2013, aan haar advocaat heeft doen toekomen, die deze als productie in het geding heeft gebracht. Door de gezinsvoogd is verder geconstateerd dat de woning van het gezin in [woonplaats] pas in het najaar van 2013 is ontruimd, omstreeks eind oktober of begin november 2013. Niet bekend is of de huurovereenkomst ten aanzien van die woning is opgezegd, en zo ja, door wie (de verhuurder of de moeder). Niet duidelijk is waar de kinderen ten tijde van de mondelinge behandeling precies verblijven, of de kinderen elders zijn ingeschreven, of zij bij een school zijn aangemeld, waar zij en de moeder zijn verzekerd voor ziektekosten en op welke wijze de moeder, die leeft/leefde van een bijstandsuitkering, in het levensonderhoud van de kinderen en zichzelf voorziet.

5.7

Uit voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af dat de kinderen zijn geworteld in de Nederlandse maatschappij. Zij hebben er hun sociale contacten en familiebanden. Aannemelijk is geworden dat de gewone verblijfplaats van zowel de kinderen als de moeder ten tijde van de indiening van het verzoek van de raad in Nederland was. Hoewel een inschrijving in een gemeentelijke basisadministratie een rol kan spelen bij het bepalen van de gewone verblijfplaats, hecht het hof daar in dit geval minder waarde aan, omdat de moeder niet consequent is gebleken met de in- en uitschrijving van zichzelf. Zij heeft gesteld niet meer in Nederland te wonen, terwijl zij tegelijkertijd, ook na de ontruiming van de woning en kort voor de mondelinge behandeling in 2014, nog ingeschreven was op hetzelfde adres.

5.8

Zo de kinderen (en de moeder) - inmiddels - zijn verhuisd, dan is onvoldoende komen vast te staan dat deze verhuizing medio juli 2013 al zijn beslag had gekregen, nu kennelijk onduidelijk was waarnaartoe de kinderen (en de moeder) zouden verhuizen. De moeder heeft zowel Servië als België genoemd. Informatie waaruit van een ondubbelzinnige keuze blijkt voor een nieuwe woonplaats is niet beschikbaar. De vraag waarom de (eventuele) verhuizing van de kinderen en de moeder naar het buitenland heeft plaatsgevonden, heeft de moeder niet beantwoord. Zij heeft de raad evenmin informatie gegeven over de verblijfplaats van de kinderen, inschrijving in een met de gemeentelijke basisadministratie vergelijkbare registratie en aanmelding op een school na de gestelde verhuizing. Zelfs al zouden de kinderen op 16 juli 2013 feitelijk in België hebben verbleven, dan acht het hof niet aannemelijk geworden dat zij daar toen ook hun gewone verblijfplaats hadden als bedoeld in de Verordening. Uit voormelde feiten en omstandigheden kan, zo het gezin al in België verblijft, naar het oordeel van het hof ook niet worden afgeleid dat het gezin medio juli 2013 voornemens was aldaar het permanente of gewone centrum van hun belangen te vestigen met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen.

Het hof oordeelt derhalve dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is van het inleidend verzoek kennis te nemen.

5.9

Nu het hof heeft geoordeeld de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is, zal het hof de overige grieven van de moeder beoordelen.

5.10

Een minderjarige kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder toezicht worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

5.11

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken van gronden die een ondertoezichtstelling van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] rechtvaardigen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

5.12

Alle drie de kinderen verzuimen sinds 2005 veelvuldig van school. Zij hebben daardoor grote leerachterstanden opgelopen en presteren onder hun kunnen. Daarbij komt dat zowel [kind 1] als [kind 2] op school grensoverschrijdend gedrag vertoonden.

[kind 1] is in augustus 2012 begonnen in het leerwegondersteunend onderwijs op het [NAAM SCHOOL], nadat hij mocht overstappen vanuit het praktijkonderwijs op grond van zijn goede ontwikkeling. Aanvankelijk liet hij op het [NAAM SCHOOL] positief gedrag zien, maar gaandeweg het leerjaar is dat in negatieve zin veranderd. Een climax in dit negatieve gedrag vormde een vechtpartij met een medeleerling op 9 april 2013. Vooral door vrouwelijke medeleerlingen werd hij als intimiderend ervaren. Vanuit de leerkrachten werd een gebrek aan respect geconstateerd. Het [NAAM SCHOOL] heeft naar aanleiding van een en ander geoordeeld dat [kind 1] een gevaar vormde voor docenten en leerlingen, naar aanleiding waarvan een verwijderingstraject is ingezet. Ook werd hij aangemeld voor het project “Do it”. Het gezin was voorts betrokken bij het project “Wisselgeld”, dat inhoudt dat ouders een vergoeding krijgen op het moment dat zij er in slagen hun kinderen naar school te krijgen.

[kind 2] zat tot de zomervakantie van 2013 in groep acht van de basisschool. Daar zette hij zich steeds meer tegen alles en iedereen af. Op andere kinderen en de leerkrachten kwam hij bedreigend over. Doordat hij zich verbaal en fysiek agressief gedroeg, waren andere kinderen bang voor hem. Daar waar hij in groep zes nog op havo-niveau zat, is hij in groep acht, door zijn veelvuldige afwezigheid, afgezakt naar het niveau van het praktijkonderwijs. Omdat hij ook veel toetsen niet maakte, werd hij niet toegelaten tot het praktijkonderwijs en is niet duidelijk naar welke school hij moet. Op de basisschool is hij, gezien zijn leeftijd en doordat niet kan worden ingestaan voor de veiligheid van de medeleerlingen en de leerkrachten, niet langer welkom.

Het gedrag van [kind 3] was niet opvallend; meestal was ze vrij stil en af en toe moest ze huilen. Het contact met haar medeleerlingen was goed. Zorgelijk is dat ze veelvuldig van school verzuimde en daardoor presteerde onder haar niveau. Ze kreeg dan ook leerstof van een groep lager aangeboden.

Sinds 17 mei 2013 zijn de kinderen, met uitzondering van [kind 1], niet meer op school verschenen. Gelet op het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat de kinderen worden bedreigd in zowel hun cognitieve als hun sociaal-emotionele ontwikkeling.

5.13

Het raadsrapport is tot stand gekomen zonder de informatie van de moeder en de kinderen, omdat de moeder en de kinderen onbereikbaar bleken. Bij aangekondigde huisbezoeken werd niet opengedaan en ook op brieven werd niet gereageerd. De moeder is in de gelegenheid gesteld te reageren op het conceptrapport, maar heeft daarvan binnen de gestelde tijd geen gebruik gemaakt. Ook de gezinsvoogd heeft nog geen contact met de moeder kunnen krijgen. Uit het rapport blijkt dat de directeur van de basisschool moeilijk contact kreeg met de moeder en ook dat zij niet op ouderavonden verscheen. Het vele verzuim van [kind 1] werd door de moeder ontkend en zij wilde daarover niet spreken met de school. Volgens de middelbare school is er moeilijk met de moeder te praten, wil ze het gelijk aan haar kant en komt zij agressief over. De ten aanzien van [kind 1] gemaakte afspraken met de school om het verwijderingstraject te bespreken werden niet nagekomen. Ondanks meerdere pogingen van zowel de raad als de stichting om contact met de moeder te krijgen, is zij onbereikbaar. Ook ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep was haar verblijfplaats ongewis.

Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat sprake is van een afwijzende houding tegenover de hulpverlening bij de moeder. Anders dan de moeder stelt acht het hof het niet aannemelijk dat hulpverlening in een vrijwillig kader mogelijk zou zijn.

5.14

Uit het raadsrapport blijkt dat de raad, aannemende dat het gezin vertrekt of vertrokken is naar Servië, zodra het adres van de kinderen bekend is, een melding zal doen bij de jeugdbeschermingsinstanties aldaar via de Centrale Autoriteit. In voormelde brief van de stichting van 3 oktober 2012, houdende een schriftelijke aanwijzing, deelt de stichting aan de moeder mede dat de stichting contact zal opnemen met de autoriteiten in België, indien de stichting op 10 oktober 2013 nog niets van de moeder heeft gehoord. Nu de ondertoezichtstelling de stichting in staat stelt om in het belang van de kinderen verder onderzoek te doen en eventueel in overleg te treden met de autoriteiten van de plaats waar de kinderen zich bevinden, bestaat er nog steeds belang bij de ondertoezichtstelling. De verklaringen van de raad en de stichting en hetgeen hiervoor reeds is overwogen onder 5.12 en 5.13 leiden ertoe dat ook de derde grief van de vrouw geen doel treft.

5.15

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slaagt geen van de grieven van de moeder en zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 1 augustus 2013;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Roelvink-Verhoeff, H.L. van der Beek en

C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 18 februari 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.