Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1194

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
200.083.268-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opnieuw uitgebroken brand in loods. Schending van zorgplicht door de politie en/of door het (door de verzekeringsmaatschappij ingeschakelde) onderzoeksbureau? Daarvoor is in casu vereist dat de politie respectievelijk het onderzoeksbureau wist dat er een reëel gevaar bestond voor het opnieuw uitbreken van brand.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/46

Uitspraak

.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.083.268/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 99697/HA ZA 08-95)

arrest van de tweede kamer van 18 februari 2014

in de zaak van

1 [appellant 1],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 1],

2. [appellant 2],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 2],

3. [appellant 3],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 3],

4. [appellant 4],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 4],

5. [appellant 5],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 5],

6. [appellant 6],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 6],

7. [appellant 7],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 7],

8. [appellant 8],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 8],

9. [appellant 9],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 9],

10. [appellant 10],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 10],

11. [appellant 11],

gevestigd te [woonplaats],

hierna: [appellant 11],

12. [appellant 12],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 12],

13. [appellant 13],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 13],

14. [appellant 14],

wonende te [woonplaats],

hierna: [appellant 14],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. J.D. Meerburg, kantoorhoudend te [woonplaats],

tegen

1 Politieregio Groningen,

gevestigd te Groningen,

hierna: de Politieregio,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden

2. Interseco B.V.,

gevestigd te ‘s Gravenhave,

hierna: Interseco,
advocaat: mr. H.J. Arnold, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 9 april 2008 (in het vrijwaringsincident), 28 januari 2009 en 10 november 2010 van de rechtbank Groningen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 februari 2011,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord van de Politieregio (met producties),

- de memorie van antwoord van Interseco,

- een pleitnota van [appellanten],
- een pleitnota van de Politieregio,
- een pleitnota van Interseco.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellanten] in hoger beroep luidt:

"te vernietigen het vonnis, op 10 november 2010 onder rolnummer 99697/HA ZA 08-95 door de rechtbank te Groningen tussen partijen gewezen, en, opnieuw rechtdoende, alsnog bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

- zal verklaren voor recht dat gedaagde(n) sub 1 en/of sub 2 een onrechtmatige daad jegens eisers en jegens de besloten vennootschap [A 1] hebben gepleegd door te handelen en na te laten als in het lichaam van de inleidende dagvaarding vermeld;

- en dat zij ter zake van die onrechtmatige daad hoofdelijk - dan wel in zodanige onderlinge verhouding als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren - schadeplichtig zijn geworden jegens eisers en jegens de besloten vennootschap [A 1] voor de schade ontstaan als gevolg van de zogenaamde tweede brand, dat wil zeggen de brand die in de vroege ochtend van 26 juni 2005 op de locatie [adres] heeft gewoed;

- deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- onder veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding, de kosten van het voorlopige getuigenverhoor en het hoger beroep daaronder begrepen."

3 De feiten

3.1

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3 (3.1 tot en met 3.9) de feiten vastgesteld. Grief I is gericht tegen een aantal van deze vaststellingen, te weten 3.2, 3.3, 3.4 en 3.6.

3.2

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
[appellanten] werpen als bezwaar tegen de vaststelling onder 3.2 op, dat – anders dan de rechtbank heeft vastgesteld – de twee kleinere branden die in de nacht van vrijdag op zaterdag zijn opgelaaid niet “vrijwel meteen” door de brandweer zijn geblust. Volgens [appellanten] heeft de brandweer eerst gewacht op [B] van de Politieregio, waardoor het blussen van de eerste van deze twee branden zeven kwartier heeft geduurd. Naar aanleiding van dit bezwaar zal het hof er niet als vaststaand van uitgaan dat deze branden zo snel als mogelijk zijn geblust, daargelaten of dit in casu van belang is.
Ten aanzien van de vaststelling onder 3.3 stellen [appellanten] dat deze in zoverre onjuist is, dat de Politieregio voordat de locatie als Plaats Delict (PD) werd vrijgegeven, eerst de medewerkers van Interseco, [C] en [D] in het gebouw heeft rondgeleid. Nu deze stelling door zowel de Regiopolitie als Interseco wordt erkend, zal het hof hiervan als vaststaand uitgaan.
Voorts stellen [appellanten] naar aanleiding van de vaststelling onder 3.3 dat het correct is dat de Politieregio op zaterdag om 16.00 uur is vertrokken, maar dat op dat moment de locatie nog niet was vrijgegeven en de status van PD nog niet was opgeheven. Gelet op deze betwisting, zal het hof er niet als vaststaand van uitgaan dat op dat moment de locatie door de Politieregio was vrijgegeven.
Tegen de vaststelling onder 3.6 voeren [appellanten] aan dat Interseco reeds op vrijdag 24 juni 2005 met haar onderzoek was begonnen en dat zij op zaterdag 25 juni 2005 rond 16.00 uur door de Politieregio in het gebouw is rondgeleid (zie reeds hiervoor). Interseco erkent dat zij op vrijdag 24 juni 2005 reeds in het pand is geweest, dat het geheugen van het inbraakdetectiesysteem op die dag is veiliggesteld, en dat zij op zaterdag 25 juni 2005 omstreeks 16.00 uur door de Politieregio is rondgeleid. Hiervan zal het hof dan ook als vaststaand uitgaan.

3.3

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, staat in deze zaak het volgende vast.

3.3.1

[appellant 1] was eigenaresse van het bedrijfsverzamelgebouw (bestaande uit een kantoorgebouw, loods en buitenterrein) aan [adres] en met de overige appellanten en [A 1] (hierna: [A 1]) gebruiker van dat gebouw. [appellant 1] en [appellant 2] hadden het gebouw tegen (onder meer) brand verzekerd bij De Goudse Schadeverzekeringen N.V. (verder: De Goudse).

3.3.2

In de vroege ochtend van vrijdag 24 juni 2005, omstreeks 5.15 uur, is brand

uitgebroken in de loods van voormeld gebouw. De brand (verder: de eerste brand) is geblust

door de brandweer, die omstreeks 8.00 uur het sein "brand meester" heeft gegeven en

(na-)geblust heeft tot 15.30 uur. Het vuur is nadien nog twee keer opgelaaid (op voormelde

vrijdagavond omstreeks 20.00 uur en in de ochtend van zaterdag 25 juni 2005, omstreeks

4.00

uur), en door de brandweer weer geblust.

3.3.3

Op vrijdag 24 juni 2005 is een medewerker van het door De Goudse ingeschakelde onderzoeksbureau Interseco B.V., [C], op de locatie geweest. Het geheugen van het inbraakdetectiesysteem is toen veiliggesteld.

3.3.4

De Politieregio heeft op vrijdag 24 juni 2005 en zaterdag 25 juni 2005 ter plaatse

van de brand (i.e. in de loods) sporenonderzoek verricht en het gebouw en bijbehorende

(omheinde) terrein als “plaats delict” (hierna: PD) afgesloten voor het publiek. Ook appellanten en medewerkers van Interseco mochten de locatie toen niet meer betreden. In de nacht van voormelde vrijdag op zaterdag heeft een particulier beveiligingsbedrijf in opdracht van de Politieregio het gebouw bewaakt.

3.3.5

Op zaterdag 25 juni 2005 heeft de Politieregio haar onderzoek voortgezet tot omstreeks 16.00 uur. Vervolgens heeft de Politieregio medewerkers van Interseco, [C] en [D], tot de locatie toegelaten en rondgeleid door het gebouw. Daarna is de Politieregio vertrokken.

3.3.6

Aan het einde van de zaterdagmiddag 25 juni 2005 heeft het [aannemersbedrijf]

[aannemersbedrijf] in opdracht van het door De Goudse eveneens ingeschakelde expertisebureau

[expertisebureau] en/of Interseco het pand en de deur tussen het kantoorgedeelte

en de loods dichtgetimmerd met houten platen. [appellanten] hebben zaterdagavond op het

buitenterrein hun (waak)honden losgelaten.

3.3.7

In de nacht van zaterdag 25 juni 2005 op zondag 26 juni 2005, omstreeks 0.40 uur,

is er wederom brand (verder: de tweede brand) uitgebroken in het pand. Deze brand is ook

door de brandweer geblust. Na de eerste blussing is het vuur nog twee keer kort opgelaaid

en andermaal door de brandweer geblust. Het nablussen heeft een groot deel van voormelde

zondag geduurd.

3.3.8

Op maandag 27 juni 2005 hebben [C] en [D] van Interseco een onderzoek ingesteld naar de toedracht van de branden. Van dat onderzoek is een verslag opgesteld, gedateerd 12 juli 2005. In dat verslag is onder het hoofdstuk "conclusie" het volgende vermeld:

"In de nacht van donderdag 23 op vrijdag 24 juni 2005 brak brand uit in de loods van het

bedrijfsgebouw op het risicoadres. De brand in de loods van het bedrijfsgebouw op het risicoadres is vrijwel zeker ontstaan ten gevolge van warmtestuwing in een stapel opgestapelde matrassen. Dat in de matrassen brand kon ontstaan is zeer waarschijnlijk gelegen in het feit dat, in de dagen voorafgaand aan de brand, in Nederland sprake was van een hittegolf. Zeer waarschijnlijk is met name een viltlaag in de matrassen, vervaardigd uit gerecyclede kleding en vodden, gevoelig geweest voor deze vorm van opwarming en leidde dit uiteindelijk tot zelfontbranding van één of meerdere van de opgestapelde matrassen. Andere oorzaken voor het ontstaan van de brand werden niet aangetroffen. (...)

In de nacht van zaterdag 25 op zondag 26 juni 2005 brak er opnieuw een grote brand uit in de loods van het bedrijfsgebouw op het risicoadres. Deze brand kan zijn ontstaan ten gevolge van warmte welke is vrijgekomen bij de eerdere brand. De brand had gewoed in een stapel opgestapelde en tot op dat moment nog onaangetaste matrassen.

De brand die ontstond in de nacht van zaterdag 25 op zondag 26 juni 2005 vergrootte de

uiteindelijke brandschade aan het bedrijfsgebouw op het risicoadres. Daarnaast lijden de

verzekerden ten gevolge van deze brand een nog grotere bedrijfsschade, terwijl zij tegen

bedrijfsschaden niet zijn verzekerd.

Van enige opzettelijke betrokkenheid van de verzekerden bij het ontstaan van de brand(en) is tijdens het onderzoek niets gebleken. (...)"

3.3.9

In voornoemd verslag is ook een verklaring van [appellant 12], afgelegd

op 28 juni 2005, opgenomen onder het hoofdstuk "verklaring verzekeringnemer". In die

verklaring is onder meer het volgende vermeld:

"De opstal (...) bestaat globaal gezien uit twee delen, namelijk een kantoorgebouw en een loods c. q. werkplaats. Het kantoorgebouw wordt gebruikt voor de financiële administratie van de B. V. 's. In de loods zijn units gesitueerd die gebruikt worden voor de opslag van materialen van de diverse B. V. 's.

Daarnaast bevindt zich in een gedeelte van de loods het garagebedrijf (...) Daarnaast bevindt zich in de opstal (...) ook nog het bedrijf [A 1]. (...) De units waarover ik sprak in de loods achter het kantoorgebouw worden respectievelijk gebruikt voor de opslag van matrassen, speelautomaten en loodgieters- en installatieartikelen. (...).

Uiteindelijk heeft het technisch onderzoek van de politie uitgewezen dat de brand is ontstaan ten gevolge van broei in opgestapelde matrassen. Dit werd ons vandaag, omstreeks 11.30 uur officieel medegedeeld door de politie. Deze matrassen behoren, zoals ik al aangaf toe aan [appellant 7]. De matrassen lagen in de loods opgestapeld tot bijna aan het dak (...).

U heeft op maandag 27 juni 2005 samen met een collega van u een onderzoek ingesteld naar de oorzaak voor het ontstaan van de brand. Ook u heeft kunnen vaststellen dat de oorzaak voor het ontstaan van de brand is gelegen in broei in de matrassen die opgeslagen lagen in de loods. (...).

Zoals ik u al aangaf is de eerste brand ontstaan in de nacht van donderdag 23 juni 2005 op vrijdag 24 juni 2005. Het blussen van de brand duurde tot ongeveer aan het eind van deze vrijdagmiddag.

Het kantoorgebouw was gelukkig nagenoeg gespaard gebleven. Er was in het kantoorgebouw wel rook-, roet- en waterschade ontstaan, echter naar verwachting konden wij onze werknemers op maandag 27 juni 2005 weer aan het werk zetten, omdat de administratie en computers gespaard waren gebleven. Hetzelfde gold voor het gedeelte waarin de garage zich bevond. (...).
Het onderzoek van de technische recherche van de politie ving echter pas aan op zaterdag 25 juni 2005 en duurde nagenoeg de gehele dag. Na dit onderzoek van de politie werd de loods aan de achterzijde van het kantoorgebouw afgetimmerd in verband met een vervolgonderzoek van de politie en het onderzoek van u op maandag 27 juni 2005. Het aftimmeren van de loods duurde op zaterdag uiteindelijk tot ongeveer 20.10 uur. Hierdoor waren mijn broer, ik en onze medewerkers niet meer in staat computers en administratie uit het kantoorgebouw te halen. Besloten werd om dit op zondag 26 juni 2005 te doen (...).

In de nacht van zaterdag 25 op zondag 26 juni 2005 is er echter opnieuw brand uitgebroken in de

loods achter het kantoorgebouw. Ten gevolge van deze tweede brand is het kantoorgebouw volledig in

as gelegd. De schade is nu dus aanzienlijk groter dan de schade na de eerste brand. Daarnaast zijn

mijn broer en ik nu extra gedupeerd, omdat wij nog geen kans hadden gehad om de computers en de

administratie uit het kantoorgebouw te halen. (...). Mijn broer en ik zijn van mening dat deze tweede

brand had kunnen worden voorkomen. Wanneer de loods niet zou zijn afgetimmerd en er bewakend

personeel zou zijn ingezet, dan was de brand op tijd ontdekt geworden en was de schade nooit groter

geworden. Mijn broer en ik zijn er niet over uit wie er nalatig is geweest, waardoor er extra schade

kon ontstaan. De hierbij betrokken partijen zijn echter de brandweer, de politie en u namens de

Goudse Verzekeringen. (...)"

3.3.10

De schade is door het expertisebureau [expertisebureau], in overleg met appellanten sub 1 en sub 2 als verzekerden, vastgesteld. Daarvan is een schadevaststellingsovereenkomst opgemaakt.

3.3.11

De Goudse heeft in september 2005 de aldus vastgestelde en geaccordeerde schade

afgewezen in verband met, kort gezegd, (niet gemelde) bestemmingswijziging van het

verzekerde object. In verband met voormelde afwijzing hebben voormelde appellanten een

procedure tegen De Goudse gevoerd, waarin nog geen definitieve uitspraak is gedaan.

Bij de rechtbank [woonplaats] heeft op verzoek van [appellanten] een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden, met als gerekwestreerde partijen De Goudse, de gemeente [woonplaats] (Gemeentelijke Hulpverleningsdienst, sectie Brandweer, de Politieregio en Interseco. In dat kader zijn als getuigen gehoord: [B] (rechercheur bij de Politieregio), [E] (technisch rechercheur bij de Politieregio), [F] (ploegchef van ploeg A van de brandweer [woonplaats]), D.J. [C] (technisch onderzoeker bij Interseco), T. [D] (technisch onderzoeker bij Interseco), [G] (technisch rechercheur bij de Politieregio), [H] (instructeur/geleider van speurhonden bij het Korps Landelijke Politie Dienst), [I] (technisch rechercheur bij de Politieregio), [appellant 13] en [appellant 12]. Van die verhoren zijn processen-verbaal opgemaakt, die als hier ingelast beschouwd dienen te worden.

4 Het geschil en de beoordeling in eerste aanleg

4.1

[appellanten] hebben in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- voor recht zal verklaren dat de Politieregio en/of Interseco een onrechtmatige daad jegens

[appellanten] en jegens [A 1] hebben gepleegd door te handelen en na te laten als in het lichaam van de dagvaarding is vermeld,

- voor recht zal verklaren dat de Politieregio en Interseco ter zake van die onrechtmatige

daad hoofdelijk, dan wel in zodanige onderlinge verhouding als de rechtbank in goede

justitie zal vermenen te behoren, schadeplichtig zijn geworden jegens [appellanten] en jegens

[A 1] voor de schade, ontstaan als gevolg van de zogenaamde tweede brand, dat wil

zeggen de brand die in de vroege ochtend van 26 juni 2005 op de locatie Rouaanstraat 15 te

[woonplaats] heeft gewoed,

- zal bepalen dat vorenbedoelde schade nader bij staat dient te worden opgemaakt en te

worden vereffend volgens de wet,

- en de Politieregio en Interseco zal veroordelen in de kosten van de procedure, die van het

voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.

4.2

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven



Ten aanzien van de Politieregio

5.1

[appellanten] onderbouwen hun vordering tegen de Politieregio, samengevat, als volgt (memorie van grieven sub 14 e.v.).

Door de locatie onder haar beheer te nemen heeft de Politieregio de plicht tot zorgvuldig beheer en ongeschonden teruggave op zich genomen. De omstandigheid dat de Politieregio niet in staat was tot ongeschonden teruggave van het gebouw, levert inbreuk op een subjectief recht op. Deze inbreuk levert volgens [appellanten] een onrechtmatige daad op door de volgende bijkomende omstandigheden, samengevat:
Er is gebruik gemaakt van een strafvorderlijk dwangmiddel, hetgeen noopt tot extra zorgvuldigheid. Bovendien ontbrak de bevoegdheid tot aanwijzing van de locatie als PD in casu, zodat het uitroepen tot PD in zichzelf al onrechtmatig was.
Naast deze twee bijzondere omstandigheden is de politie tekortgeschoten in haar zorgplicht.
Tevens maken genoemde omstandigheden dat gesproken kan worden van een zelfstandige schending van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, aldus [appellanten] Zij lichten dit, samengevat, als volgt toe:
Het had in de gegeven omstandigheden voor de hand gelegen om de matrassen te verwijderen als zijnde (kennelijk) het brandbare materiaal. In casu is op aanwijzing van de Politieregio geblust met schuim, terwijl bovendien niet het volledige brandoppervlak is afgedekt met schuim in verband met het nog te verrichten technische onderzoek. De Politieregio heeft aldus haar onderzoeksbelang laten prevaleren boven het belang van Kaynar c.s. bij een definitief en permanent risico op nieuwe branden.

De Politieregio had niet mogen vertrouwen op de mededeling van de brandweer dat het vuur goed was geblust.
De Politieregio had bedacht moeten/kunnen zijn op broei van de matrassen als mogelijke/waarschijnlijke oorzaak van de brand, en had adequate maatregelen moeten treffen, hetgeen zij niet heeft gedaan.
De Politieregio heeft geen proces-verbaal opgemaakt.Hierdoor heeft zij het onderzoek naar haar eigen optreden ernstig belemmerd, hetgeen onzorgvuldig is jegens [appellanten]
Voor het geval de locatie al op zaterdag als PD was vrijgegeven voeren [appellanten] de volgende omstandigheden aan:
Er had een zorgvuldige en behoorlijke overdracht van het terrein en de gebouwen moeten plaatsvinden.
De Politieregio heeft niet aan [appellanten] gemeld dat [C] aan de Politieregio heeft gevraagd de status PD te laten voortduren ten behoeve van het onderzoek van Interseco. De Politieregio heeft integendeel de indruk gewekt dat zij met Interseco samenwerkte.
[appellanten] mochten er in de gegeven omstandigheden op vertrouwen dat de mededeling van [C] dat het onderzoek nog voortduurde namens de Politieregio werd gedaan.

5.2

In hun pleitnota in hoger beroep spitsen [appellanten] hun stellingen als volgt toe:

“3. (…)
Daarmee heeft de Politieregio [appellanten] [heeft] feitelijk verhinderd om na de eerste brand volgende branden te voorkomen.
4. Ongetwijfeld zal de Politieregio hier op reageren met de stelling dat niet vaststaat dat de loods uitgeruimd zou zijn. Dat is echter speculatief en verder ook niet ter zake. Waar het om gaat is dat aan de rechtmatige gebruikers de mogelijkheid is ontnomen is tot bereddering op welke wijze dan ook en wel door het optreden van de Politieregio.”
(…)
7. (…)
Er is dan ook sprake van een onrechtmatig optreden. [bedoeld wordt: het onbevoegd gebruik maken van dit strafvorderlijk dwangmiddel; toevoeging door het hof]

Door dit onrechtmatige optreden is aan [appellanten] de mogelijkheid ontnomen om de loods met matrassen leeg te halen en daarmee verdere branden te voorkomen.
(…)
15. (…)
[appellanten] wijzen er op dat door het terrein en gebouwen (onrechtmatig) onder zich te nemen, effectief en daadwerkelijk verhinderd is dat de betreffende loods leeggehaald kan worden, waarmee verdere, waaronder ook begrepen de tweede brand, zou zijn voorkomen.”

5.3

De Politieregio voert gemotiveerd verweer.

5.4

Het hof overweegt als volgt.
Of de Politieregio aansprakelijk is jegens [appellanten] hangt af van de vraag of zij in de gegeven omstandigheden heeft gehandeld in strijd met een jegens [appellanten] in acht te nemen zorgplicht. Daartoe zal eerst worden beoordeeld of in casu een grondslag aanwezig is voor zodanige zorgplicht voor de Politieregio.

5.5

[appellanten] koppelen het bestaan van deze zorgplicht aan het feit dat de locatie door de Politieregio als PD was aangewezen. Zij betogen dat deze status ten tijde van de tweede brand nog niet was opgeheven, althans dat de opheffing van de status PD niet voldoende duidelijk aan hen is kenbaar gemaakt.

5.6

Naar het oordeel van het hof zijn deze, door de Politieregio betwiste, stellingen ontoereikend om tot aansprakelijkheid van de Politieregio te kunnen concluderen. Daarvoor is naar het oordeel van het hof vereist dat de Politieregio wist dat er een reëel gevaar bestond voor het opnieuw uitbreken van brand, zodat zij de locatie niet had mogen verlaten zonder [appellanten] hiervoor te waarschuwen en/of anderszins maatregelen te nemen ter voorkoming van schade. De Politieregio betwist dat zij bedacht was dan wel had moeten zijn op het uitbreken van de tweede brand.

5.7

De bewijslast ten aanzien van vorenbedoelde wetenschap rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellanten] In het beweerdelijk ontbreken van een proces-verbaal ziet het hof - anders dan [appellanten] betogen - geen aanleiding om de bewijslast op dit punt om te keren.
Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] dit bewijs niet geleverd. Daarbij kent het belangrijk gewicht toe aan het feit dat de brandweer die bewuste zaterdagmiddag - na het verrichten van onderzoek met warmtecamera's - aan de Politieregio heeft meegedeeld dat er geen reden voor ongerustheid was. Anders dan [appellanten] betogen, heeft de Politieregio op deze mededeling mogen afgaan. Zelfs indien [C] (Interseco) aan het eind van die middag met de medewerkers van de Politieregio zou hebben gesproken over broei als mogelijke oorzaak van de brand, hetgeen door de Politieregio wordt betwist, dan nog mocht zij op grond van de mededeling van de brandweer - die immers door de politie als de bij uitstek deskundige partij waar het betreft brandgevaar mocht worden beschouwd - aannemen dat er geen risico bestond voor het opnieuw uitbreken van brand. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de taak van de Politieregio is gericht op het uitsluiten van brandstichting, en niet op het opsporen van een eventuele andere oorzaak van de brand.

5.8

Weliswaar hebben [appellanten] in hoger beroep in algemene bewoordingen bewijs aangeboden van al hun stellingen (memorie van grieven sub 109), maar zij hebben daarbij niet aangegeven wat de reeds in eerste aanleg gehoorde en/of eventuele andere getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren. Voor het overige is dit bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd, zodat het hof daaraan voorbijgaat.
Voor zover het specifieke bewijsaanbod ten aanzien van het telefoongesprek tussen [appellant 12] en [C] op de zondagochtend na het uitbreken van de tweede brand (memorie van grieven sub 101) mede betrekking mocht hebben op het geschil met de Politieregio, dan gaat het hof hieraan als niet ter zake dienend voorbij. De transcriptie van dit gesprek bevat immers onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van vorenbedoelde wetenschap bij de Politieregio, terwijl voorts niet is aangegeven wat een getuigenverhoor op dit punt kan toevoegen, nu de inhoud van het gesprek (vrijwel) integraal kenbaar is uit de transcriptie.

5.9

Hierop stuit de vordering van [appellanten] jegens de Politieregio af. Alle overige stellingen van [appellanten] kunnen als irrelevant voor de beoordeling van het onderhavige geschil onbesproken blijven.

Ten aanzien van Interseco

5.10

Ook aan hun vordering tegen Interseco leggen [appellanten] een onrechtmatige daad ten grondslag. Daartoe voeren zij, samengevat, het volgende aan.
[C] heeft op zondagochtend tegen [appellant 12] gezegd dat hij en [D] er die zaterdagmiddag eigenlijk al uit waren wat de oorzaak van de brand was: broei. Tevens heeft hij aangegeven dat er bij broei maar een ding opzit: het leeghalen van de locatie. In hun pleitnota voegen [appellanten] hier nog het volgende aan toe:

“22. (…)
Het is een feit van algemene bekendheid dat broei eigenlijk niet valt te blussen. Immers, ook geblust, gaat het proces van zelfontbranding gewoon door.
[C] was in de loods geweest en had gezien dat daar nog een forse hoeveelheid matrassen aanwezig was, meer dan manshoog opgestapeld. Hij had zich derhalve dienen te realiseren dat het proces van zelfontbranding in die matrassen gewoon doorging.
[C] en [D] hadden onder omstandigheden direct contact moeten opnemen met de Politieregio en/of [appellanten] om hun over deze bevindingen te informeren. Met het leeghalen van de loods zou het proces van broei zijn gestopt en de tweede brand voorkomen.”
Als het voor [C] kenbaar was dat de politie haar technisch onderzoek had afgerond, heeft [C] [appellant 12] bewust onjuist voorgelicht over de status PD.
Met behulp van deze - onjuiste - informatie heeft Interseco de loods in haar feitelijke en exclusieve macht gebracht. Hierdoor ontstonden voor Interseco dezelfde zorgplichten als hiervoor ten aanzien van de Politieregio genoemd. In die situatie heeft Interseco op onrechtmatige wijze inbreuk gemaakt op de subjectieve rechten van [appellanten] en/of in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

5.11

Het hof overweegt als volgt.
Ook voor het antwoord op de vraag of Interseco jegens [appellanten] aansprakelijk is, is bepalend of Interseco wist dat er een reëel gevaar bestond voor het opnieuw uitbreken van brand, zodat zij de locatie niet had mogen laten dichttimmeren en vervolgens verlaten zonder [appellanten] voor dit risico te waarschuwen en/of anderszins maatregelen te nemen ter voorkoming van schade.

5.12

[appellanten] stellen dat Interseco over vorenbedoelde wetenschap beschikte, hetgeen door Interseco wordt betwist.

5.13

Naar het oordeel van het hof kan op grond van het thans voorliggende bewijsmateriaal niet bewezen worden geacht dat aan dit vereiste is voldaan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat Interseco weliswaar op zaterdagmiddag een korte rondleiding door het gebouw heeft gekregen, maar dat zij zelf nog geen technisch onderzoek had verricht. Bovendien heeft Interseco onbetwist gesteld dat broei in matrassen een tot dan toe onbekend fenomeen was. De enkele omstandigheid dat de mogelijkheid van broei zaterdagmiddag bij [C] is opgekomen, is onvoldoende voor het oordeel dat hij bedacht had moeten zijn op het opnieuw uitbreken van brand. Daarbij komt dat ook Interseco heeft mogen afgaan op de mededeling van de brandweer dat er geen reden was voor ongerustheid.

5.14

[appellanten] hebben in algemene bewoordingen bewijs aangeboden van hun stellingen (memorie van grieven sub 109), maar zij hebben niet aangegeven wat de reeds in eerste aanleg gehoorde getuigen op dit punt meer of anders zouden kunnen verklaren. Voor het overige is dit bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Het specifieke bewijsaanbod ten aanzien van het telefoongesprek tussen [appellant 12] en [C] (memorie van grieven sub 101) passeert het hof op dezelfde grond als hiervoor ter zake van het geschil met de Politieregio is overwogen.

5.15

Hierop stuit de vordering jegens Interseco af. De overige stellingen van [appellanten] kunnen als irrelevant voor het onderhavige geschil onbesproken blijven.


Slotsom

5.16

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis d.d. 10 november 2010 voor zover gewezen in de hoofdzaak moet worden bekrachtigd.

Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Politieregio zullen worden vastgesteld op € 649,00 aan verschotten en € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten in tarief II).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Interseco zullen worden vastgesteld op € 649,00 aan verschotten en € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten in tarief II), te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten als in het dictum vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:



In beide zaken

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Groningen van 10 november 2010 voor zover in de hoofdzaak gewezen;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Politieregio vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 649,00 voor verschotten;


veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, des dat de een betaalt de ander is bevrijd, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Interseco vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en € 131,00 voor nasalaris van de advocaat, en op € 649,00 voor verschotten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede met € 68,00 voor nasalaris van de advocaat indien [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving hebben voldaan en betekening heeft plaatsgevonden;


verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling jegens Interseco betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.M.A. Wind en mr. R.A. van der Pol en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

18 februari 2014.