Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1086

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
200.137.766-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Alcholproblematiek van de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.137.766/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/100014/ FA RK 13-1876)

beschikking van de familiekamer van 13 februari 2014

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. T. Meier, kantoorhoudend te Assen,

tegen

Bureau Jeugdzorg Drenthe,

gevestigd te Assen,

verder te noemen: BJZ,

verweerster in hoger beroep.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 27 augustus 2013 uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Bij deze beschikking is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige], geboren [in 2006], verlengd voor de duur van een jaar, ingaande 12 september 2013, en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader eveneens verlengd voor de duur van een jaar, eveneens met ingang van 12 september 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 november 2013, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige] af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 december 2013, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden en verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3

Van de vader is geen verweerschrift ontvangen.

2.4

Ter griffie van het hof is binnengekomen op 2 december 2013 een brief van 29 november 2013 van de raad met de mededeling dat de raad niet beschikt over nadere rapportage in de zaak.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op donderdag 16 januari 2014 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens BJZ zijn verschenen de heer Van Gasteren en mevrouw Verkerk, gezinsvoogd. Ook de vader was ter zitting aanwezig. Hoewel behoorlijk opgeroepen in het kader van haar adviserende taak als bedoeld in artikel 810 Rv is er geen vertegenwoordiger verschenen van de raad voor de kinderbescherming.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de relatie van de ouders is [in 2006] [minderjarige] geboren (hierna [minderjarige]). Ouders zijn gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast. In 2010 hebben de ouders hun relatie verbroken. [minderjarige] heeft sindsdien haar hoofdverblijf bij de moeder. In 2011 is er een vorm van co-ouderschap ontstaan waardoor [minderjarige] min of meer de helft van de tijd bij de vader en de helft van de tijd bij de moeder verbleef.

3.2

In 2010 heeft de raad voor de kinderbescherming (hierna de raad) naar aanleiding van AMK-meldingen driemaal onderzoek verricht naar de verzorgings- en opvoedingssituatie van [minderjarige]. Tijdens deze onderzoeken heeft de raad, kort gezegd, telkenmale zorgen in de ontwikkeling van [minderjarige] geconstateerd omdat sprake was van een onveilige opvoedingssituatie en ingrijpende levensgebeurtenissen. Deze hingen samen met de relatieproblemen tussen de ouders, hun verstoorde onderlinge communicatie, huiselijk geweld en alcoholgebruik. Op grond van de uitkomsten van het laatste onderzoek is [minderjarige] op 5 januari 2011 onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. Bij het naderende einde van dat jaar, heeft BJZ met instemming van de raad, geen verlenging gevraagd omdat sprake was van een keer ten goede. Hieraan heeft met name het verbreken van de relatie tussen de ouders bijgedragen waardoor er geen escalaties meer waren terwijl [minderjarige] contact had met beide ouders en beide ouders communiceerden. Daarbij heeft de raad nog wel aangegeven het te betreuren dat er niet meer zicht is op het functioneren van elk van de ouders, die beiden geen hulp willen voor de eigen problematiek, waaronder het alcoholgebruik.

3.3

Naar aanleiding van een aantal AMK-meldingen in mei en juni 2012 die betrekking hadden op de (on)veiligheid van [minderjarige] samenhangend met overmatig alcoholgebruik van moeder, is [minderjarige] vrijwillig, met instemming van de moeder, tijdelijk bij de vader gaan wonen. Het AMK wilde meer duidelijkheid over het alcoholgebruik van de moeder en de mogelijke gevolgen voor de verzorgings- en opvoedingssituatie van [minderjarige] alvorens [minderjarige] weer bij haar moeder zou kunnen verblijven. Ook wordt uit het AMK-onderzoek duidelijk dat [minderjarige] last heeft van de onenigheid en ruzies tussen haar ouders.

3.4

Bij beschikking van 19 juli 2012 heeft de kinderrechter in de rechtbank Assen, op het daartoe strekkende verzoek van de raad, [minderjarige] met ingang van die datum voorlopig onder toezicht gesteld van BJZ voor de duur van drie maanden en heeft de kinderrechter ook een machtiging verleend tot spoed uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van vier weken. Daarbij is bepaald dat de ouders, de raad en BJZ gehoord zullen worden ter zitting van 1 augustus 2012 en is de raad verzocht om uiterlijk op 19 september 2012 advies uit te brengen.

3.5

Bij beschikking van 1 augustus 2012 zijn de beslissingen ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging gegeven in de beschikking van 19 juli 2012 bekrachtigd en is de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 19 oktober 2012.

3.6

Bij beschikking van 12 september 2012 heeft de kinderrechter vervolgens, op basis van de uitkomsten van het raadsonderzoek van 9 augustus 2012, [minderjarige] met ingang van 12 september 2012 definitief onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar en machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader, eveneens met ingang van 12 september 2012 voor de duur van een jaar.

3.7

Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de kinderrechter deze ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd, telkens met ingang van 12 september 2013 voor de duur van een jaar.

3.8

[minderjarige] verblijft nog immer bij de vader. De omgangscontacten tussen de moeder en [minderjarige], eenmaal per twee weken voor anderhalf uur bij de moeder thuis, worden begeleid.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.2

De moeder kan zich met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet verenigen. De moeder voert in de eerste plaats aan dat [minderjarige] medio 2012 op oneigenlijke gronden uit huis is geplaatst en sindsdien bij de vader verblijft. In dat kader benoemt zij een aantal feitelijke onjuistheden in het onderzoeksrapport van het AMK en het onderzoeksrapport van de raad en zij stelt dat de conclusies van die rapporten zonder nader onderzoek voor waar worden gehouden. De moeder acht het onbegrijpelijk dat een ingrijpende maatregel waarbij [minderjarige] niet meer bij haar verblijft, kan plaatsvinden zonder controle en/of bewijs. De moeder meent dat het vooral de strijd tussen de ouders is die voor [minderjarige] belastend is, waarbij een keuze om [minderjarige] bij de vader te plaatsen des te meer onbegrijpelijk is. De moeder erkent haar alcoholproblematiek maar betwist dat de veiligheid van [minderjarige] daardoor op enig moment in gevaar is geweest of dat zij anderszins niet in staat is geweest om goed voor [minderjarige] te zorgen. Zij wordt al geruime tijd ambulant behandeld bij het VNN.

4.3

BJZ stelt dat destijds tot uithuisplaatsing is besloten in verband met de alcoholproblematiek van de moeder en de zorgen die er waren over de verzorgings- en opvoedingssituatie van [minderjarige] dientengevolge. De moeder heeft haar problemen langere tijd ontkend en de gevolgen daarvan voor [minderjarige] gebagatelliseerd. Inmiddels is moeder meer open over haar alcoholgebruik tegen BJZ en de vader, en zij is al enige tijd in behandeling bij de verslavingszorg VNN. BJZ acht inzicht in het huidige alcoholgebruik van de moeder gewenst om te zien of toegewerkt kan worden naar uitbreiding van de omgangscontacten tussen de moeder en [minderjarige]. Daarvoor zijn controles nodig (bloedtesten) maar de moeder heeft daaraan, tot voor kort, niet willen meewerken. Als uit de behandeling blijkt dat de moeder haar alcoholprobleem onder controle heeft, kan moeder weer een ruimer aandeel krijgen in de zorgtaken voor [minderjarige].

4.4

De vader heeft aangegeven dat hij vanaf de geboorte van [minderjarige] de zorgtaken op zich heeft genomen omdat de moeder werkte. Hoewel [minderjarige] bij de moeder stond ingeschreven, heeft zij vrijwel altijd bij hem gewoond en is zij ook in zijn woonplaats naar school gegaan. De vader is niet tegen omgang tussen [minderjarige] en de moeder maar meent wel dat deze omgang onder toezicht dient plaats te vinden opdat de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd is. Hij meent dat de moeder daadwerkelijk moet laten zien dat zij bezig is om haar alcoholproblematiek onder controle te krijgen.

4.5

Een deel van de klachten van de moeder in hoger beroep betreffen de aanleiding van ondertoezichtstelling en de machtiging die reeds in 2012, eerst voorlopig en met spoed en daarna definitief, zijn uitgesproken en waarvan de duur inmiddels is verstreken zonder dat deze beslissingen aan het hof zijn voorgelegd. Anders dan de moeder meent, is er in onderhavige zaak geen ruimte voor een hernieuwde beoordeling van de vraag of deze feiten en omstandigheden voldoende grond zijn geweest voor het uitspreken van de maatregelen. Deze beslissingen liggen namelijk niet voor in deze procedure en de juistheid van deze beslissingen kunnen thans niet meer ter discussie worden gesteld. Het hof zal deze door de moeder aangekaarte kwesties dan ook niet afzonderlijk beoordelen.

4.6

In het onderhavige geval ligt uitsluitend de vraag voor of [minderjarige] bij het uitblijven van de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zodanig verder zal opgroeien dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig zullen worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging, naar is te voorzien, zullen falen. Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen beantwoordt het hof, anders dan de moeder, deze vraag bevestigend.

4.7

Het hof stelt vast dat de moeder tot voor kort haar alcoholproblematiek ontkende en (daarmee ook) de gevolgen van haar alcoholgebruik, ook voor de verzorgings- en opvoedingssituatie van [minderjarige], bagatelliseerde. Ook nadat er aanwijzingen waren dat er door het alcoholgebruik van de moeder risicovolle situaties ontstonden voor [minderjarige] en dat de moeder voor korte of langere tijd niet volledig beschikbaar is geweest voor [minderjarige], is de moeder haar problematiek blijven ontkennen en heeft zij vastgehouden aan haar idee dat zij [minderjarige] nimmer in gevaar heeft gebracht

4.8

Inmiddels is de moeder gekomen tot erkenning van haar problematiek, is zij daarover meer open richting BJZ en de vader en heeft zij hulpverlening voor zich zelf geaccepteerd. Zij is al enige tijd in behandeling bij de verslavingszorg VNN. Zij is in de periode van 6 tot 13 januari 2014 opgenomen geweest in een verslavingskliniek in Emmen, na een gedeeltelijke detox in haar thuissituatie. Zij heeft deze opname met succes afgesloten en zij neemt thans deel aan een nabehandelingstraject met onder meer een leefstijltraining en medicatie. Zij neemt verder deel aan praatgroepen.

4.9

Het hof onderkent dat de moeder belangrijke -eerste- stappen lijkt te hebben gezet om haar problematiek onder controle te krijgen. Deze stappen zijn echter van recente datum. De kortdurende opname in een verslavingskliniek heeft plaatsgevonden begin januari 2014 en de nabehandeling was ten tijde van de behandeling ter zitting net aangevangen. Er is nog geen zicht op de (blijvende) resultaten van deze behandeling terwijl bij verslavingsproblematiek een groot risico aanwezig is op terugval. In dat licht heeft het hof laten meewegen dat de moeder over de eerdere hulpverlening bij de verslavingszorg en de resultaten van de eerdere bloedtesten geen informatie heeft verstrekt. Bovendien is voor het hof onduidelijk gebleven of de moeder de impact van deze verslavingsproblematiek op de verzorging- en opvoedingssituatie van [minderjarige], die een relatief jong kind is en in veel opzichten nog is aangewezen op zorg van een volwassene, inmiddels voldoende onderkent.

4.10

Naar het oordeel van het hof zal een mogelijke (thuis)plaatsing van [minderjarige] bij de moeder eerst aan de orde kunnen zijn wanneer vast komt te staan door middel van een verklaring van een hulpverlener of hulpverlenende instantie, dat de moeder haar verslaving onder controle heeft, in die zin dat zij al enige tijd geen alcohol meer gebruikt. Gezien de ernst en de duur van de verslaving, zoals deze uit de stukken naar voren komt, en de eerst recent ondernomen stappen acht het hof redelijkerwijs niet aannemelijk dat de vereiste duidelijkheid hierover (ruim) binnen de resterende termijn van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zal kunnen blijken. Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor een verkorting van de duur van de maatregelen.

4.11

Alles in ogenschouw genomen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat een verlenging van de duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk is. Bij het uitblijven van de verzochte verlenging acht het hof de continuïteit van en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet gewaarborgd. Dit betekent dat het hof de beschikking waarvan beroep zal bekrachtigen.

4.12

De grieven en klachten van de moeder dat BJZ te weinig doet met de aanwijzingen van de rechter om tot herstel van de contacten tussen de ouders en uitbreiding van haar omgang met [minderjarige] te komen, betreffen in de kern de (wijze van) uitvoering van de ondertoezichtstelling en niet de in deze procedure voorliggende kwestie of er voldoende gronden zijn voor het treffen van de beschermingsmaatregelen. Om die reden zal het hof deze verdere grieven en klachten onbesproken laten. Duidelijk is wel dat uitbreiding van de omgangscontacten tussen [minderjarige] en de moeder in het belang van [minderjarige] is. Alle betrokkenen zullen zich hiervoor moeten inzetten.

4.13

Waar [minderjarige] thans verblijft bij haar vader die mede met het gezag over haar is belast, en sprake is van strijd tussen de ouders, acht het hof het aangewezen dat BJZ de duur van de huidige beschermingsmaatregelen mede gebruikt om meer zicht te krijgen op het toekomstperspectief van [minderjarige]. Ook is het in het belang van [minderjarige] dat BJZ aandacht schenkt aan de loyaliteitsproblematiek van [minderjarige] en haar op dat punt hulpverlening biedt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 27 augustus 2013;

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, voorzitter, mr. I.A. Vermeulen en mr. H. van Lokven-van der Meer, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 februari 2014.