Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:1049

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
200.137.085-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.137.085/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/128738/ FJ RK 13-823)

beschikking van de familiekamer van 6 februari 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.J. de Boer, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord Nederland,

gevestigd te Leeuwarden,

verder te noemen: de raad,

geïntimeerde in hoger beroep.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ,

2. [belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 16 augustus 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 7 november 2013, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende het inleidend verzoek van de raad om de ondertoezichtstelling van de minderjarige[minderjarige], geboren [in 1997], voor een jaar uit te spreken, alsnog af te wijzen.

2.2

Van de raad is op 22 november 2013 een brief binnengekomen waarin is meegedeeld dat de raad ter zitting mondeling verweer zal voeren.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 14 november 2013 een brief met bijlage van 12 november 2013 van mr. De Boer;

- op 31 december 2013 een brief met bijlagen van 30 december 2013 van BJZ;

- op 21 november 2013 het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank d.d. 14 augustus 2013.

2.4

Op 10 januari 2014 is [minderjarige] gehoord door een raadsheer-commissaris.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 10 januari 2014 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vader en mr. De Boer. De heer W. Kelderhuis is namens de raad verschenen. Namens BJZ zijn mevrouw mr. M. Lautenbach en de heer P. Bleeker verschenen. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de moeder niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is de meerderjarige [meerderjarige] en thans nog minderjarige [minderjarige] geboren.

3.2

De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast. [meerderjarige] en [minderjarige] hebben hun hoofdverblijf bij hun vader.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 30 juli 2013, heeft de raad verzocht [minderjarige] voor een periode van 12 maanden onder toezicht te stellen van BJZ.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de minderjarige [minderjarige] met ingang van 16 augustus 2013 onder toezicht gesteld van BJZ voor de duur van een jaar.

4 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de procedure in eerste aanleg

4.1

Voor zover de vader klaagt over de wijze van tot stand komen van de bestreden beschikking, in het bijzonder over het gebrek aan motivering, heeft de vader - daargelaten het antwoord op de vraag of de rechtbank bij de totstandkoming van voornoemde beschikking heeft gehandeld in strijd met voornoemd beginsel - geen belang bij behandeling van de klacht. Immers, de vader heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren.

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling

4.2

Een minderjarige kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 BW onder toezicht worden gesteld van een stichting indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

4.3

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat er voor de rechtbank voldoende gronden aanwezig waren om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uit te spreken. Op dat moment waren er signalen om aan te nemen dat [minderjarige] zodanig opgroeide, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig werden bedreigd. Zo is gebleken - zoals ook vermeld in het raadsrapport van 18 juni 2013 - dat [minderjarige] op school een sombere, verdrietige en onverzorgde indruk maakte. [minderjarige] moest veel moeite doen om een voldoende te behalen en had weinig aansluiting bij leeftijdsgenoten. Vanuit school is diverse malen vergeefs geprobeerd om in contact te komen met vader. Daarnaast waren de forse financiële problemen van de vader en de daarmee verband houdende dreigende uithuiszetting een belasting voor [minderjarige]. Ook is naar voren gekomen dat [minderjarige] klem zat als gevolg van de langdurige echtscheidingsstrijd tussen de ouders. Door de slechte verhouding tussen de ouders was er geen ruimte voor [minderjarige] om ook met zijn moeder contact te hebben. Vast staat dat hulpverlening in het vrijwillig kader niet zou slagen, nu de vader en [minderjarige] hadden aangegeven onder geen enkel beding hieraan mee te willen werken. Op grond van de voorgaande omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof een ondertoezichtstelling van [minderjarige] op basis van de destijds bekende gegevens een juiste beslissing van de rechtbank. Anders dan de vader heeft gesteld, is de ondertoezichtstelling niet slechts gericht op het bewerkstelligen van omgang tussen de moeder en [minderjarige]. De (jarenlange) problematische verhouding tussen de moeder en [minderjarige] is slechts een onderdeel van de bestaande problematiek. Van een zogenaamde omgangsondertoezichtstelling, zoals de vader stelt, is dan ook geen sprake.

4.4

Het hof ziet evenwel thans, - mede gelet op het kinderverhoor van [minderjarige] - aanleiding om het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van de datum van deze beschikking af te wijzen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.5

Ter zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat [minderjarige] recentelijk naar een andere school is gegaan en dat hij daar zijn draai heeft gevonden. Hoewel het lastig was om [minderjarige] voor een geschikte school aan te melden, heeft de vader zich daarvoor aanzienlijk ingezet. Ondanks dat [minderjarige] op korte termijn tentamens heeft, ziet hij het resultaat daarvan met vertrouwen tegemoet. Tijdens het kinderverhoor heeft [minderjarige] aangegeven dat hij zich prettig voelt op zijn nieuwe school. Hij heeft verklaard dat hij leuke klasgenoten heeft en dat de sfeer in de klas goed is.

4.6

Ook acht het hof het - mede gelet op zijn leeftijd - van belang dat [minderjarige] ook zelf heeft aangegeven dat hij het absoluut niet eens is met de ondertoezichtstelling en dat hij hiervan veel stress heeft. Niet alleen voelt hij zich door de ondertoezichtstelling beperkt in zijn vrijheid, ook voelt hij er niets voor zijn eventuele zorgen verplicht met een hulpverlener te bespreken. Een en ander sluit aan bij de inschatting van zijn moeder. Zij verwacht dat als er zwaar wordt ingezet op gedwongen hulpverlening [minderjarige] zich zal terugtrekken en dat dit een averechts effect zal hebben.

4.7

Bovendien acht het hof het aannemelijk dat de financiële problemen en de daarmee verband houdende huisvestingsproblemen van de vader thans onder controle zijn, nu de vader tijdens de behandeling ter zitting te kennen heeft gegeven dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van hem van toepassing is verklaard en hij met zijn gezin voorlopig in de huidige woning kan blijven wonen.

4.8

Het hof onderschrijft wel de zorgen die de raad en BJZ hebben over de gesloten houding van de vader, en ook [minderjarige], naar BJZ. Hoewel de vader en [minderjarige] een helpende hand is uitgestoken, hebben zij deze - zoals de raad ter zitting ook heeft aangegeven - niet aangepakt. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de stukken en de behandeling ter zitting dat [minderjarige] duidelijk een verkapt verzoek om hulp heeft gedaan door de vertrouwenspersoon op zijn vorige school te vertellen dat hij niet lekker in zijn vel zat en veel zorgen had. Weliswaar heeft de vertrouwenspersoon vervolgens niet op de juiste wijze een zorgmelding bij de raad gedaan door [minderjarige] (en de vader) hiervan niet op de hoogte te stellen, maar zij heeft zijn hulpvraag voor het overige goed opgepakt. De vader heeft zich echter naar aanleiding van deze melding dusdanig opgesteld dat het volstrekt onmogelijk is geworden de zorgen over [minderjarige] op een volwassen manier te bespreken en aan te pakken. Hoewel de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft uitgesproken, heeft de vader deze naast zich neergelegd. Tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat BJZ, vanaf de aanvang van de ondertoezichtstelling, geen enkel contact heeft kunnen krijgen met de vader en [minderjarige], ook niet nadat aan de vader en [minderjarige] in verband hiermee een schriftelijke aanwijzing is gegeven. Met BJZ is het hof van oordeel dat [minderjarige] door de houding van de vader geen ruimte heeft kunnen voelen om contact op te nemen met de gezinsvoogd. De vader heeft een voorbeeldfunctie voor [minderjarige] en had als ouder behoren te laten zien dat problemen niet met een dergelijke opstelling worden opgelost. Het had op de weg van de vader gelegen in ieder geval een gesprek met BJZ aan te gaan om zijn visie op de ondertoezichtstelling te bespreken. Dat zowel de raad, BJZ en de vorige school slechts de visie van de moeder van belang achten, zoals de vader heeft gesteld, vindt geen enkele steun in de stukken. Het hof is bovendien van oordeel dat de vader door zijn houding onvoldoende heeft opengestaan voor de zorgen van [minderjarige], hetgeen volstrekt niet in het belang van [minderjarige] is. Daar komt bij dat de opstelling van de vader naar het oordeel van het hof een aanzienlijke rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de stress bij [minderjarige] rondom de ondertoezichtstelling, wat evenmin in het belang van [minderjarige] is.

4.9

Het ingrijpende karakter van de ondertoezichtstelling brengt mee dat er sprake dient te zijn van een ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van een kind. Al het voorgaande afwegende, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat daarvan thans geen sprake meer is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de zorgen op grond waarvan de ondertoezichtstelling is uitgesproken, grotendeels niet meer aanwezig zijn, althans zijn afgenomen. Het hof acht de resterende zorgen over [minderjarige], waaronder de problematische relatie tussen [minderjarige] en zijn moeder, alsmede het feit dat de vader onvoldoende open heeft gestaan voor de zorgen ten aanzien van [minderjarige], onvoldoende voor het laten voortduren van de ondertoezichtstelling. Het hof acht het daarbij van belang dat zij overtuigd is van de liefdevolle band tussen [minderjarige] en zijn vader, de vader zich zorgzaam toont en recent ook heeft laten zien in staat te zijn de schoolgang van [minderjarige] te waarborgen.

4.10

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als hierna vermeld.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover het de ondertoezichtstelling van [minderjarige] betreft over de periode met ingang van de datum van deze beschikking;

en in zoverre opnieuw beslissende:

wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige], geboren [in 1997], met ingang van de datum van deze beschikking;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. A.H. Garos en
mr. H.J. de Ruijter, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 februari 2014 in het bijzijn van de griffier.