Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10312

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
13/00369 en 13/00370
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1617, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zie ecli: NL:GHARL:2014:1375 & 1376:

"BZN-zaak. Verlengde navorderingstermijn niet van toepassing. Informatiebeschikking niet vereist als eerder de bewijslast reeds was omgekeerd. Stellen van vragen toelaatbaar. Nemo tenetur-beginsel niet geschonden. Identificatie op de juiste wijze geschied. Hoogte van de bepaling van de verzwegen inkomsten niet redelijk. Verlaging van de boete. Wegens samenhangende zaken geldt de aankondiging van de eerste boetebeschikking ook als criminal charge voor alle latere boetebeschikkingen. Verzoek dwangsom niet onredelijk laat gedaan. Verbeuring dwangsom. Alle beschikkingen vormen één zaak."

&

"BZN-zaak. Navordering. Schending evenredigheidsbeginsel. Aanslagen zijn niet met redelijke voortvarendheid opgelegd. Immateriële schadevergoeding. Alle zaken van belanghebbende tellen als één zaak. Periode van aanhouden wegens prejudiciële vragen blijft buiten aanmerking. Dwangsombepalingen niet van toepassing."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 13/00369 en 13/00370

uitspraakdatum: 18 februari 2014

nummer /

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Oost-Nederland van 21 februari 2013, nummers AWB 08/3113 en 08/3114, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn, met dagtekening 28 december 2007, een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1995 en een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting over het jaar 1996 opgelegd. Beide navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van 100 percent waarvan geen kwijtschelding is verleend. Bij beschikkingen is heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen inclusief de verhogingen en de beschikkingen heffingsrente. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen en de kwijtscheldingsbesluiten gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem. De rechtbank Oost-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft als opvolger van de rechtbank Arnhem het beroep voor zover het betrekking heeft op de onderhavige belastingaanslagen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaken betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2013 te Arnhem. Namens belanghebbende is daar verschenen mr. [A] . Namens de Inspecteur is verschenen [B] , bijgestaan door [C] en [D] .

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren [in] 1936 en gehuwd met [E] (hierna: mw. [E] ).

2.2.

Op 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen, gegevens verstrekt aan de FIOD-ECD, Team Internationaal, welke gegevens bij een huiszoeking in België in beslag waren genomen. De gegevens bestaan uit een Nota met twaalf bijlagen. De bijlagen behorende bij de Nota zijn genummerd als B1 tot en met B12.

2.3.

In de Nota van 18 februari 2005 staat vermeld dat het gegevens betreft van de bank [F] (hierna: [F] ). De twaalf bijlagen bevatten onder meer gegevens over bank- en beleggingsrekeningen, de standen van die rekeningen per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 en namen van rekeninghouders.

2.4.

Door de FIOD-ECD is een onderzoek ingesteld naar de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens, welk onderzoek zich heeft gericht op de – nadere – identificatie van de rekeninghouders. Daarbij zijn de ontvangen gegevens op geautomatiseerde wijze verwerkt waarbij de (vermoedelijke) gerechtigden nader werden geïdentificeerd en hun burgerservicenummer (ook wel: sofinummer) werd vermeld (“sofiëring”).

2.5.

De bewerkte gegevens zijn door de FIOD-ECD op 1 maart 2006 overgedragen aan een landelijke toezichtorganisatie, waarna voor een projectmatige aanpak is gekozen en het project Bank Zonder Naam (hierna: het project) van start is gegaan. Doel van het project is het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens om te komen tot een gelijke behandeling van de belastingplichtigen die het aangaat. Ten behoeve van het project is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het draaiboek) opgesteld. Het draaiboek bevat alle aspecten van het project. Het draaiboek zoals vastgesteld op 7 maart 2007 is in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt door middel van publicatie op de websites van de Belastingdienst en van het ministerie van Financiën.

2.6.

De resultaten van het identificatieproces zijn verspreid binnen de Belastingdienst, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bank en beleggingsrekeningen en de opbrengsten daarvan) alsnog bij de desbetreffende belastingplichtigen in de belastingheffing te betrekken.

2.7.

Bij de gegevens die door de Belgische autoriteiten zijn overgelegd bevinden zich renseignementen van 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 waarop is vermeld dat bij [F] een rekening wordt aangehouden op naam van ‘MR AND MRS [X/E] ’, met rekeningnummer [0000] . De Inspecteur heeft belanghebbende en zijn echtgenote geïdentificeerd als houders van deze rekening.

2.8.

Na daarover met belanghebbende te hebben gecorrespondeerd, heeft de Inspecteur aan belanghebbende de in geding zijnde navorderingsaanslagen opgelegd.

2.9.

[G] , opsporingsambtenaar Belastingdienst/FIOD‑ECD heeft met dagtekening 13 maart 2008 het volgende verklaard:

“In opdracht van het Management team van de FIOD‑ECD en de officier van justitie (…) heb ik een onderzoek ingesteld in de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens. In eerste instantie heeft het onderzoek zich gericht op de identificatie van rekeninghouders.

Vormen van identificatie

Er zijn twee vormen van identificatie geweest. Een identificatie aan de hand van per rekeninghouder beschikbare geïndividualiseerde informatie, als adres en telefoonnummer. Daar dit slechts voor ruim 200 rekeningen beschikbaar was heeft de overige identificatie tot op heden plaats gevonden aan de hand van geautomatiseerde identificatie. Dit proces-verbaal heeft betrekking op deze tweede vorm van identificatie.

Soorten tenaamstellingen

De gegevens van alle te naamgestelde rekeningen die genoemd staan op de van de Belgische autoriteiten ontvangen gegevens zijn verwerkt in een digitaal bestand. Er komen verschillende vormen van tenaamstelling van de rekening voor. (…)

Onderzoek tenaamstelling naar personen

Het cliëntenbestand (…) is (…) gematcht met de gegevens uit het systeem Beheer van Relaties (BVR). (…)

Matchen

Bestand enkele namen

Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit naam en letters, is gematcht met BVR op de vraag hoe vaak een naam, in combinatie met de voorletters in de volgorde zoals genoemd in de bronbestanden, voorkomt. (…)

Bestand dubbele namen

Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit een dubbele naam en in sommige gevallen voorzien van letters, is gematcht met het BVR op de vraag hoe vaak de combinatie van namen in het BVR, aan elkaar gekoppeld via een bestaande huwelijksrelatie, voorkomt. ”

2.10.

[H] , projectleider Landelijke toezichtsorganisatie bij de Belastingdienst, heeft met dagtekening 20 september 2011 het volgende verklaard:

“De periode tussen ontvangst van de gegevens van de Belgische autoriteiten en het starten van het daadwerkelijke project (d.m.v. het versturen van brieven aan belastingplichtige in maart 2007) kan getypeerd worden als voorbereidingsperiode. De identificatie en sofiëring van de rekeninghouders aan de hand van de renseignementen hebben voor een groot gedeelte plaatsgevonden door de dienstonderdelen (voorheen) de FIOD‑ECD en Belastingdienst/CPP. (…) Zoals hiervoor vermeld is op 1 maart 2005 de brief met dagtekening 18 februari 2005 van de Belgische Belastingautoriteiten binnengekomen bij het toenmalig Hoofd van de

Belastingdienst/FIOD‑ECD/Team Internationaal. Nadat diverse partijen zijn geïnformeerd over deze bulk aan informatie is bij de FIOD‑ECD capaciteit vrij gemaakt om de ontvangen gegevens te identificeren en te sofiëren.

Op dat moment was nog geen sprake van een project. Er bestond geen projectorganisatie en/of projectadministratie en er is naar mijn weten geen gedetailleerd overzicht bijgehouden waarin (bijvoorbeeld) de diverse werkzaamheden uitgebreid staan omschreven. (…)

Nadat alle interne betrokken partijen waren ingelicht, is gestart met het veredelen van de gegevens. Hiertoe zijn allereerst de ontvangen papieren documenten gedigitaliseerd, zodat vervolgens digitaal allerlei bestanden met elkaar konden worden vergeleken.

Voor een toelichting op de geautomatiseerde zoekslag (…) wil ik verwijzen naar het Procesverbaal Geautomatiseerde Identificatie, zoals die op 13 maart 2008 is opgemaakt. In de periode april 2005 - maart 2006 zijn voor deze identificatie slag veel bestanden gemaakt, variërend van 1 tot 26 per maand. Recente navraag (…) heeft mij een overzicht opgeleverd, waaruit blijkt dat er 80 bestanden (…) zijn gemaakt (…).

Naast de geautomatiseerde zoekslagen zijn er gedurende deze periode ook diverse handmatige zoekslagen geweest. (…)

Sofieer en identificeeractiviteiten vinden doorgaans door diverse mensen plaats, die onafhankelijk van elkaar werken. Bij twijfel worden steeds nieuwe zoekslagen gedaan, er is steeds met grote zorgvuldigheid geopereerd. ”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslagen en de beschikkingen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De in geding zijnde navorderingsaanslagen zijn niet opgelegd binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De Inspecteur heeft zich erop beroepen dat de navorderingsaanslagen betrekking hebben op inkomsten die zijn opgekomen, onderscheidenlijk op vermogen dat werd aangehouden in het buitenland, zodat de bevoegdheid tot navordering pas is vervallen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Belanghebbende stelt daartegenover dat de Inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen niet voortvarend heeft gehandeld, dat de verlengde navorderingstermijn in zoverre buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het Europese recht en dat de navorderingsaanslagen daarom moeten worden vernietigd.

4.2.

Het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie verzet zich er niet tegen dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan (Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08, LJN BI8987 (X en E.H.A. Passenheim-van Schoot), en Hoge Raad 26 februari 2010, nr. 43.050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092).

4.3.

In verband met het vorenoverwogene is van belang op welk tijdstip de Nederlandse belastingautoriteiten de beschikking kregen over aanwijzingen van het bestaan van (de inkomsten uit) de vermogensbestanddelen waarop de in geding zijnde navorderingsaanslagen betrekking hebben.

4.4.

Bij de beoordeling van deze vraag stelt het Hof voorop dat naar zijn oordeel de FIOD‑ECD in dezen heeft te gelden als (onderdeel van) de belastingautoriteit en dat – bij de beantwoording van de vraag of met redelijke voortvarendheid een aanslag is opgelegd – in dit geval het handelen van de FIOD-ECD aan de Inspecteur moet worden toegerekend. Het Hof volgt derhalve de Inspecteur niet in zijn standpunt dat in dezen slechts van belang is op welk moment hij, als inspecteur die werkzaam is op het regiokantoor waaronder belanghebbende ressorteerde (artikel 3, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003) bekend werd met het buitenlandse tegoed. Uitgangspunt in het genoemde arrest van het HvJ EU is immers dat de verlengde navorderingstermijn een inbreuk is op het vrije verkeer die slechts onder strikte voorwaarden is toegestaan. Dit betekent dat de inbreuk, als het ware, zo klein mogelijk moet worden gehouden. Dit staat op gespannen voet met de stelling dat slechts de handelwijze van de inspecteur (als bedoeld in de genoemde Uitvoeringsregeling) relevant zou zijn in een geval als het onderhavige waarin, naar uit de in 2.2 genoemde feiten voortvloeit, de FIOD-ECD niet als opsporingsinstantie maar als gegevensverwerker ten behoeve van de Belastingdienst, is ingeschakeld. Anders dan de Inspecteur verdedigt, kan het tegendeel niet uit het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2010, nr. 42.511bis, ECLI:NL:HR:2010:BM3304, worden afgeleid. Dat arrest had betrekking op een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD-ECD, maar zelfs in dat geval laat de Hoge Raad de mogelijkheid open dat vertraging door die opsporingsinstantie aan een inspecteur wordt toegerekend. De door de Inspecteur geciteerde rechtsoverweging 2.2.3. uit dat arrest eindigt immers met de volgende, door de Inspecteur in zijn citaat niet opgenomen, passage:

“Voorts verdient nog opmerking dat belanghebbende niet heeft gesteld dat het strafrechtelijk onderzoek langer heeft geduurd dan noodzakelijk was voor het verkrijgen van de benodigde inlichtingen. Ook indien bij het onder 2.1.2 bedoelde tijdsverloop mede acht zou worden geslagen op de met dat onderzoek gemoeide tijd, zou dit hem derhalve niet hebben kunnen baten.”

4.5.

Ook is het Hof van oordeel dat met de ontvangst in februari 2005 van de hiervoor vermelde gegevens van de Belgische autoriteiten de FIOD‑ECD, en daarmee de Nederlandse belastingautoriteit, beschikte over aanwijzingen als hiervoor in 4.2 bedoeld. Op basis daarvan heeft de Belastingdienst immers belanghebbende en zijn echtgenote geïdentificeerd als rechthebbenden op (de inkomsten uit) deze tegoeden. Meer of andere aanwijzingen waren daarvoor niet noodzakelijk. Het Hof merkt daarbij nog op dat het begrip “aanwijzing” een ruimere inhoud heeft dan het begrip “feit” waarop de Inspecteur met zijn verwijzing naar artikel 16 van de AWR en daarop gebaseerde jurisprudentie doelt. Om als aanwijzing in vorenbedoelde zin te kunnen gelden waren de uit België afkomstige gegevens voldoende concreet. Anders dan de Inspecteur meent, kan de eis dat aanwijzingen pas voldoende concreet zijn indien een belastingplichtige volledig, inclusief burgerservicenummer, is geïdentificeerd, niet uit de jurisprudentie worden afgeleid, ook niet uit de uitspraak van dit Hof van 6 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV9112.

4.6.

Naar ’s Hofs oordeel geldt – gelet op het hiervoor vermelde arrest X en Passenheim-van Schoot – de eis van voortvarend handelen ook bij de verwerking van deze aanwijzingen door de FIOD-ECD. Daarbij moeten, zoals de Inspecteur terecht bepleit, doeltreffendheid, snelheid en zorgvuldigheid met elkaar in balans zijn. Met inachtneming van die factoren, moet voortvarend worden gehandeld. De eis van voortvarend handelen geldt voortdurend, gedurende alle fasen van de ontvangst van de gegevens tot het vaststellen van de belastingaanslagen. De belastingautoriteiten moet voor het verwerken van de aangeleverde gegevens een redelijke verwerkingstijd worden gegund (vgl. Hoge Raad van 27 mei 1992, nr. 28.101, BNB 1992/303). Daartoe behoort in ieder geval de tijd die noodzakelijkerwijs is gemoeid met het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting.

4.7.

Belanghebbende betwist dat de Nederlandse belastingautoriteiten voortvarend hebben gehandeld. In verband daarmee heeft de Inspecteur een overzicht gegeven van de handelingen die hij en de FIOD‑ECD hebben verricht tussen de ontvangst van de gegevens in februari 2005 en de vaststelling van de in geding zijnde navorderingsaanslagen in december 2007.

4.8.

De Inspecteur heeft verklaard dat verschillende perioden kunnen worden onderscheiden. In de onderzoekfase (tot maart 2006), hebben de volgende werkzaamheden plaatsgevonden: opstarten van behandeling, veredelen van de ontvangen gegevens en identificeren en sofiëren van rekeninghouders. De Inspecteur heeft verwezen naar de hiervoor onder 2.9 en 2.10 aangehaalde verklaringen. In de besluit en inrichtingsfase (maart tot augustus 2006) is overleg geweest, hebben besprekingen plaatsgevonden en is afgestemd met het ministerie van Financiën. In de projectfase (augustus 2006 tot maart 2007) is een projectteam samengesteld, zijn een projectorganisatie en een projectapplicatie opgezet, is een draaiboek opgesteld, zijn bijeenkomsten voor regiotrekkers georganiseerd, zijn ontvangen gegevens geverifieerd, zijn posten voor mogelijk strafrechtelijk onderzoek geselecteerd en is in overleg met de Landsadvocaat gestart met de voorbereiding van civiele kortgedingprocedures. In maart 2007 zijn de gegevens overgedragen aan de bevoegde inspecteur. Daarna is belanghebbende bij brief van 7 maart 2007 voor het eerst benaderd en zijn uiteindelijk de navorderingsaanslagen opgelegd, aldus nog steeds de Inspecteur.

4.9.

In de periode tussen februari 2005 (ontvangst van de gegevens) en maart 2006 is de behandeling opgestart en zijn de gegevens veredeld, door daaraan persoonsgegevens, waaronder sofinummers, toe te voegen. Uit de hiervoor onder 2.10 aangehaalde verklaring volgt dat een geautomatiseerde zoekslag heeft plaatsgevonden, waarop ook de hiervoor onder 2.9 aangehaalde verklaring betrekking heeft, en daarnaast diverse handmatige zoekslagen. De geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door één EDP-medewerker die daaraan, zo heeft de Inspecteur eerder in op dit punt identieke zaken verklaard, een gedeelte van zijn werktijd heeft besteed (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA2824). Op grond van de beschrijving van de werkzaamheden zoals deze uit de verschillende verklaringen naar voren komt, is het het Hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk waarom deze fase meer dan een jaar heeft moeten duren. Het Hof acht niet aannemelijk dat daarmee bij een voortvarende behandeling noodzakelijkerwijs meer dan hooguit enkele maanden zou zijn gemoeid. De Inspecteur heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat niet meer tijd is genomen dan noodzakelijkerwijs was gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die hem ter beschikking stonden. Derhalve moeten de navorderingsaanslagen worden vernietigd.

4.10.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Uit het in 4.9 gegeven oordeel volgt dat het hoger beroep ook in zoverre gegrond is.

5 Immateriële schadevergoeding

5.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de behandeling van het onderhavige geschil langer heeft geduurd dan redelijk is. Hij heeft, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, 09/05112, ECLI:NL:HR:2011:BO5080, en 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, aanspraak gemaakt op een vergoeding van de door hem daardoor geleden (immateriële) schade. De Rechtbank heeft het beroep, voor zover het betrekking heeft op de onderhavige belastingaanslagen, ongegrond verklaard en, naar het Hof begrijpt, het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen omdat met betrekking tot deze belastingaanslagen de redelijke termijn niet is overschreden.

5.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald al hetgeen hij reeds in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. De Inspecteur heeft de berekening van de redelijke termijn door de Rechtbank bestreden.

5.3.

Met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade volgt, zoals ook de Rechtbank heeft overwogen, uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011 nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaats dient te vinden. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie (vergelijk EHRM 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi tegen Italië, JB 2006/134), wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft dan te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

5.4.

De aard van de onderhavige zaak, het aantal jaren waarop de procedures betrekking hebben (het Hof verwijst naar de andere uitspraken op het hoger beroep van belanghebbende waarin het Hof heden eveneens uitspraak doet) en de variatie in de in te nemen standpunten naargelang de soort van de belastingaanslag en de belasting of de boete, maken dat sprake is van een complexe zaak. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank daaraan terecht de conclusie verbonden dat in dit geval, bij het beantwoorden van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, een periode van twaalf maanden buiten beschouwing moet worden gelaten (het Hof zal hierna spreken over een verlenging van de redelijke termijn). Het Hof heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat een artikel 8:29 procedure is gevoerd en de Rechtbank in een tussenuitspraak belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld tot het leveren van nader bewijs.

5.5.

Het geding met betrekking tot de onderhavige belastingaanslagen betreft onder meer de toelaatbaarheid van de zogenoemde verlengde navorderingstermijn als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de AWR. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 april 2010, nr. 07/10306, ECLI:NL:HR:2010:BJ8465, geoordeeld dat de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie niet moet worden meegerekend. In dit arrest is aan de op deze grond gerechtvaardigde verlenging van de redelijke termijn niet de voorwaarde verbonden dat partijen is meegedeeld dat de zaak is aangehouden (vgl. ABRvS 29 januari 2014, 201302106/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:188). Daarom zal het Hof aan het achterwege blijven van die mededeling in dit geval, geen gevolgen verbinden (vgl. rechtsoverweging 4.5 in de genoemde uitspraak van de ABRvS). Nu de vragen in het in 4.2 genoemde arrest Passenheim-Van Schoot door de Hoge Raad bij arrest van 21 maart 2008 aan het HvJ EU zijn voorgelegd kan naar het oordeel van het Hof bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de redelijke termijn is overschreden de periode die is verstreken tot het moment waarop de Hoge Raad in dezen arrest wees op 26 februari 2010 buiten aanmerking blijven omdat met de duur van die periode een verlening van de redelijke termijn gerechtvaardigd is te achten. De verlenging van de redelijke termijn op deze grond bedraagt derhalve – in beginsel – afgerond 23 maanden. Per geval kan de verlenging echter verschillen omdat slechts kan worden meegeteld dat gedeelte van deze periode dat ligt tussen de aanvang en het einde van de redelijke termijn per fase die moet worden beoordeeld.

5.6.

Het standpunt van belanghebbende dat op de in 5.4 en 5.5 genoemde gronden de redelijke termijn niet kan worden verlengd omdat dat niet aan belanghebbende kan worden toegeschreven, wordt door het Hof niet onderschreven. Indien een verlenging van de redelijke termijn als hier aan de orde wordt aangenomen is niet van belang of dit aan een der partijen is toe te rekenen. De verlenging vloeit voort uit de aard van de procedure als zodanig.

5.7.

Belanghebbende heeft niet bestreden dat een verlenging van de redelijke termijn met zes maanden moet plaatsvinden vanwege zijn proceshouding. Nu dit oordeel van de Rechtbank het Hof niet onjuist voorkomt, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

5.8.

De termijn die moet worden beoordeeld voor het antwoord op de vraag of de redelijke termijn is overschreden, is in de onderhavige zaak aangevangen met het indienen van het bezwaarschrift op 28 januari 2008. De Rechtbank deed uitspraak op 21 februari 2013. De fase van bezwaar en beroep in eerste aanleg besloeg derhalve een periode van 61 maanden.

5.9.

Gelet op het voorgaande kan in dit geval de redelijke termijn gesteld worden op (24 + 12 + 21 + 6 ofwel) 63 maanden. Hieruit volgt dat in dit geval de redelijke termijn niet is overschreden.

5.10.

Het hogerberoepschrift is door het Hof ontvangen op 28 maart 2013. Gelet op de sedert die datum tot aan de onderhavige uitspraak verstreken tijd, wijst het Hof het verzoek ook af voor zover het de hogerberoepprocedure betreft.

6 Kosten

6.1

De onderhavige procedures en de overige procedures ten name van belanghebbende en ten name van de weduwe van zijn broer en diens overige erfgenamen, betreffen alle de belastbaarheid van in het buitenland aangehouden vermogensbestanddelen en de inkomsten daaruit. Het betreft de zaken die bij het Hof bekend zijn onder de rolnummers 12/00229, 12/00230, 13/00286, 13/00288 tot en met 13/00315, 13/00369 tot en met 13/00373, 13/00375 tot en met 13/00404, 13/00406 tot en met 13/00410, 13/00446, 13/00448, 13/00449 en 13/00467. Naar het oordeel van het Hof kunnen, voor de beoordeling van de omvang van de proceskostenvergoeding, deze zaken als samenhangend worden aangemerkt (artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht). De standpunten van de partijen zijn in alle zaken – nagenoeg – gelijkluidend, worden bijna steeds in één geschrift (in voorkomend geval voor meer dan één belanghebbende gezamenlijk) aangevoerd en – eveneens bijna steeds – in alle zaken gelijktijdig. Uitzonderingen daarop berusten min of meer op toeval. Op verzoek van partijen is de behandeling door het Hof van de twee eerstgenoemde zaken aangehouden totdat de Rechtbank in de overige zaken had beslist zodat de behandeling van alle zaken door het Hof gelijktijdig zou kunnen plaatsvinden.

6.2

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen grieven aangevoerd tegen het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de proceskostenvergoeding. De door de Inspecteur aangevoerde grieven tegen de proceskostenveroordeling in de met deze zaak samenhangende zaken, zijn door het Hof afgewezen. Gelet daarop en op de omstandigheid dat de Rechtbank aan belanghebbenden in de samenhangende zaken (rolnummers van de Rechtbank 08/3113, 08/3114 en 12/88) een proceskostenvergoeding heeft toegekend, kent het Hof geen proceskostenvergoeding toe voor de kosten tot en met de fase in eerste aanleg.

6.3

Gelet op het aantal opgelegde aanslagen en de daarmee verband houdende beschikkingen, en de diversiteit van de geschilpunten in de verschillende jaren die partijen verdeeld hebben gehouden, is het Hof van oordeel dat sprake is van een zware zaak zodat het Hof voor het gewicht van de zaak een wegingsfactor van 1,5 zal toepassen.

6.4

Het Hof stelt de proceskosten in hoger beroep, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor alle samenhangende zaken vast op 2 (proceshandelingen) maal € 487 (tarief per punt) maal 1,5 (samenhangende zaken) maal 1,5 (gewicht van de zaken), ofwel op € 2.192. Nu in deze procedures twee staken zijn te onderkennen rekent het Hof daarvan toe aan belanghebbende de helft, ofwel € 1.096, een kwart aan de weduwe van de broer van belanghebbende en een kwart aan diens overige erfgenamen.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de onderhavige navorderingsaanslagen;

  • -

    verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen en de kwijtscheldingsbesluiten, alsmede de heffingsrentebeschikkingen;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.096, en

  • -

    gelast de Staat het griffierecht van € 2 x € 39 = € 78 (procedure Rechtbank) en € 118 (procedure Hof) aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, J. van de Merwe en R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(J.L.M. Egberts)

(J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 februari 2014

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.