Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10303

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
07-05-2015
Zaaknummer
200.160.425
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/155

Uitspraak

Wrakingskamer

Klachtnummer: K14/0551

Wrakingsnummer: 200.160.425

Uitspraakdatum: 16 december 2014

Beslissing gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door

[verzoeker],

domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsvrouw.

De procedure

Verzoeker heeft samen met nog drie (rechts)personen op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering een beklag ingediend tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen vier (voormalige) rechters. Op 30 oktober 2014 werd dit beklag in raadkamer behandeld. Tijdens die behandeling is namens verzoeker om wraking verzocht van de voorzitter van de beklagkamer, mr. R. van den Heuvel.

Mr. Van den Heuvel heeft niet in de wraking berust en heeft bij schriftelijke reactie van 18 november 2014 gereageerd op het wrakingsverzoek.

De wrakingskamer heeft ter zitting van 2 december 2014 gehoord mr. Zegveld, de raadsvrouw van verzoeker, en de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het wrakingsverzoek.

Ontvankelijkheid

De wrakingskamer acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.

De gronden van het verzoek tot wraking

Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is - kort gezegd - het volgende aangevoerd.

Tijdens de beklagzitting van 30 oktober 2014 voerde verzoeker - na het pleidooi van zijn raadsvrouw, die op die zitting als gemachtigde van verzoeker optrad - het woord overeenkomstig zijn op schrift gestelde en aan het hof overgelegde tekst met de titel “Waarom beschermt Justitie foute rechters?”. Het begin van die notitie ging niet direct over de beklagzaak tegen de vier (voormalige) rechters in de rechtbank Haarlem, maar over de situatie in de rechtbank Den Haag. Bij deze rechtbank hebben tal van procedures gelopen over de eigendom van de grond rondom Schiphol, bij de rechtbank Haarlem over de bebouwing van de grond. De procedures bij beide rechtbanken zijn nauw verbonden met elkaar. In de ogen van verzoeker was ook de rechtbank Den Haag wel degelijk van belang. Dat had de voorzitter moeten weten en begrijpen, aldus de raadsvrouw. Gedurende dit deel van zijn verklaring onderbrak de voorzitter de verzoeker en vroeg hij hem ter zake te komen. Korte tijd later onderbrak de voorzitter hem opnieuw met de woorden dat als hij zo door zou gaan, hem het woord zou worden ontnomen. Daarop verliet verzoeker boos de zittingzaal. Vervolgens verzocht de raadsvrouw de voorzitter om de zitting te schorsen. De voorzitter stond dit toe met de opmerking dat het verzoeker na de schorsing niet zou zijn toegestaan om nogmaals het woord te voeren. De raadsvrouw heeft betoogd dat het ontnemen van het woord niets met de orde te maken had - zoals gesteld door mr. Van den Heuvel in voornoemde brief - maar alles met de inhoud van de zaak. Het feit dat verzoeker na de schorsing niet nogmaals het woord mocht voeren, wijst hier ook op. Reeds voor de schorsing had de voorzitter verzoeker definitief het woord ontnomen. Dit had volgens de raadsvrouw niet gehoeven. Na de schorsing zou de orde toch hersteld moeten zijn. Klager had met zijn raadsvrouw kunnen overleggen. Hij had zijn verklaring op papier gezet en deze van te voren overgelegd. De voorzitter had kunnen zien dat klager al snel op de Haarlemse rechtbank zou komen. De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat het op zodanige wijze ontnemen van het woord, voldoende is om het wrakingsverzoek toe te wijzen.

Ter onderbouwing van het verzoek is ook nog aangevoerd dat - volgens de raadsvrouw - de voorzitter, voordat hij de verzoeker het woord ontnam, twee negatieve uitlatingen jegens de verzoeker en zijn raadsvrouw had gemaakt. De eerste uitlating was aan het einde van het pleidooi. De voorzitter vroeg aan de raadsvrouw om af te ronden. De voorzitter stond toe dat de raadsvrouw nog enkele zinnen uitsprak, onder toevoeging van de woorden: “Dan hebben we het maar gehad.” De tweede negatieve uitlating, na de eerste onderbreking van verzoeker en diens reactie dat hij na jaren wachten graag thans zijn verhaal zou willen vertellen, betreft de opmerking van de voorzitter dat de vertraging van de behandeling van de beklagzaak aan hem zelf te wijten was door “al het gedoe over de bevoegdheid van het hof”.

De beoordeling van het verzoek tot wraking

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De wrakingskamer stelt voorts voorop dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen - de verzoeker onwelgevallige - beslissingen van de zittingsrechter, waaronder beslissingen met betrekking tot de orde op de zitting.

Het gaat in de onderhavige beklagzaak om beweerdelijke onregelmatigheden bij een wisseling van rechters in 2006 in één van de zogenaamde Chipsholzaken bij de rechtbank Haarlem. Omtrent de gang van zaken zouden volgens verzoeker de beklaagden - vier (voormalige) rechters - meinedige verklaringen hebben afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris in het gerechtshof Amsterdam. Die verhoren vonden plaats op 29 en 30 juni 2011.

De wrakingskamer stelt op grond van het zittingsproces-verbaal, de brief van de raadsvrouw van 31 oktober 2014 aan mr. R. Van den Heuvel, de reactie van mr. Van den Heuvel op het wrakingsverzoek van 18 november 2014 en het verhandelde ter zitting van de wrakingskamer het volgende vast met betrekking tot de gang van zaken op de beklagzitting van 30 oktober 2014.

Na het pleidooi van de raadsvrouw die daar als gemachtigde van verzoeker optrad, voerde de verzoeker het woord overeenkomstig zijn op schrift gestelde en aan het hof overgelegde tekst met de titel “Waarom beschermt Justitie foute rechters?”. Aan het begin van die verklaring onderbrak de voorzitter verzoeker en vroeg hij hem om ter zake te komen. Verzoeker droeg op dat moment een passage voor uit een artikel van de Nationale Ombudsman in het Nederlands Juristenblad over “De instrumentele rechter” naar aanleiding van de Chipsholzaak en een mogelijke ernstige cultuurfout bij de Haagse rechtbank waardoor de onpartijdigheid is aangetast. Daarop ging verzoeker verder met zijn verklaring. Toen hij aan punt 4 van zijn schriftuur was begonnen dat handelde over strafbare gedragingen van een rechter in de rechtbank Den Haag, onderbrak de voorzitter hem opnieuw en zei hij daarbij opnieuw dat verzoeker zich tot de onderhavige zaak diende te beperken en hem anders het woord zou worden ontnomen. Daarop verklaarde verzoeker geen enkel vertrouwen meer te hebben in de rechterlijke macht en verliet hij mopperend de zittingzaal. De raadsvrouw verzocht de voorzitter vervolgens om de zitting te schorsen. De voorzitter stond dat toe met de opmerking dat verzoeker na de schorsing niet nogmaals het woord zou mogen voeren. Toen het onderzoek na de onderbreking werd hervat, deed de raadsvrouw namens verzoeker het wrakingsverzoek.

De wrakingskamer acht het niet onbegrijpelijk dat de voorzitter verzoeker onderbrak en hem verzocht om ter zake te komen. Het begin van zijn verklaring lijkt immers weinig te maken te hebben met de inhoud van de onderhavige beklagzaak tegen de vier beklaagden. Bovendien is zijn op schrift gestelde verklaring weliswaar aan het hof overgelegd, maar niet is duidelijk geworden of deze slechts aan de griffier is overgelegd of ook aan de voorzitter. Dat blijkt niet uit het zittingsproces-verbaal en ook de raadsvrouw kon zich dat niet meer herinneren. Derhalve dient de wrakingskamer er van uit te gaan dat de voorzitter niet wist hoe lang de verklaring van verzoeker nog zou duren en ook niet wist in hoeverre de inhoud van het nog niet voorgedragen gedeelte van verzoekers verklaring wel de onderhavige beklagzaak zou betreffen. Het meermalen onderbreken van verzoeker en hem verzoeken om ter zake te komen, wijst derhalve niet op vooringenomenheid van de voorzitter.

De wrakingskamer is echter van oordeel dat de wijze waarop de voorzitter verzoeker definitief het woord heeft ontnomen, wel wijst op vooringenomenheid. Verzoeker was net begonnen met zijn verklaring en die verklaring zou niet lang duren. Dat het niet lang zou duren, was tevoren door de raadsvrouw aangekondigd. De verklaring was bovendien overgelegd aan het hof en de voorzitter had (via de griffier) eenvoudig de beperkte omvang van deze verklaring (nog geen drie pagina’s) en verdere inhoud (die al vanaf het eind van de eerste pagina over de rechtbank Haarlem ging) kunnen vaststellen. Verzoeker had eerder in deze procedure nog niet het woord gevoerd. Door de verzoeker reeds vóór de onderbreking definitief het woord te ontnemen, konden verzoeker en zijn raadsvrouw tijdens de onderbreking niet meer met vrucht met elkaar overleggen over de wijze waarop verzoeker verder het woord zou kunnen voeren om te voorkomen dat hem het woord zou worden ontnomen. De beoordeling van deze gang van zaken kan niet los gezien worden van de voorgeschiedenis van de onderhavige zaak en het feit dat het hier een gevoelige procedure betreft tegen vier (voormalige) rechters. Nu het om een - voor het vertrouwen in de onpartijdigheid van de rechtspraak niet onbelangrijke - beklagzaak gaat, waarbij tegen de beslissing geen rechtsmiddel openstaat, is de zitting de enige mogelijkheid voor verzoeker om het beklag nader toe te lichten. Door de zware, en in een beklagzaak ultieme sanctie van het ontnemen van het woord na een verloop van de behandeling ter zitting als hiervoor aangegeven is er naar het oordeel van de wrakingskamer sprake van een omstandigheid die zwaarwegende aanwijzingen oplevert voor een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid van de voorzitter jegens verzoeker. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

BESLISSING

Het hof (wrakingskamer):

Wijst het verzoek tot wraking van mr. R. van den Heuvel toe.

Aldus gewezen door

mr. Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mrs. W.L. Valk en R.F.C. Spek, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok, griffier,

en op 16 december 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.