Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10276

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
29-01-2015
Zaaknummer
200.133.947
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2287, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen buitencontractuele zorgplicht van bank jegens derde.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2015/33
NJF 2015/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem/Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.133.947

(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland C/05/229745/Ha ZA 12-340)

arrest van de eerste kamer van 16 december 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante] ,

gevestigd te [plaatsnaam],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. H. Oosterhuis,

tegen:

de coöperatie

de coöperatieve Rabobank Woudenberg-Lunteren U.A.,

gevestigd te Lunteren,

geïntimeerde,

hierna: de Rabobank,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 1 augustus 2012 en 30 januari 2013 die de rechtbank Arnhem respectievelijk Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem tussen [appellante] als eiseres en de Rabobank als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 26 april 2013,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- een akte uitlating producties van 17 juni 2014 aan de zijde van [appellante].

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.16 van het vonnis van 30 januari 2013.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellante] verwijt de Rabobank dat zij aan [persoon 1] in 2007 en 2008 een hypothecaire lening en verdere financiering heeft verstrekt, terwijl zij gelet op de financiële situatie van [persoon 1] bij verstrekking van die financiering had kunnen weten dat besteding van dit krediet door [persoon 1] zou leiden tot financiële problemen en tot het onbetaald laten van zijn crediteuren, waaronder [appellante], die als aannemer van het te bouwen huis van [persoon 1] optrad. Hierdoor heeft de Rabobank volgens [appellante] jegens haar een bijzondere zorgplicht geschonden, daarmee onrechtmatig gehandeld en dient zij de schade van [appellante], bestaande onder meer uit door [persoon 1] onbetaald gelaten facturen, te vergoeden.

De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen. [appellante] heeft daartegen twee grieven gericht die hieronder gezamenlijk zullen worden besproken.

4.2

De eerste grief stelt de vraag aan de orde of de Rabobank in dit geval een buitencontractuele zorgplicht jegens [appellante] heeft geschonden. De maatschappelijke functie van banken kan een bijzondere zorgplicht meebrengen, niet alleen jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, maar ook jegens derden met wier belangen rekening behoort te worden gehouden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval (Mees Pierson/Ten Bos HR 9 januari 1998 ECLI:NL:HR:1998:ZC2536 en Safe Haven I HR 23 december 2005 ECLI:NL:HR:2005: AU3713).

4.3

Hetgeen [appellante] de Rabobank met name verwijt is dat zij lichtvaardig krediet aan [persoon 1] heeft verstrekt, zowel een te hoge financiering, gelet op de financiële positie van [persoon 1], als wel een niet passende financiering (een zogenaamde Keuze Plus hypotheek, een flexibel krediet waarbij geld kan worden opgenomen tot een overeengekomen limiet, met als zekerheid een hypotheek). De lening die bedoeld was voor de financiering van de te bouwen woning, aldus [appellante], kon door [persoon 1] daardoor gebruikt worden voor andere doeleinden, hetgeen ook gebeurd is.

4.4

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de Rabobank niet onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de norm die overkreditering verbiedt strekt tot bescherming van degene aan wie de financiering wordt verstrekt (in dit geval [persoon 1]) en niet bedoeld is voor de bescherming van derden met wie de bank geen enkele band heeft, zoals willekeurige crediteuren van de kredietnemer (in dit geval [appellante]). Dit kan mogelijk anders zijn in bijzondere omstandigheden. In de hiervoor genoemde arresten ging het om de schending van belangen van aan de cliënt van de bank nauw gerelateerde derden (de minderjarige dochters van de cliënte van de bank in Mees Pierson/Ten Bos) of om een cliënt die beleggers dupeerde terwijl hij als beleggingsadviseur financieel publiekrechtelijke bepalingen schond (die mede strekken ter bescherming van de belangen van derden), terwijl de bank zich dat op een zeker moment heeft gerealiseerd (Safe Haven). Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in dit geval niet gesteld. Met name is niet gesteld of gebleken dat de Rabobank op enigerlei wijze betrokken was bij de overeenkomst tussen [persoon 1] en [appellante] en er dus rekening mee had moeten houden dat de aannemer gedupeerd zou worden als [persoon 1] het geld voor andere doeleinden zou aanwenden dan de door [appellante] te bouwen woning. [appellante] heeft ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de overeenkomst van [appellante] met [persoon 1] is gesloten op basis van de financiering van de Rabobank. Daarmee kan niet aangenomen worden dat [appellante] is afgegaan op een door de Rabobank (of mede door haar) gewekte schijn van kredietwaardigheid. De Rabobank heeft aangevoerd dat de financiering is verstrekt gedeeltelijk ter financiering van de aan te kopen woning en gedeeltelijk ter aanvulling van inkomen (en/of als lastenverlaging), met als basis de te realiseren waarde van de te bouwen woning en niet het inkomen van [persoon 1]. Dit blijkt ook expliciet uit de tekst van de offerte, waarin tevens de eis is opgenomen dat [persoon 1] eigen middelen zou inbrengen.

4.5

De door [appellante] getrokken parallel met de aansprakelijkheid die in bepaalde gevallen in de jurisprudentie wordt aangenomen van de bestuurder van een vennootschap jegens crediteuren van die vennootschap gaat alleen daarom al niet op, omdat de crediteuren van die vennootschap wel behoren tot de kring van personen wier belangen worden beschermd door de in die gevallen geschonden norm.

4.6

[appellante] heeft voorts gesteld dat de Rabobank meer zicht had dienen te houden op de besteding van de financiering door [persoon 1], bijvoorbeeld door het verplicht stellen van een bouwdepot. De Rabobank heeft aangevoerd dat de bouwkosten van de door [persoon 1] te bouwen woning volgens haar informatie zouden worden voldaan uit de opbrengst van de verkoop van een ander aan [persoon 1] toebehorend pand; om die reden is het aanhouden van een bouwdepot niet overeengekomen. [appellante] heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat dit anders was. Ook al zou dit anders zijn, zoals [appellante] betoogt, dan nog kan dit enkele feit geen basis vormen voor het aannemen van aansprakelijkheid van de Rabobank. Weliswaar was het vereisen van een bouwdepot, zowel voor de Rabobank als voor [appellante] (zeker achteraf gezien), verstandig geweest, maar niet in te zien valt dat het nalaten daarvan een schending van de zorgplicht van de Rabobank ten opzichte van [appellante] vormt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van een bank gevergd kan worden dat zij toezicht houdt op de besteding van door financiering verstrekte gelden. Ook de tweede grief faalt daarmee.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Rabobank zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 683,-

- salaris advocaat € 894,- (1 punt x tarief 894,-)

Totaal € 1.577,-

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland (zittingsplaats Arnhem) van 30 januari 2013;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Rabobank vastgesteld op € 683,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, L.J. de Kerpel-van de Poel en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.