Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10250

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
200.153.473-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeraar weigert vergoeding van de brandschade omdat uit onderzoek zou blijken dat de verzekerde betrokken was bij de brandstichting. De claim van de verzekerde is in eerste aanleg afgewezen, waartegen hoger beroep is aangetekend. Hangende het hoger beroep heeft de verzekerde aan het hof gevraagd om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Het hof overweegt dat een voorlopig getuigenverhoor voor een partij nodig kan zijn om de proceskansen in te schatten en zijn strategie te bepalen. In dit geval heeft de verzekerde al een memorie van grieven in het appel (in de bodemzaak) heeft genomen. Daarmee heeft de verzekerde zijn procespositie reeds bepaald. Van bijzondere omstandigheden om desalniettemin een voorlopig getuigenverhoor te gelasten, is niet gebleken. Het verzoek is daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/147

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.153.473/01

beschikking van de eerste kamer van 23 december 2014

in de zaak van

1 [appellant 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: [appellant 1],
en haar vennoten,
2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats],
hierna: de heer [appellant 2],
3. [appellant 3],
wonende te [woonplaats],
hierna: mevrouw [appellant 3],
verzoekers,
hierna gezamenlijk: [appellanten],
advocaat: mr. J. Backx, kantoorhoudend te Rotterdam,

tegen

ABN AMRO Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Zwolle,

verweerster,

hierna: ABN AMRO,

advocaat: mr. L. Schuurs, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het procesverloop

1.1

[appellanten] hebben bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 juli 2014, verzocht aangaande de in het verzoekschrift omschreven feiten en omstandigheden een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.

1.2

ABN AMRO heeft bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 oktober 2014, verweer gevoerd tegen het verzoek.

1.3

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 november 2014.

1.4

Ten slotte is de beschikking bepaald op heden.

2
2 De beoordeling

2.1

Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.

2.2

De heer [appellant 2] en mevrouw [appellant 3] exploiteren sinds 1993 de sportschool [appellant 1] in [vestigingsplaats]. In 2003 is de sportschool ondergebracht in een vennootschap onder firma, eveneens genaamd [appellant 1], waarvan de heer [appellant 2] en mevrouw [appellant 3] vennoten zijn. Daarnaast zijn de heer [appellant 2] en mevrouw [appellant 3] sinds 2003 vennoten in de vennootschap onder firma [X] (hierna: [X]), welke in een aan [appellant 1] aangrenzend pand een kinderspeelparadijs en een partycentrum exploiteert.

2.3

Eind 2007 is er op naam van [appellant 1] en [X] een verzekeringsovereenkomst gesloten met ABN AMRO.

2.4

Begin 2010 heeft een brand het pand, waarin [X] was gevestigd, geheel verwoest. Naar aanleiding daarvan heeft ABN AMRO een bedrag uitgekeerd ter vergoeding van de schade. Vervolgens is het pand van [X] herbouwd.

2.5

Op 13 maart 2012 heeft er een brand gewoed in het pand waarin [appellant 1] was gevestigd. ABN AMRO heeft geweigerd een bedrag uit te keren ter vergoeding van de schade. ABN AMRO stelt zich op het standpunt dat uit het gevoerde onderzoek blijkt dat er sprake is van brandstichting waarbij [appellanten] betrokken zijn.

2.6

[appellanten] hebben een procedure (zaak-/rolnummer C/08/138085 / HA ZA 13-173) gevoerd tegen ABN AMRO, welke heeft geleid tot het vonnis van 12 maart 2014 van de rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Zwolle (hierna: de rechtbank).
2.7 In bedoeld vonnis heeft de rechtbank de conventionele vordering van [appellanten] – veroordeling van ABN AMRO tot uitkering van een bedrag ter vergoeding van de brandschade – afgewezen. De rechtbank heeft de reconventionele vordering van ABN AMRO – veroordeling van [appellanten] tot vergoeding van door haar gemaakte kosten – gedeeltelijk toegewezen. [appellanten] zijn van het vonnis van de rechtbank van 12 maart 2014 in hoger beroep gekomen. Het appel is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.153.723.
2.8 [appellanten] verzoeken het hof een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Hiertoe voeren [appellanten] onder andere aan dat zij voorzien dat zij tegenbewijs zullen moeten leveren tegen het door ABN AMRO overgelegde bewijsmateriaal van de stelling dat er sprake is van brandstichting en dat [appellanten] daarbij betrokken zouden zijn. [appellanten] stellen belang te hebben bij het veilig stellen van getuigenbewijs. Daarnaast willen [appellanten] het voorlopig getuigenverhoor aanwenden om een inschatting van hun proceskansen te maken.

2.9

ABN AMRO concludeert tot afwijzing van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Hiertoe voert ABN AMRO onder andere aan dat [appellanten] onvoldoende belang hebben bij het in dit stadium horen van de getuigen en dat dit in strijd is met de goede procesorde. Naar het oordeel van ABN AMRO kunnen [appellanten] op dit moment in voldoende mate hun procespositie inschatten en is er geen reden op grond waarvan er getuigenbewijs veilig zou moeten worden gesteld.
2.10 Het hof stelt vast dat [appellanten] op 11 november 2014 een memorie van grieven in de bodemzaak hebben genomen. Naar het oordeel van het hof is het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor hierdoor in strijd met de goede procesorde. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad kunnen grieven tegen een vonnis van de rechtbank in beginsel alleen in de memorie van grieven en in de memorie van antwoord worden aangevoerd (vgl. HR 23 september 2011, NJ 2013, 6). Door het nemen van de memorie van grieven hebben [appellanten] in beginsel hun procespositie bepaald. Van omstandigheden die maken dat een voorlopig getuigenverhoor desondanks voor [appellanten] nodig is om hun procespositie in te schatten is niet gebleken. Verder is naar het oordeel van het hof niet gebleken van omstandigheden die zouden maken dat de getuigen in een voorlopig getuigenverhoor zouden moeten worden gehoord om te voorkomen dat bewijs verloren gaat.
Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. De bodemrechter zal in de hoger beroepsprocedure beslissingen nemen ter zake van de ook in de memorie van grieven vervatte bewijsaanboden.

2.11

[appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld (salaris advocaat: 2 punten in tarief II).

De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor af;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding en stelt die kosten aan de zijde van ABN AMRO tot aan deze uitspraak vast op € 904,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Kuiper, mr. D.H. de Witte en mr. H.H.B. Vedder, en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 23 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.