Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10245

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
KS 24-000062-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdenking in deze zaak houdt in - kort weergegeven - dat de verdachte haar dochter gedurende de eerste maanden van haar leven stelselmatig voldoende en adequate voeding heeft onthouden, althans de toediening van voedsel aan haar dochter zodanig heeft beïnvloed dat van voldoende en adequate voeding geen sprake meer was, hetgeen de oorzaak zou zijn geweest van de ernstige, levensbedreigende ondervoeding van haar dochter.

Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op enig moment in de tenlastegelegde periode de toediening van voeding aan haar dochter op negatieve wijze heeft beïnvloed. Volgt vrijspraak van het tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-000062-12

Uitspraak d.d.: 16 december 2014

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 december 2011 met parketnummer 07-400106-09 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1977],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 30 november 2012 en 2 december 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van hetgeen onder 1 subsidiair en 2 aan verdachte ten laste is gelegd en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 583 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 540 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsvrouw,

mr. J.H. Rump, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1. primair:
zij in of omstreeks de periode van 17 februari 2008 tot en met 31 juli 2008 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], althans in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk haar dochter, te weten [slachtoffer] (geboren [2008]) van het leven te beroven, met dat opzet toen aldaar een of meermalen (aan) die [slachtoffer] (voldoende en adequate) voeding heeft onthouden en/of een of meermalen onvoldoende en/of niet adequate voeding heeft toegediend en/of (daartoe) de toe te dienen voeding heeft verdund en/althans een of meermalen de samenstelling van de voeding heeft gewijzigd (waardoor bij die [slachtoffer] (zeer ernstige) ondervoeding en/of de levensbedreigende medische situatie failure to thrive ontstond), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair:
zij in of omstreeks de periode van 17 februari 2008 tot en met 31 juli 2008 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], en/of in de gemeente [gemeente2], aan haar kind (te weten [slachtoffer], geboren [2008]), opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel ((zeer ernstige) ondervoeding en/of (ernstige) failure to thrive en/of diverse (langdurige) ziekenhuisopnames, te weten (bij benadering) van 3 maart 2008 tot en met 4 april 2008 en/of van 12 april 2008 tot en met 6 juli 2008 en/of van 11/12 juli 2008 tot en met 31 juli 2008 en/of onnodig zware/belastende medische ingrepen/diagnostiek) heeft toegebracht, door haar toen aldaar opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, een of meermalen (voldoende en adequate) voeding te onthouden en/of een of meermalen onvoldoende en/of niet adequate voeding toe te dienen en/of (daartoe) de toe te dienen voeding te verdunnen en/althans een of meermalen de samenstelling van de voeding te wijzigen;

1. meer subsidiair:
zij in of omstreeks de periode van 17 februari 2008 tot en met 31 juli 2008 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente] en/of de gemeente [gemeente2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten haar dochter [slachtoffer] (geboren [2008]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet toen aldaar een of meermalen (aan) die [slachtoffer] (voldoende en adequate) voeding heeft onthouden en/of een of meermalen onvoldoende en/of niet adequate voeding heeft toegediend en/of (daartoe) de toe te dienen voeding heeft verdund en/althans een of meermalen de samenstelling van de voeding heeft gewijzigd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2:
zij één of meermalen in of omstreeks de periode van 17 februari 2008 tot en met 31 juli 2008 te [plaats], in de gemeente [gemeente], althans in de gemeente(n) [gemeente] en/of [gemeente2] opzettelijk [slachtoffer] (geboren [2008]), tot wiens onderhoud en/of verzorging zij krachtens het (artikel 1:247 van het) Burgerlijk Wetboek, althans krachtens wet, verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, immers heeft zij, verdachte, toen aldaar opzettelijk die [slachtoffer] een of meermalen (voldoende en adequate) voeding onthouden en/of een of meermalen onvoldoende en/of niet adequate voeding toegediend en/of (daartoe) de toe te dienen voeding verdund en/althans een of meermalen de samenstelling van de voeding gewijzigd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel ((zeer ernstige) ondervoeding en/of (ernstige) failure to thrive en/of diverse (langdurige) ziekenhuisopnames, te weten (bij benadering) van 3 maart 2008 tot en met 4 april 2008 en/of van 12 april 2008 tot en met 6 juli 2008 en/of van 11/12 juli 2008 tot en met 31 juli 2008 en/of onnodig zware/belastende medische ingrepen/diagnostiek) heeft bekomen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Hetgeen de verdachte in deze strafzaak wordt verweten, houdt in dat zij haar dochter [slachtoffer] gedurende de eerste maanden van haar leven stelselmatig voldoende en adequate voeding heeft onthouden, althans de toediening van voedsel aan[slachtoffer] zodanig heeft beïnvloed dat van voldoende en adequate voeding geen sprake meer was. Dat zou de oorzaak zijn geweest van een ernstige, in dit geval levensbedreigende ondervoeding van[slachtoffer] gedurende de eerste maanden van haar leven. Een medische toestand die door de behandelend specialisten wordt aangeduid met de term 'failure to thrive' (verder te noemen: FTT) en die zich kenmerkt door het onvermogen van een kind om te groeien, terwijl dat op basis van gemiddelden wel mag worden verwacht1.

In deze zaak is uitgebreid aan de orde gekomen of door de behandelend specialisten van het [ziekenhuis] terecht is geconcludeerd dat het ziektebeeld FTT bij[slachtoffer] geen somatische oorzaak had, maar een niet-somatische en dus van buiten komende oorzaak, eruit bestaande dat de toediening van voedsel aan[slachtoffer] onvoldoende en/of inadequaat was. Door de bij de behandeling van[slachtoffer] betrokken specialisten van het [ziekenhuis] is gerapporteerd over de bevindingen die tot deze conclusie hebben geleid en de wijze waarop naar andere mogelijke, somatische oorzaken is gezocht en deze zijn uitgesloten als mogelijke oorzaak voor de FTT.

Het medisch dossier is eerst voorgelegd aan forensisch arts R.A.C. Bilo en vervolgens aan forensisch arts L.L.B.M. van Duurling. Zij hebben de opdracht gekregen het onderzoek en de bevindingen te toetsen waarop door de behandelend specialisten van het [ziekenhuis] tot genoemde conclusie gekomen is.

Zowel Bilo als Van Duurling hebben daarover uitvoerig gerapporteerd; ook zijn zij als deskundigen gehoord ter zitting van het hof. Voorts is in hoger beroep op verzoek van de verdediging nog onderzoek gedaan naar mogelijke andere, nog niet onderzochte, somatische oorzaken van de FTT van[slachtoffer].

De in de tenlastelegging neergelegde verdenking berust enerzijds op de bevindingen en de conclusies van de behandelend artsen van het [ziekenhuis] en hetgeen daarover achteraf door Bilo en Van Duurling is verklaard. Anderzijds berust de verdenking op waarnemingen van feitelijk handelen van de verdachte; waarnemingen van personeel van de kinderafdeling van het [ziekenhuis] ten tijde van de opname van[slachtoffer] op de intensive careafdeling aldaar op 30 en 31 juli 2008, die volgens het openbaar ministerie de conclusie rechtvaardigen dat het verdachte is geweest die op enigerlei wijze opzettelijk de toediening van voedsel aan[slachtoffer] in negatieve zin heeft beïnvloed.

De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of dat feitelijke handelen van de verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden. Pas daarna kan in strafrechtelijke zin van belang worden of wettig en overtuigend bewezen is dat er een rechtstreeks verband is tussen handelingen van verdachte en de bij[slachtoffer] geconstateerde FTT.

Uit het dossier kan met betrekking tot het handelen van de verdachte het volgende worden afgeleid.

Op 30 juli 2008 ziet verpleegkundige [getuige1]2de verdachte staan in de afdelingskeuken van de intensive care van de kinderafdeling van het [ziekenhuis]. Verdachte heeft een voedingsflesje in haar hand. [getuige1] ziet dat de dop van die voedingsfles op de grond valt, dat de verdachte de dop omspoelt en de voedingsfles even later in de koelkast plaatst. Nadat de verdachte de keuken heeft verlaten, ziet [getuige1] dat het betreffende voedingsflesje, waarop een sticker met de naam van[slachtoffer] is aangebracht, niet helemaal gevuld is.

Verdachte heeft hierover op de zitting van de rechtbank van 16 september 2010 verklaard dat zij zich het voorval, waargenomen door [getuige1], niet herinnert, maar dat zij wel in de keuken kwam voor het uitkoken van spenen. Volgens haar moest dat twee maal daags gebeuren.

Op 31 juli 2008 ziet kinderarts [getuige2]3 verdachte in de voedingskeuken staan, terwijl ze bij de geopende koelkastdeur staat. Zij weet niet meer zeker of verdachte op dat moment een potje of een flesje vasthoudt. Nadat verdachte de keuken heeft verlaten, ziet [getuige2] dat in de koelkast enkel een voedingsfles voor[slachtoffer] staat.

Verdachte heeft op de zitting van de rechtbank van 16 september 2010 over de waarneming van [getuige2] verklaard dat zij de bewuste dag niet met flesjes in de koelkast is bezig geweest.

Kinderarts-kinderintensivist [getuige3]4 heeft verklaard de verdachte op 30 juli 2008 de intensive careafdeling op te hebben zien lopen, dat zij een sondevoedingsfles uit haar schoudertas pakte en deze op de bedkar naast het bed van[slachtoffer] plaatste. Volgens [getuige3] was deze sondevoedingsfles eerder door een verpleegkundige uit de koelkast gehaald en op de bedkar gezet om aan te worden gesloten, als de sondevoedingsfles die nog 'aanhing' leeg was. De fles die door de verdachte terug wordt geplaatst, ziet er volgens [getuige3] waterig uit. Nadat de verdachte van de afdeling is verdwenen, vergelijkt [getuige3] de inhoud van deze fles op het oog met de inhoud van een andere sondevoedingsfles uit de koelkast in de afdelingskeuken. Ook de inhoud van die fles ziet er volgens [getuige3] waterig uit. Vervolgens verzoekt [getuige3] de voedingskeuken om een nieuwe voedingsfles klaar te maken volgens voorschrift van de diëtist; de inhoud van die fles vergelijkt zij op het oog met de inhoud van de door de verdachte op de bedkar geplaatste voedingsfles. Ook daaruit concludeert [getuige3] dat de inhoud van laatstgenoemde voedingsfles wateriger is. Vervolgens stuurt [getuige3] monsters van de inhoud van beide voedingsflessen naar het laboratorium, met het verzoek de osmolaliteitswaarde (osmolaliteit: de concentratie van de osmotisch werkzame stoffen per kilogram oplosmiddel) te bepalen. Daaruit blijkt dat de osmolaliteitswaarde van de inhoud van eerstgenoemde voedingsfles 126 mOsmol/kg bedraagt en van laatstgenoemde voedingsfles 628 mOsmol/kg.

De verdachte heeft de verklaring van getuige [getuige3] niet betwist. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank van 16 september 2010 volgt dat zij erkent een sondevoedingsfles op de bedkar naast[slachtoffer]'s bed te hebben geplaatst op 30 juli 2008.

Verdachte verklaart in dat verband dat[slachtoffer] op die dag veel heeft gespuugd en dat zij daarom rond 13.00 het bedje van[slachtoffer] heeft verschoond. Als de verdachte enige tijd later weer op de afdeling komt, ziet ze dat het voedingsflesje dat voordien ook al op de bedkar bij[slachtoffer]'s bed stond, er nog steeds staat. Volgens de verdachte voelt de fles warm aan. De verdachte vraagt daarom aan een verpleegkundige of het de bedoeling is dat die fles wordt aangesloten voor de sondevoeding, waarop bevestigend wordt geantwoord. Vervolgens heeft de verdachte het flesje in haar tas gestopt, om haar handen vrij te hebben, en heeft ze de fles meegenomen naar de afdelingskeuken. Daar heeft ze de dop eraf gedraaid en haar pink in het flesje gedaan om de temperatuur te controleren. Er was op dat moment geen verpleegkundige aanwezig in de keuken. Vervolgens heeft de verdachte die fles in de koeling gedaan, een ander flesje voor[slachtoffer] uit de koeling gehaald en deze op de bedkar van[slachtoffer] geplaatst. Daarbij heeft ze de fles in de hand gehouden.

Uit voornoemde verklaringen van getuigen [getuige1] en [getuige2] kan worden afgeleid dat de verdachte op 30 juli 2008 en 31 juli 2008, in de voedings- dan wel afdelingskeuken is gesignaleerd.

Echter, dat de verdachte op één of beide momenten de inhoud van een sondevoedingsfles van[slachtoffer] op enigerlei wijze heeft gemanipuleerd, kan onvoldoende uit deze verklaringen worden afgeleid; [getuige1] noch [getuige2] heeft dat gezien, terwijl ook niet blijkt niet dat naar aanleiding van één van deze waarnemingen de samenstelling is gecontroleerd van de inhoud van een voedingsfles die verdachte in handen heeft gehad.

Uit de verklaring van getuige [getuige3], in samenhang met de inhoud van haar ontslagbrief, kan worden afgeleid dat verdachte op 30 juli 2008 een sondevoedingsfles op de bedkar bij het bed van[slachtoffer] heeft geplaatst. Na controle blijkt dat de inhoud van die fles een beduidend lagere osmolaliteitswaarde heeft dan een andere, nadien volgens voorschrift van de diëtist door de voedingskeuken klaargemaakte voedingsfles.

Echter, dat die lagere osmolaliteitswaarde het gevolg is van enig handelen van de verdachte, kan niet uit de verklaring van [getuige3] of anderszins uit het dossier worden afgeleid. De verklaring die de verdachte in dit verband heeft afgelegd - die in grote lijnen niet strijdig is met de getuigenverklaring van [getuige3] en die niet méér meebrengt dan dat zij een fles met een lagere osmolaliteitswaarde uit de koelkast van de afdelingskeuken heeft gehaald, omdat de fles die gereedstond om te worden aangehangen voor de sondevoeding in haar beleving te warm was - kan tegen de achtergrond van de beschikbare stukken in het dossier niet als onaannemelijk worden aangemerkt.

Het hof acht daarnaast het volgende van belang. Uit de voor het hof beschikbare verklaringen wordt onvoldoende duidelijk wat ten tijde van voormelde waarnemingen het beleid was op de (intensive care van) de kinderafdeling van het [ziekenhuis], met betrekking tot de aanwezigheid van de ouders van de aldaar opgenomen kinderen in de afdelings- dan wel voedingskeuken van de intensive care, wat daaromtrent richting de ouders werd gecommuniceerd, en of het de ouders werd toegestaan op enigerlei wijze te helpen met de toediening van voeding aan hun kind.

De verdachte heeft daarover ter terechtzitting van de rechtbank van 16 september 2010 verklaard dat het de ouders was toegestaan om zich in de afdelingskeuken te begeven, bijvoorbeeld voor het uitkoken van fopspenen. Ook een handeling als het pakken van een andere voedingsfles uit de koelkast in de keuken van de afdeling was toegestaan voor de ouders, volgens de verdachte.

De getuigen [getuige3], [getuige2] en [getuige1] hebben hierover naar het oordeel van het hof onvoldoende helderheid verschaft in hun verklaringen ter terechtzitting van de rechtbank van 16 september 2010. Uit die verklaringen blijkt weliswaar dat het niet de bedoeling was dat de ouders zich met het feitelijke toedienen van voedsel aan het kind bezig hielden, en dat het als ongebruikelijk werd ervaren dat de verdachte zich in de voedings- dan wel afdelingskeuken bevond, maar ook komt het beeld naar voren dat de ouders actief werden betrokken bij de verzorging van hun kind, dat het de ouders ook niet werd verboden om de keuken te betreden, bijvoorbeeld voor het uitkoken van spenen of - zoals getuige [getuige1] ter terechtzitting van de rechtbank van 16 september 2010 verklaart - na overleg met een verpleegkundige vleeswaren en dergelijke uit de koelkast te pakken.

Daarnaast kan niet worden afgeleid dat - en zo ja: op welke wijze - er enig toezicht werd uitgeoefend op de voedings- dan wel afdelingskeuken, met name voor wat betreft de vraag wie daar allemaal toegang tot hadden.

Gelet op het kennelijke ontbreken van toezicht daarop kan onvoldoende worden uitgesloten dat iemand anders dan de verdachte een fles met een lagere dan gebruikelijke osmolaliteitswaarde in de koelkast van de keuken van de intensive careafdeling heeft geplaatst, dan wel dat de lage osmolaliteitswaarde het gevolg is geweest van een onjuiste samenstelling in de centrale keuken waar deze voeding werd bereid.

Nu daarvoor ook overigens geen bewijs aanwezig is, acht het hof - anders dan de advocaat-generaal - niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 30 juli 2008 en/of 31 juli 2008, dan wel op enig ander moment in de tenlastegelegde periode, de toediening van voeding aan[slachtoffer] in negatieve zin heeft beïnvloed.

Bij die stand van zaken komt het hof niet toe aan beoordeling van de vraag of voldoende vast is komen te staan dat bij [slachtoffer] sprake was van een niet-somatische FTT.

Vrijspraak

Gelet op het vorenoverwogene heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. J. Hielkema, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E. Verdoorn, griffier,

en op 16 december 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Rapportage L.L.B.M. van Duurling, forensisch arts KNMG, d.d. 16 mei 2011, p. 15.

2 Zie de verklaring van [getuige1] ter terechtzitting van de rechtbank van 16 september 2010.

3 Zie de verklaring van [getuige2] ter terechtzitting van de rechtbank van 16 september 2010.

4 Zie de ontslagbrief van [getuige3], d.d. 11 november 2008, aan huisarts [huisarts], in samenhang met de verklaring van [getuige3] ter terechtzitting van de rechtbank van 16 september 2010.