Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10244

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
16-01-2015
Zaaknummer
13/00350 t/m 13/00357, 13/00359, 13/00360, 13/00362 t/m 13/00365, 13/00405, 13/00417, 13/00418, 13/00420, 13/00421 en 13/00427
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:1509, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1205, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Navorderingen ter zake van verzwegen buitenlandse bankrekening terecht? Formele grieven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0213
V-N Vandaag 2015/103
E.P. Hageman FB annotatie in NTFR 2015/1179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 13/00350 t/m 13/00357, 13/00359, 13/00360, 13/00362 t/m 13/00365, 13/00405, 13/00417, 13/00418, 13/00420, 13/00421 en 13/00427

uitspraakdatum: 23 december 2014

nummer /

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost Nederland van 21 februari 2013, nummers AWB 08/3105 en 12/982, en de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 21 februari 2013, nummers 11/5507 t/m 11/5521, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 28 december 2007, een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 1995 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van f 2.924 en een verhoging van f 2.924. Bij beschikking is een bedrag van f 1.082 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 31 december 2008, een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 1996 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van f 3.610 en een verhoging van f 3.610. Bij beschikking is een bedrag van f 1.316 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 1997 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van f 5.098 en een verhoging van f 5.098. Bij beschikking is een bedrag van f 1.783 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.4.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 1998 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van f 6.296 en bij afzonderlijke beschikking een boete van f 6.296. Bij beschikking is een bedrag van f 1.997 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.5.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 1999 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van f 8.992 en bij afzonderlijke beschikking een boete van f 8.992. Bij beschikking is een bedrag van f 2.585 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.6.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2000 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van f 9.229 en bij afzonderlijke beschikking een boete van f 9.229. Bij beschikking is een bedrag van f 2.321 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.7.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2001 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 1.945 (geheel het gevolg van een correctie van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) en bij afzonderlijke beschikking een boete van € 1.924. Bij beschikking is een bedrag van € 401 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.8.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 28 december 2007, een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2002 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 1.774 (geheel het gevolg van een correctie van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) en bij afzonderlijke beschikking een boete van € 1.774. Bij beschikking is een bedrag van € 309 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.9.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2003 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 2.483 (geheel het gevolg van een correctie van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) en bij afzonderlijke beschikking een boete van € 2.364. Bij beschikking is een bedrag van € 363 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.10.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2004 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 1.767 (geheel het gevolg van een correctie van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) en bij afzonderlijke beschikking een boete van € 1.621. Bij beschikking is een bedrag van € 197 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.11.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2006 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 70.176 (waarvan een bedrag van € 453 vanwege belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) en bij afzonderlijke beschikking een boete van € 443. Bij beschikking is een bedrag van € 2.259 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.12.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2007 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde IB/PVV van € 77.138 (waarvan een bedrag van € 1.087 vanwege belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) en bij afzonderlijke beschikking een boete van € 1.075. Bij beschikking is een bedrag van € 1.873 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.13.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting (hierna: VB) over het jaar 1998 opgelegd tot naar een bedrag aan verschuldigde VB van f 364 en een verhoging van f 364. Bij beschikking is een bedrag van f 112 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.14.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een navorderingsaanslag in de VB over het jaar 1999 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde VB van f 749 en bij afzonderlijke beschikking een boete van f 749. Bij beschikking is een bedrag van f 212 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.15.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 16 oktober 2009, een navorderingsaanslag in de VB over het jaar 2000 opgelegd tot een bedrag aan verschuldigde VB van f 1.106 en bij afzonderlijke beschikking een boete van f 1.106. Bij beschikking is een bedrag van f 276 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.16.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de (navorderings)aanslagen en de beschikkingen. Bij uitspraken op bezwaar van 3 juni 2008 en 24 november 2011 heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.17.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem. De rechtbank Oost-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft, als rechtsopvolger van de rechtbank Arnhem, de beroepen inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2004, de daarmee samenhangende boetebeschikking en beschikking heffingsrente, alsmede de beroepen inzake de boetebeschikkingen samenhangende met de belastingaanslagen IB/PVV 2002, 2003, 2006 en 2007 gegrond verklaard en verminderd tot € 1.647 (IB/PVV 2004), € 1.507 (boete 2002), € 2.127 (boete 2003), € 1.483 (boete 2004), € 420 (boete 2006) en € 1.021 (boete 2007). De Rechtbank heeft de overige beroepen ongegrond verklaard. Ten slotte heeft de Rechtbank bepaald dat het onderzoek in verband met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt heropend op nader te bepalen wijze.

1.18.

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur en belanghebbende hebben over en weer verweerschriften ingediend. De Inspecteur heeft in het door hem ingediende hoger beroep een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft in die zaken afgezien van het indienen van een conclusie van dupliek.

1.19.

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.20.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2014 te Arnhem. Namens belanghebbende is daar verschenen mr. [A]. Namens de Inspecteur is verschenen [B], bijgestaan door mr. [C].

1.21.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren [in] 1967 en gehuwd met [D] (hierna: de echtgenote).

2.2.

Op 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen, gegevens verstrekt aan de FIOD-ECD, Team Internationaal, welke gegevens bij een huiszoeking in België in beslag waren genomen. De gegevens bestaan uit een Nota met twaalf bijlagen. De bijlagen behorende bij de Nota zijn genummerd als B1 tot en met B12.

2.3.

In de Nota van 18 februari 2005 is vermeld dat het gegevens betreft van de bank [E] (hierna: [E]). De twaalf bijlagen bevatten onder meer gegevens over bank- en beleggingsrekeningen, standen van die rekeningen per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 en namen van rekeninghouders.

2.4.

Door de FIOD-ECD is een onderzoek ingesteld naar de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens, welk onderzoek zich heeft gericht op de – nadere – identificatie van de rekeninghouders. Daarbij zijn de ontvangen gegevens op geautomatiseerde wijze verwerkt waarbij de (vermoedelijke) gerechtigden nader werden geïdentificeerd en hun burgerservicenummer (ook wel: sofinummer) werd vermeld (“sofiëring”).

2.5.

De bewerkte gegevens zijn door de FIOD-ECD op 1 maart 2006 overgedragen aan een landelijke toezichtorganisatie, waarna voor een projectmatige aanpak is gekozen en het project Bank Zonder Naam (hierna: het project) van start is gegaan. Doel van het project is het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens om te komen tot een gelijke behandeling van de belastingplichtigen die het aangaat. Ten behoeve van het project is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het draaiboek) opgesteld. Het draaiboek bevat alle aspecten van het project. Het draaiboek zoals vastgesteld op 7 maart 2007 is in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt door middel van publicatie op de websites van de Belastingdienst en van het ministerie van Financiën.

2.6.

De resultaten van het identificatieproces zijn verspreid binnen de Belastingdienst, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bank en beleggingsrekeningen en de opbrengsten daarvan) alsnog bij de desbetreffende belastingplichtigen in de belastingheffing te betrekken.

2.7.

Bij de gegevens die door de Belgische autoriteiten zijn overgelegd bevinden zich renseignementen van 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 waarop is vermeld dat bij [E] een rekening wordt aangehouden op naam van ‘[X]’, met rekeningnummer [00000]. Tijdens het proces van identificatie bleek dat de combinatie van de achternaam [X] slechts eenmaal voorkomt in het geautomatiseerde systeem Beheer Van Relaties (BVR) van de belastingdienst.

2.8.

Bij brief van 7 maart 2007 heeft de Inspecteur belanghebbende een vragenbrief verzonden waarin, voor zover hier van belang, het volgende staat vermeld:

“De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat u houder bent (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(en) kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing. Daarom verzoek ik u mij de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die in de bijlage bij deze brief worden gevraagd.

Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6. letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is.”

2.9.

De bijlagen bij de vragenbrief van 7 maart 2007 bevatten de formulieren “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)”, waarbij belanghebbende wordt gevraagd om – onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen – aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen belanghebbende rekeninghouder is geweest.

2.10.

Met dagtekening 21 maart 2007 heeft de Inspecteur zijn informatieverzoek herhaald.

2.11.

Bij brief van 28 maart 2007 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Inspecteur te kennen gegeven dat belanghebbende niet gehouden is gehoor te geven aan het informatieverzoek.

2.12.

Bij brief van 3 april 2007 heeft de Inspecteur daarop een reactie gegeven.

2.13.

Bij brief van 13 juni 2007 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat het geen gehoor geven aan het verzoek om informatie gevolgen kan hebben voor de bewijslastverdeling indien hij overgaat tot het opleggen van navorderingsaanslagen.

2.14.

Bij brief van 22 november 2007 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002 met boetes op te leggen.

2.15.

Namens belanghebbende is een brief van [E] overgelegd. In deze brief van 10 januari 2008 die is gericht aan de gemachtigde van belanghebbende staat onder meer het volgende:

“(...)
Inderdaad is het ons bekend dat de Nederlandse Belastingdienst beweert gegevens van cliënten van [E] (Luxembourg) S.A. te hebben. Wij kunnen echter niet nagaan waarop deze bewering is gebaseerd en haar juistheid staat voor ons ook niet vast. Tot op heden weten wij niet over welke gegevens de Belastingdienst zou beschikken en evenmin hoe zij die gegevens zou hebben verkregen.

Bij de door u beschreven problematiek van mensen die door de Belastingdienst zijn benaderd terwijl zij naar hun zeggen geen rekening in Luxemburg hebben gehad, noemt u terecht het Luxemburgs bankgeheim. Dit bankgeheim heeft niet alleen als consequentie dat wij uitsluitend informatie over een rekening aan de rekeninghouder mogen verstrekken, maar betekent ook dat wij niet kunnen bevestigen dat er geen rekening bestaat of heeft bestaan op naam van een persoon die geen rekening heeft of had. Een dergelijke bevestiging zou immers indirect ook zichtbaar maken wie wel een rekening heeft of had. Zeker indien dergelijke bevestigingen op verzoek van een buitenlandse belastingdienst op grote schaal gevraagd worden.

Wij begrijpen dat de betrokkenen door de vermoedelijke vergissing van de Belastingdienst in een benarde situatie worden gemanoeuvreerd. Ook daarom zijn wij zeker bereid om met u over de kwestie van gedachten te wisselen.”

2.16.

Bij brief van 2 december 2008 heeft belanghebbende informatie verstrekt over een in Spanje bij de bank “[F]” aangehouden rekening. Belanghebbende verstrekt deze informatie naar aanleiding van een vonnis van de Voorzieningenrechter te Arnhem van 25 november 2008.

2.17.

Op 9 december 2008 heeft de Inspecteur een vragenbrief gestuurd aan belanghebbende met vragen over de bij deze Spaanse bank aangehouden rekening. Ook vraagt de Inspecteur wederom naar een of meer rekeningen welke door belanghebbende zouden zijn aangehouden bij [E] (Luxembourg) SA.

2.18.

Bij brief van 23 december 2008 vraagt belanghebbende uitstel voor het beantwoorden van de vragenbrief.

2.19.

Bij brief van 23 januari 2009 sommeert de Inspecteur belanghebbende de vragen in zijn brief van 9 december 2008 binnen twee weken te beantwoorden.

2.20.

Bij brief van 3 februari 2009 verzoekt belanghebbende wederom uitstel voor het beantwoorden van de vragen gesteld in de brief van 9 december 2008.

2.21.

Bij brief van 12 februari 2009 beantwoordt belanghebbende de vragen door te verwijzen naar twee brieven van [G] te [L], de accountant/adviseur van belanghebbende. Uit deze brieven zou volgens belanghebbende moeten blijken dat het fiscale belang van de bij de [F] bank aangehouden rekening verwaarloosbaar is.

2.22.

In een brief van 24 maart 2009 stelt de Inspecteur vragen in verband met het opleggen van de aanslag IB/PVV 2005.

2.23.

Bij brief van 28 april 2009 brengt de landsadvocaat namens de Inspecteur belanghebbende ervan op de hoogte dat nog enige bescheiden met betrekking tot de bij de [F] bank aangehouden rekening overgelegd dienen te worden. Bij brief van 7 mei 2009 voldoet belanghebbende aan dit verzoek.

2.24.

Bij schrijven van 13 juli 2009 kondigt de Inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 tot en met 2004 aan, alsmede de navorderingsaanslagen VB 1998 tot en met 2000.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de (navorderings)aanslagen, verhogingen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

3.2.

Belanghebbende stelt zich, kort en zakelijk weergegeven, op het standpunt dat de echtheid van de uit België afkomstige stukken en de juistheid van de inhoud daarvan onvoldoende zijn komen vast te staan, dat die stukken onrechtmatig zijn verkregen, dat de daarop gebaseerde vragen van de Inspecteur onvoldoende concreet zijn om te concluderen tot het schenden van de inlichtingenplicht door belanghebbende en dat de plicht tot medewerking aan het verstrekken van informatie in strijd is met het zogenoemde
nemo tenetur-beginsel. Belanghebbende stelt dat hij ten onrechte is geïdentificeerd als houder van een bij [E] onder nummer [00000] aangehouden bankrekening. Subsidiair stelt belanghebbende zich met betrekking tot de jaren 2001 en verder op het standpunt dat de inkomsten uit sparen en beleggen in verband met die rekening, overeenkomstig het niet weerlegbare wettelijke vermoeden in artikel 2.17, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), slechts voor de helft aan hem kunnen worden toegerekend. Belanghebbende stelt dat de verhogingen en boetes ten onrechte zijn opgelegd omdat de Inspecteur het bewijs niet heeft geleverd dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

3.3.

De Inspecteur is de tegengestelde mening toegedaan. Hij stelt dat belanghebbende thans ontkent rekeninghouder te zijn maar dat het logisch zou zijn geweest als hij dat van aanvang af had gedaan. Belanghebbende heeft, aldus de Inspecteur, tot in hoger beroep slechts volstaan met de stelling dat hij op grond van het nemo tenetur-beginsel niet gehouden is de gevraagde informatie te verstrekken. Het is onlogisch te weigeren informatie te verstrekken als men geen rekeninghouder is. Hij onderschrijft het subsidiaire standpunt van belanghebbende voor zover dat betrekking heeft op de jaren 2001 tot en met 2004. De Inspecteur komt in hoger beroep op tegen het oordeel van de Rechtbank dat voor de jaren 2002, 2003, 2004, 2006 en 2007 de redelijke termijn is overschreden en om die reden de boete is gematigd en dat voor wat betreft de immateriële schadevergoeding met betrekking tot het jaar 2002 het onderzoek door de Rechtbank is heropend.

3.4.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de uitspraken op bezwaar, en – primair dan wel subsidiair – tot vernietiging of vermindering van de belastingaanslagen en de bijbehorende beschikkingen. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en ongegrondverklaring van de beroepen met uitzondering van de beroepen tegen de navorderingsaanslagen en de beschikkingen over het jaar 2001 tot en met 2004 in verband met de toerekening van de inkomsten uit sparen en beleggen.

4 Beoordeling van het geschil

De rechtmatigheid van het handelen van de Inspecteur

4.1.

Uit hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht blijkt naar het oordeel van het Hof op geen enkele wijze dat de in 2.2 bedoelde gegevens door de Belastingdienst zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid zelf de hand heeft gehad in een eventuele onrechtmatige verkrijging van de uitgewisselde gegevens en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geoordeeld (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43.050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179).

4.2.

De FIOD-ECD heeft de uit België ontvangen gegevens bewerkt door (geautomatiseerde en handmatige) vergelijking daarvan met gegevens die beschikbaar zijn in de bestanden van de Belastingdienst. Door aldus te werken, heeft de Inspecteur gegevens met betrekking tot bij [E] aangehouden bankrekeningen verkregen die naar het oordeel van het Hof voldoende concreet zijn om belanghebbende en zijn echtgenote daarover vragen te stellen. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de plicht tot het meewerken aan het verstrekken van informatie in strijd is met het zogenoemde nemo tenetur-beginsel.

4.3.

Indien zou moeten worden geoordeeld dat belanghebbende, met de enkele ontkenning houder te zijn van een bankrekening bij [E] en zijn weigering informatie te verstrekken op grond van het nemo tenetur-beginsel, zijn inlichtingenplicht op grond van artikel 47 van de AWR heeft geschonden, is deze schending daarmee voltooid, voorafgaande aan het opleggen van de onderhavige (navorderings-)aanslagen. Alsdan zou vaststaan dat de bewijslast (in de bezwaarfase) is omgekeerd op grond van artikel 25, zesde lid, aanhef, onderdeel b en slot, van de AWR (in de wettekst die gold zoals hier van belang). Het per 1 juli 2011 ingevoerde artikel 52a van de AWR brengt daarin geen verandering. Dat zou slechts anders zijn indien en voor zover de Inspecteur in de bezwaarfase en na 1 juli 2011 opnieuw aan belanghebbende zou hebben gevraagd inlichtingen te verstrekken.

4.4.

Een redelijk vermoeden dat belanghebbende beschikte over een rekening bij [E] is voldoende voor de Inspecteur om belanghebbende te verzoeken informatie te verstrekken (vgl. Hoge Raad 1 november 2013, nr. 12/02791, ECLI:NL:HR:2013:1016). Anders dan belanghebbende verdedigt, staat het nemo tenetur-beginsel niet in de weg aan zijn op artikel 47 van de AWR gegronde verplichting de informatie die hij heeft ook daadwerkelijk te verstrekken. Indien belanghebbende informatie zou hebben verstrekt, quod non, zou daarmee rekening gehouden moeten worden op een wijze zoals weergegeven in het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640. Van een dreigen met een strafsanctie was in de brieven van de Inspecteur met het verzoek inlichtingen te verstrekken, geen sprake. De verwijzing naar de bepalingen omtrent de omkering en verzwaring van de bewijslast kan niet als zodanig worden aangemerkt.

De identificatie

4.5.

Belanghebbende stelt dat hij ten onrechte is geïdentificeerd als houder van de bankrekening bij [E] met het rekeningnummer [00000]. Naar zijn mening volgt uit de door hem overgelegde brieven dat hij geen rekening aanhield bij [E].

4.6.

De Inspecteur stelt daar tegenover dat uit de inhoud van de uit België afkomstige stukken en uit de reacties van veel bekennende belastingplichtigen blijkt dat de in 2.2 bedoelde gegevens daadwerkelijk bestaande bankrekeningen betreffen die op de data, genoemd in die stukken, aangehouden werden bij [E]. Herleiding van die gegevens en vergelijking met de bij de Belastingdienst aanwezige bestanden hebben ertoe geleid dat belanghebbende kan worden geïdentificeerd als de houder van de bankrekening bij [E] met het nummer [00000]. De achternaam van belanghebbende, gepaard aan de voorletters, is een unieke combinatie die in Nederland verder niet voorkomt.

4.7.

Naar het oordeel van het Hof maakt de Inspecteur, met hetgeen hij naar voren heeft gebracht, zijn stelling aannemelijk dat belanghebbende terecht is geïdentificeerd als houder van een bankrekening bij [E]. Het Hof is niet gebleken van aanwijzingen dat de informatie in de Nota die afkomstig is van de Belgische belastingautoriteiten, onjuist is. Evenmin is gebleken van aanwijzingen dat de inhoud van de renseignementen niet met de werkelijkheid overeenstemt. Het Hof acht de door de Inspecteur beschreven en gevolgde werkwijze voldoende betrouwbaar om tot het oordeel te komen dat belanghebbende juist is geïdentificeerd als houder van de rekening bij [E] met het nummer [00000]. Het Hof acht niet aannemelijk dat, zoals belanghebbende wil doen voorkomen, door het maken van kopieën (van kopieën), knip- en plakwerk en digitalisering, onbetrouwbare gegevens tot stand zouden zijn gekomen. De informatie afkomstig van [E] brengt het Hof niet tot een ander oordeel nu daaruit niet kan worden afgeleid dat het oordeel van het Hof onjuist is.

De hoogte van de verzwegen inkomsten

4.8.

Voor dit geding staat – gezien het voorgaande – vast dat belanghebbende een bankrekening aanhield bij [E] waarvan het saldo op 28 november 1996 ƒ 169.914,86 bedroeg, ofwel € 77.104. Dit saldo is aanzienlijk. Dergelijke saldi die in het buitenland worden aangehouden in een land dat het bankgeheim kent, plegen daar langdurig te worden aangehouden en niet – zonder aanwijsbare reden – plotsklaps te verdwijnen. Een en ander rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof het vermoeden dat de rekening ook bij de aanvang en het einde van de jaren 1996 tot en met 2007 nog aanwezig was.

4.9.

Nu belanghebbende naar het oordeel van het Hof terecht is aangemerkt als houder van een buitenlandse bankrekening kan het enkele ontkennen rekeninghouder te zijn geweest niet gelden als het voldoen aan de verzoeken van de Inspecteur om inlichtingen daarover te verstrekken. Nu belanghebbende niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan rust op hem de last te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat hij in de in geschil zijnde jaren niet over een bij [E] aangehouden rekening beschikte.

4.10.

De gemachtigde heeft gesteld dat het saldo van de rekening aan consumptieve bestedingen kan zijn opgegaan. Een dergelijke algemene, niet concreet onderbouwde, stelling is echter onvoldoende. Naar het oordeel van het Hof maakt belanghebbende niet aannemelijk, laat staan dat hij heeft doen blijken, dat hij in de onderhavige jaren niet over een rekening bij [E] beschikte met een saldo tot ten minste de respectievelijke bedragen zoals door de Inspecteur gesteld.

4.11.

Op de Inspecteur rust, in het geval hij van mening is dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven, de last de omvang van de verzwegen inkomsten aannemelijk te maken. Ook indien de bewijslast niet op de Inspecteur rust omdat sprake is van omkering en verzwaring daarvan, dient de Inspecteur uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen. De Inspecteur heeft in dat verband het volgende aangevoerd. Het totaal van de saldi van de 325 personen op 21 december 1994 is vergeleken met het totaal van de saldi van deze zelfde 325 personen op 5 september 1996 en 28 november 1996. Hieruit bleek een vermogenstoename. Dit verschil in de saldi is in een percentage op jaarbasis uitgedrukt van ruim 23,5%. Aan de hand van het bekende saldo of de bekende saldi op de rekening(en) bij [E] van de desbetreffende belastingplichtige zijn, rekening houdend met het hiervoor vermelde percentage van 23,5%, de saldi berekend per ultimo 1994 en volgende jaren. Omdat in dit percentage van 23,5% ook de aangroei als gevolg van rente- en dividendbijboekingen zijn begrepen, is dit percentage steeds toegepast op de bekende saldi bij [E] en niet op de herrekende saldi. Indien ofwel geen saldi bekend zijn op 21 december 1994 ofwel geen saldi bekend zijn op 5 september 1996 en/of 28 november 1996, is het bij [E] aangehouden vermogen berekend uitgaande van de wel bekende saldi waarbij deze saldi zijn verhoogd of verlaagd met het hiervoor vermelde percentage van 23,5% op jaarbasis, dus eventueel naar tijdsgelang.

4.12.

Uitgaande van deze werkwijze en een saldo op 28 november 1996 van ƒ 169.915 heeft de Inspecteur het saldo van de rekening van belanghebbende bij [E] berekend op ƒ 209.845 op 1 januari 1998, f 249.775 op 1 januari 1999, f 289.705 op 1 januari 2000, f 329.635 (€ 149.581) op 1 januari 2001, € 167.701 op 1 januari 2002, € 185.820 op 1 januari 2003, € 203.940 op 1 januari 2004, € 222.059 op 1 januari 2005, € 240.178 op 1 januari 2006, € 258.298 op 1 januari 2007 en € 276.417 op 1 januari 2008.

4.13.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat in zijn geval een rendement van 23,5 percent per jaar (naar het Hof, gelet op de berekeningswijze van de Inspecteur, aanneemt zal hiermee bedoeld zijn: een jaarlijkse enkelvoudig berekende vermogenstoename) buitensporig en derhalve onredelijk is.

4.14.

Met betrekking tot een modelmatige benadering en de redelijkheid van de schatting van het inkomen of het vermogen, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 25 april 2011, nr. 09/03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, het volgende overwogen:

“(…)

4.4.3.

Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan dient mede in aanmerking te worden genomen dat in een geval als het onderhavige enerzijds de inspecteur beschikt over minimale gegevens voor het opleggen van een (navorderings)aanslag, terwijl anderzijds ervan mag worden uitgegaan dat een rekeninghouder in het algemeen in staat is opening van zaken te geven. Gelet hierop mag het model een zekere mate van ruwheid vertonen zonder dat dit leidt tot het oordeel dat een daaruit voortvloeiende berekening onredelijk of willekeurig is. Dit brengt onder andere mee dat niet is vereist dat aan het model een sluitende statistische onderbouwing ten grondslag ligt.

4.4.4.

Het model is op diverse onderdelen gebaseerd op gegevens van de meewerkers als vergelijkingsgroep. Dat is op zichzelf niet onredelijk jegens de weigeraars; er is onvoldoende aanleiding voor de aanname dat beide groepen voor zover hier van belang wezenlijk van elkaar verschillen. Wat betreft die redelijkheid is bovendien van belang hetgeen in 4.4.3 is overwogen. De Belastingdienst mocht derhalve voor de weigeraars uitgaan van gegevens van de meewerkers.”

4.15.

Op de Inspecteur rust de last aannemelijk te maken dat de schatting redelijk is. In het licht van de in 4.14 geciteerde overwegingen van de Hoge Raad houdt dit naar het oordeel van het Hof tevens in dat de Inspecteur aannemelijk maakt dat de situatie van belanghebbende niet wezenlijk verschilt van die van de personen in de door de Inspecteur gehanteerde vergelijkingsgroep. Het Hof is derhalve van oordeel dat de bewijslast omtrent de redelijkheid van de schatting niet wordt beïnvloed door een eventuele omkering en verzwaring van de bewijslast. Het is dus niet belanghebbende die moet doen blijken dat de schatting onredelijk is en – in geval van modelmatige benadering – dat de vergelijkingsgroep wezenlijk verschilt van zijn situatie. Zowel de juistheid (in het geval van een gebruikelijke bewijslastverdeling) als de redelijkheid (in het geval van omkering en verzwaring van de bewijslast) van de correctie op het inkomen moet door de Inspecteur aannemelijk worden gemaakt.

4.16.

Uit de stukken van het geding komen met betrekking tot belanghebbende geen bijzondere feiten of omstandigheden naar voren die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat hij meer dan gemiddeld het vermogen om inkomsten te genereren is kwijtgeraakt (bijvoorbeeld het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, verkoop van een onderneming of een aanmerkelijk belang), dan wel omstandigheden die maken dat hij meer dan gemiddeld heeft ingeteerd op zijn vermogen. Gelet hierop kon naar ’s Hofs oordeel de Inspecteur bij zijn schatting volstaan met de verwijzing naar de gemiddelde vermogenstoename. Hetgeen belanghebbende in de pleitnota heeft aangevoerd, acht het Hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Voortvarendheid

4.17.

De in geding zijnde navorderingsaanslagen zijn, behoudens de navorderingsaanslagen IB/PVV 2002, 2003 en 2004, niet opgelegd binnen vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De Inspecteur heeft zich erop beroepen dat de navorderingsaanslagen betrekking hebben op inkomsten die zijn opgekomen, onderscheidenlijk op vermogen dat werd aangehouden in het buitenland, zodat de bevoegdheid tot navordering pas is vervallen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Belanghebbende stelt daartegenover dat de Inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen niet voortvarend heeft gehandeld, dat de verlengde navorderingstermijn in zoverre buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het Europese recht en dat de navorderingsaanslagen daarom moeten worden vernietigd.

4.18.

Het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (dan wel het EG-Verdrag) verzet zich er niet tegen dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan (Hof van Justitie van de Europese Unie 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08, ECLI:NL:XX:2009:BI8987 (X en E.H.A. Passenheim-van Schoot), en Hoge Raad 26 februari 2010, nr. 43.050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092).

4.19.

Het Hof is van oordeel dat met de ontvangst in februari 2005 van de hiervoor vermelde gegevens van de Belgische autoriteiten de FIOD‑ECD, en daarmee de Nederlandse belastingautoriteit, beschikte over aanwijzingen als hiervoor in 4.18 bedoeld. Op basis daarvan heeft de Belastingdienst immers belanghebbende geïdentificeerd als rechthebbende op (de inkomsten uit) deze tegoeden; zie het arrest van HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137. In dit arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over de tijd die noodzakelijk is voor het onderzoek naar de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens:

“3.4.2. De Hoge Raad neemt bij de beoordeling van dit middelonderdeel tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In gevallen als het onderhavige kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten


waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het openbaar ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn.

3.4.3.

De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.

3.4.4.

Opmerking verdient dat de vereiste voortvarendheid in ieder geval niet is betracht indien bij de werkzaamheden als vermeld in 3.4.2 een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (vgl. HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717, BNB 2013/234).”

4.20.

Belanghebbende betwist dat de Nederlandse belastingautoriteiten voortvarend hebben gehandeld. In verband daarmee heeft de Inspecteur een overzicht gegeven van de handelingen die hij en de FIOD-ECD hebben verricht tussen de ontvangst van de gegevens in februari 2005 en de vaststelling van de in geding zijnde navorderingsaanslagen in oktober 2009.

4.21.

De Inspecteur heeft verklaard dat verschillende perioden kunnen worden onderscheiden. In de onderzoeksfase (tot maart 2006), hebben de volgende werkzaamheden plaatsgevonden: opstarten van behandeling, veredelen van de ontvangen gegevens en identificeren en sofiëren van rekeninghouders. In de besluit- en inrichtingsfase (maart tot augustus 2006) is overleg geweest, hebben besprekingen plaatsgevonden en is afgestemd met het ministerie van Financiën. In de projectfase (augustus 2006 tot maart 2007) is een projectteam samengesteld, zijn een projectorganisatie en een projectapplicatie opgezet, is een draaiboek opgesteld, zijn bijeenkomsten voor regiotrekkers georganiseerd, zijn ontvangen gegevens geverifieerd, zijn posten voor mogelijk strafrechtelijk onderzoek geselecteerd en is in overleg met de Landsadvocaat gestart met de voorbereiding van civiele kortgedingprocedures. In maart 2007 zijn de gegevens overgedragen aan de bevoegde inspecteur die daarna een extra controle op de identificatie heeft toegepast en nadere gegevens met betrekking tot de op te leggen belastingaanslagen heeft verzameld.

4.22.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat de Nederlandse belastingautoriteiten tot maart 2007 voortvarend hebben gehandeld bij hun streven om de van de Belgische autoriteiten verkregen aanwijzingen te veredelen tot gegevens naar aanleiding waarvan concrete aanslagen konden worden opgelegd. Voor dit oordeel vindt het Hof steun in het arrest van de Hoge Raad van 2 mei 2014, nr. 13/04723, ECLI:NL:HR:2014:1032, BNB 2014/139, r.o 2.2.2, waarin de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof te Den Haag bevestigt waarin besloten ligt dat bij het project Bank Zonder Naam in de fase tot aan het verstrekken van gegevens aan de Inspecteur in maart 2007 de voortvarendheid is betracht die ingevolge onder meer het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199, in acht moet worden genomen.

4.23.

Het Hof is verder van oordeel dat de Inspecteur ook in de periode van maart 2007 tot het moment van het opleggen van de belastingaanslagen (waarvan de laatsten zijn gedateerd op 16 oktober 2009) voortvarend heeft gehandeld. De Inspecteur heeft daartoe aangevoerd dat bij belanghebbende meer moeite is betracht om informatie te verkrijgen, omdat belanghebbende niet expliciet ontkende in Luxemburg een bankrekening aan te houden, doch weigerde informatie te verstrekken. Om deze informatie toch te verkrijgen, is in 2008 een civiele procedure gevoerd om belanghebbende te verplichten alsnog de door de Inspecteur gevraagde informatie te verstrekken. Deze civiele procedure heeft erin geresulteerd dat belanghebbende uiteindelijk in december 2008 informatie verstrekt over een door belanghebbende niet in de aangiften opgenomen bij een Spaanse bank aangehouden rekening. Het Hof merkt daarbij op dat belanghebbende deze informatie zodanig laat heeft verstrekt dat bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2002, welke, om binnen de vijfjaarstermijn te blijven was opgelegd op 28 december 2007, met deze informatie geen rekening kon worden gehouden. In 2009 is door de Inspecteur nadere informatie ingewonnen met betrekking tot de bij de Spaanse bank aangehouden rekening en is tevens begonnen met de behandeling van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 1996. De Inspecteur dient een redelijke afweging te maken tussen de plicht om belastingaanslagen op zorgvuldige wijze op te leggen en de plicht, indien gebruik wordt gemaakt van de verlengde navorderingstermijn, deze voortvarend op te leggen. Naar het oordeel van het Hof moet, gelet op het bovenstaande, worden geoordeeld dat de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend zijn opgelegd.

Toerekening inkomensbestanddelen

4.24.

Gelet op de tekst van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 zoals dit luidt voor de jaren tot en met 2004 moet, indien een correctie wordt aangebracht op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wegens een bij [E] aangehouden bankrekening, het bedrag daarvan gelijkelijk moet worden verdeeld tussen belanghebbende en de echtgenote. De correcties op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen kunnen voor de jaren 2001 tot en met 2004 derhalve maar voor de helft aan belanghebbende worden toegerekend. Na 2004 is de wetsbepaling waarin inkomensbestanddelen op deze wijze dwingend worden verdeeld tussen een belastingplichtige en zijn partner vervallen.

Boete

4.25.

Hiervoor heeft het Hof geoordeeld dat op grond van hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd aannemelijk is dat belanghebbende op 28 november 1996 houder was van een bankrekening bij [E], dat het tegoed op dat moment ƒ 169.914,86 bedroeg (€ 77.104), dat het tegoed elk jaar enkelvoudig met 23,5% toenam en dit aldus berekende tegoed steeds en in ieder geval tot 1 januari 2008 heeft bestaan. Belanghebbende heeft van de rekening bij [E] in het geheel niets in zijn aangiftes opgenomen. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat belanghebbende het tegoed aanhield in een land dat een bankgeheim kent, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende bewust de rekening bij [E] buiten het zicht van de Nederlandse fiscus heeft gehouden, dat hij, door het saldo van die rekening niet in zijn aangiftes voor de jaren 1996 tot en met 2007 te vermelden, telkens opzettelijk een onjuiste aangifte over die jaren heeft gedaan en dat het derhalve aan zijn opzet is te wijten dat aanvankelijk over al die jaren, met uitzondering van het jaar 2005, te weinig belasting is geheven.

4.26.

Gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval acht het Hof een boete van 100 percent zoals de Inspecteur heeft opgelegd – in beginsel – passend en geboden. Partijen zijn het erover eens dat de boetebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2001 en 2003 t/m 2007 verminderd dienen te worden, omdat ten onrechte 50% boete is berekend over de correctie in verband met het tegoed aangehouden bij de Spaanse bank [F]. Het Hof volgt partijen hierin. In verband met dit tegoed zijn de opgelegde boeten als volgt verhoogd: € 45 (2001), € 114 (2003), € 90 (2004), € 9 (2006) en € 12 (2007). Het Hof zal de boetes derhalve dienovereenkomstig verlagen.

4.27.

Het Hof zal de boetes verder verlagen met 10% vanwege de omstandigheid dat de enkelvoudige belasting is berekend met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast.

4.28.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende door de brief van 22 november 2007 in redelijkheid het vermoeden kan hebben gehad dat met betrekking tot alle thans in geschil zijnde jaren een boete zou worden opgelegd. De termijn waarbinnen deze criminal charge dient te worden afgewikkeld neemt derhalve met betrekking tot alle thans in geschil zijnde boetes op dat moment een aanvang.

4.29.

De Rechtbank heeft de boete, wegens een overschrijding van de redelijke termijn, verminderd met 10% (2003) en 5% (2004, 2006 en 2007). De Rechtbank heeft daartoe de redelijke termijn verlengd met een jaar vanwege de veelheid aan samenhangende en complexe procedures en met een half jaar vanwege de proceshouding van belanghebbende. In verband met het stellen van prejudiciële vragen inzake de verlengde navorderingstermijn is de redelijke termijn in de zaken IB/PVV 1996 t/m 2001 en VB 1998 t/m 2000 verlengd met de tijd die hiermee gemoeid is geweest (1 jaar en 11 maanden).

4.30.

Zoals de Inspecteur naar het oordeel van het Hof met juistheid aanvoert betekent deze conclusie van de Rechtbank dat hij de prejudiciële procedure met betrekking tot de verlengde navorderingstermijn voor de overige procedures niet van belang acht. Het daartegen gerichte hoger beroep van de Inspecteur moet worden verworpen omdat dit oordeel van de Rechtbank juist is.

4.31.

De aard van de onderhavige zaak, het aantal jaren waarop de procedures betrekking hebben en de variatie in de in te nemen standpunten naargelang de soort van de belastingaanslag en de belasting of de boete, maken dat sprake is van een complexe zaak. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank daaraan terecht de conclusie verbonden dat in dit geval de redelijke termijn met twaalf maanden moet worden verlengd. Indien een verlenging van de redelijke termijn als deze wordt aangenomen is niet van belang of dit aan een der partijen is toe te rekenen. De verlenging vloeit voort uit de aard van de procedure als zodanig.

4.32.

Belanghebbende heeft niet bestreden dat een verlenging van de redelijke termijn met zes maanden moet plaatsvinden vanwege zijn proceshouding. Nu dit oordeel van de Rechtbank het Hof niet onjuist voorkomt, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

4.33.

Sedert 22 november 2007 zijn inmiddels, op het moment dat het Hof deze uitspraak doet, ruim zeven jaar verstreken. Dat betekent dat met betrekking tot de boetes opgelegd over de jaren 1995 tot en met 2001 de redelijke termijn niet is overschreden. Met betrekking tot het jaar 2003 heeft te gelden dat de Inspecteur heeft gesteld dat deze navorderingsaanslag -vanwege door belanghebbende gevraagd en verkregen uitstel- is opgelegd binnen de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar, derhalve zonder gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn. Dit brengt mee dat de redelijke termijn voor de boete opgelegd over 2003 niet met 1 jaar en 11 maanden dient te worden verlengd. Dat betekent dat de redelijke termijn bij het doen van deze uitspraak met meer dan één, maar minder dan twee jaren is overschreden in de overige boetezaken (IB/PVV 2002, 2003, 2004, 2006 en 2007). Het Hof zal de boetes, zoals verlaagd in verband met hetgeen hiervoor is overwogen, om deze reden verder verlagen met 15%. Voor wat betreft het jaar 2004 houdt het Hof rekening met het gestelde in het verweerschrift van de Inspecteur in eerste aanleg, blz. 5.

Nieuw feit

4.34.

Gelet op hetgeen het Hof hiervoor in 4.25. heeft overwogen met betrekking tot de boete, behoeft de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur niet beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit zoals bedoeld in artikel 16, van de AWR geen behandeling.

Immateriële schade

4.35.

Belanghebbende heeft gesteld dat de behandeling van het onderhavige geschil langer heeft geduurd dan redelijk is. Hij heeft, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, 09/05112, ECLI:NL:HR:2011:BO5080, en 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, aanspraak gemaakt op een vergoeding van de door hem daardoor geleden (immateriële) schade. Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald al hetgeen reeds in eerste aanleg naar voren is gebracht. Het hogerberoepschrift is door het Hof ontvangen op 27 maart 2013. Gelet op de sedert die datum tot aan de onderhavige uitspraak verstreken tijd, wijst het Hof het verzoek, voor zover het betrekking heeft op de hogerberoepsfase, af.

4.36.

De Rechtbank heeft de beslissing over die schade voor zover die betrekking heeft op de periode tot aan zijn uitspraak aangehouden en het onderzoek in zoverre heropend. Naar het oordeel van het Hof is sprake is van een bijzondere samenhang van de thans in geschil zijnde belastingaanslagen en beschikkingen en is niet aannemelijk dat belanghebbende meer spanning en frustratie heeft ondervonden doordat de procedures betrekking hadden op meer jaren en beschikkingen. In zoverre dient de Rechtbank één schadevergoeding vast te stellen voor alle thans in geschil zijnde belastingaanslagen en beschikkingen voor de periode verstreken tot zijn uitspraken. Klachten gericht tegen het vaststellen van deze schadevergoeding dan wel de hoogte daarvan kunnen slechts aan de orde komen in een hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank waarin (de hoogte van) deze schadevergoeding aan de orde is.

Heffingsrente

4.37.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Feiten of omstandigheden die nopen tot de conclusie dat de Inspecteur in het onderhavige geval de wettelijke regeling omtrent het in rekening brengen van heffingsrente onjuist heeft toegepast, zijn het Hof niet gebleken. Belanghebbende maakt, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk dat de Inspecteur in een meerderheid van de met hem vergelijkbare gevallen de toepassing van het wettelijk systeem achterwege heeft gelaten.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de hoger beroepen van belanghebbende gegrond en de hoger beroepen van de Inspecteur ongegrond. Het Hof zal de belastingaanslagen IB/PVV, beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen c.q. kwijtscheldingsbesluiten als volgt wijzigen.

Jaar aanslag (te betalen bedrag) verhoging/ boete heffingsrente

1995 ongewijzigd f 2.631 ongewijzigd

1996 ongewijzigd f 3.249 ongewijzigd

1997 ongewijzigd f 4.588 ongewijzigd

1998 IB/PVV ongewijzigd f 5.666 ongewijzigd

1998 VB ongewijzigd f 327 ongewijzigd

1999 IB/PVV ongewijzigd f 8.092 ongewijzigd

1999 VB ongewijzigd f 674 ongewijzigd

2000 IB/PVV ongewijzigd f 8.306 ongewijzigd

2000 VB ongewijzigd f 995 ongewijzigd

2001 € 972 € 834 dienovereenkomstig

2002 € 887 € 678 dienovereenkomstig

2003 € 1.241 € 862 dienovereenkomstig

2004 € 823 € 565 dienovereenkomstig

2006 ongewijzigd € 339 ongewijzigd

2007 ongewijzigd € 822 ongewijzigd

5 Kosten

5.1

Gelet op het aantal opgelegde aanslagen en de daarmee verband houdende beschikkingen, en de diversiteit van de geschilpunten in de verschillende jaren die partijen verdeeld hebben gehouden, is het Hof van oordeel dat sprake is van een zware zaak zodat het Hof voor het gewicht van de zaak een wegingsfactor van 1,5 zal toepassen. Verder is het Hof van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken.

5.2.

Het Hof stelt de proceskosten in hoger beroep, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor alle samenhangende zaken vast op 3 (proceshandelingen) maal € 487 (tarief per punt) maal 1,5 (samenhangende zaken) maal 1,5 (gewicht van de zaken), ofwel op € 3.287,25.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Rechtbank met betrekking tot de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2001, 2002, 2003 en 2004 en de daarmee samenhangende beschikkingen heffingsrente, en met betrekking tot alle verhogingen en boetebeschikkingen;

  • -

    verklaart de beroepen bij de Rechtbank in zoverre gegrond;

  • -

    vernietigt in zoverre de in geschil zijnde uitspraken op bezwaar;

  • -

    verlaagt deze (navorderings)aanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen met betrekking tot deze jaren als vermeld in het onderdeel ‘conclusie’;

  • -

    bevestigt de uitspraken van de Rechtbank voor het overige;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af voor zover dit verzoek ziet op een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.287,25;

  • -

    gelast de Inspecteur het griffierecht van € 236 aan belanghebbende te vergoeden, en;

  • -

    gelast dat zodra deze uitspraak onherroepelijk is geworden van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 956 (tweemaal € 478).

Deze uitspraak is gedaan door mrs. R.A.V. Boxem, voorzitter, J.P.M. Kooijmans en
B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. A.W.M. van der Waerden als griffier.

De beslissing is op 23 december 2014 in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. In plaats van de voorzitter tekent mr. Kooijmans.

De griffier,

De voorzitter,

(A.W.M. van der Waerden)

(R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 januari 2015.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.