Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10200

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
15-01-2015
Zaaknummer
200.156.872
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berusting. De correspondentie tussen de advocaten van partijen bevat ondubbelzinnige uitingen over en weer van de wil om zich neer te leggen bij de uitspraak van de rechtbank indien de andere partij dat ook zou doen. Niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/51
NJF 2015/98
RBP 2015/23

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.156.872

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: C/08/122321)

arrest van de eerste kamer van 30 december 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Appellante] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna: ‘[Appellante]’,

advocaat: mr. P. van Dijk,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde 1] B.V.,
gevestigd te Goor, gemeente Hof van Twente,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde 2] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden,

hierna: ‘[geïntimeerde 1] c.s.’,

advocaat: mr. M. Ziekman.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het arrest in deze zaak van 4 november 2014. Bij dat arrest is een comparitie van partijen bepaald.

1.2

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 3 december 2014. Het proces-verbaal van deze zitting bevindt zich bij de stukken.

1.3

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen hebben partijen het hof verzocht om het beroep van [geïntimeerde 1] c.s. op berusting door [Appellante] als een incident te behandelen en hebben zij hun standpunten daarover uiteengezet. Vervolgens hebben zij verzocht arrest te wijzen in het ontvankelijkheidsincident.

1.4

Het hof heeft vervolgens arrest bepaald op het griffiedossier.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Ingevolge artikel 334 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een partij die heeft berust in een vonnis, niet ontvankelijk in het hoger beroep daartegen. Van berusting is sprake indien een partij ondubbelzinnig aan de wederpartij doet blijken van de wil om zich bij een rechterlijke uitspraak neer te leggen en aldus afstand te doen van de bevoegdheid om daartegen een rechtsmiddel aan te wenden. Partijen kunnen ook een vaststellingsovereenkomst sluiten waarbij zij afspreken dat zij zich definitief neerleggen bij de uitspraak en dat zij geen rechtsmiddel zullen aanwenden tegen de uitspraak waarin zij berusten (vergelijk Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/189). Berusting mag niet eenvoudig worden aangenomen, gelet op het ingrijpende rechtsgevolg daarvan.

2.2

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 juni 2014 zijn de vorderingen van [Appellante] in conventie en de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. in reconventie alle afgewezen, waarbij de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Tussen de advocaten van partijen heeft vervolgens naar aanleiding van deze uitspraak - en voor zover thans relevant - de volgende e‑mailcorrespondentie plaatsgevonden.

2.3

Een e-mail d.d. 2 juli 2014 van mr. Ziekman aan mr. Van Dijk luidt als volgt:

“Je hebt waarschijnlijk inmiddels het vonnis van de rechtbank Almelo van 25 juni jl. ontvangen. De vorderingen van [Appellante] in conventie zijn afgewezen en ook de reconventionele vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. zijn afgewezen. Beide partijen moeten hun eigen kosten dragen.

Er rest slechts de formaliteit van het opheffen van de beslagen. Hierbij verzoek ik je namens jouw cliënte (…) te bevestigen dat de beslagen zijn opgeheven en – voor zover noodzakelijk – alle acties te nemen om de opheffing te doen realiseren.”

2.4

Op deze e-mail heeft mr. Van Dijk gereageerd bij e-mail van 7 juli 2014. Die e-mail luidt als volgt:

“Het vonnis van de rechtbank Almelo en jouw onderstaande e-mail besprak ik inmiddels met cliënte.

Hoewel het vonnis daartoe wel uitnodigt, is cliënte om haar moverende redenen niet voornemens in appel te gaan, mits [geïntimeerde 1] c.s. eveneens in het vonnis berusten. In het geval [geïntimeerde 1] c.s. appelleren, zal cliënte dat eveneens doen.

Cliënte is bereid de beslagen reeds hangende de appeltermijn op te heffen, in het geval [geïntimeerde 1] c.s. eveneens afzien van appel. Als je mij dat laatste bevestigt, zal ik de deurwaarder tot opheffing instrueren.”

2.5

Vervolgens antwoordt mr. Ziekman op deze e-mail bij e-mail van 8 juli 2014 als volgt:

“Dank voor jouw mail van gisteren. Ook [geïntimeerde 1] cs. willen het boek sluiten en zullen niet in appel gaan (met dezelfde aanname dat [Appellante] dat ook niet zal doen). Tegen deze achtergrond verzoek ik je de beslagen op te doen heffen.

[geïntimeerde 1] kwam nog wel met de zinnige opmerking dat beide partijen naar de huidige status moeten kijken. De heer Eijkelkamp zal contact zoeken met de heer Hijmissen om dit te bespreken. Het gaat dan puur om praktische aspecten hoe en of er verder nog samengewerkt moet worden.”

2.6

Een e-mail van mr. Ziekman aan mr. Van Dijk d.d. 9 juli 2014 luidt als volgt:

“Ik refereer aan mijn mail van gisteren. Gezien mijn zeer aanstaande vakantie wil ik graag alle losse eindjes afwikkelen. Kan je me vast namens [Appellante] bevestigen dat alle beslagen zijn opgeheven en/of zullen worden opgeheven.”

2.7

Een e-mail van mr. Van Dijk aan mr. Ziekman d.d. 9 juli 2014 luidt als volgt:

“De beslagen worden opgeheven. Wij instrueren vandaag de deurwaarder.”

2.8

Een e-mail van mr. Van Dijk aan mr. Ziekman d.d. 16 juli 2014 luidt als volgt:

“Inmiddels is de deurwaarder tot opheffing van de ten laste van [geïntimeerde 1] c.s. gelegde conservatoire beslagen overgegaan. Gemakshalve zend ik je bijgaand kopieën van de door hem verzonden opheffingsberichten.”

2.9

Deze correspondentie tussen de raadslieden van partijen bevat ondubbelzinnige uitingen over en weer van de wil om zich neer te leggen bij de uitspraak van de rechtbank indien de andere partij dat ook zou doen. In de e-mail van mr. Van Dijk van 7 juli 2014 wordt uitdrukkelijk gesproken over “eveneens (…) berusten” en “eveneens afzien van appel”. Deze e-mail kan niet anders worden gelezen dan als een mededeling namens [Appellante] dat zij zich wil neerleggen bij het vonnis, mits (of: onder de voorwaarde dat) [geïntimeerde 1] c.s. dat ook zullen doen. De enkele omstandigheid dat ook de woorden “niet voornemens” zijn gebruikt, doet aan het ondubbelzinnige karakter van de e-mail niet af. Op het moment dat mr. Ziekman bij e-mail van 8 juli 2014 meedeelde dat [geïntimeerde 1] c.s. ook niet in appel zullen gaan (met dezelfde aanname dat [Appellante] dat ook niet zal doen), was de door mr. Van Dijk gestelde voorwaarde vervuld en was de berusting door [Appellante] een feit.

2.10

Deze e-mailcorrespondentie kan ook worden opgevat als een vaststellingsovereenkomst tussen partijen waarbij mr. Ziekman namens [geïntimeerde 1] c.s. het door mr. Van Dijk namens [Appellante] gedane (ondubbelzinnige) aanbod om over en weer van hoger beroep af te zien (ondubbelzinnig) heeft aanvaard. Partijen hebben daarmee afgesproken dat zij geen rechtsmiddel zullen aanwenden tegen de uitspraak van de rechtbank. Ook zo bezien hebben zij in de uitspraak berust en aan hun geschil een definitief einde gemaakt.

2.11

Dat partijen dit ook op die manier hebben bedoeld, kan voorts worden afgeleid uit de omstandigheid dat mr. Ziekman in zijn e-mail van 8 juli 2014 “tegen de achtergrond van” de mededeling dat [geïntimeerde 1] c.s. niet in appel zullen gaan onder de aanname dat [Appellante] dat ook niet zal doen, om opheffing van de beslagen verzoekt. Mr. Van Dijk deelt vervolgens, in reactie daarop, bij e-mails van 9 en 16 juli 2014 zonder enige opmerking of voorbehoud mee dat de beslagen inderdaad worden respectievelijk zijn opgeheven.

2.12

Uit voornoemde correspondentie en gedragingen hebben [geïntimeerde 1] c.s. kunnen en redelijkerwijs mogen afleiden dat [Appellante] in de uitspraak had berust. Van een situatie waarin de omstandigheden wijzen op berusting maar de tegenovergestelde opvatting ook verdedigbaar is (vergelijk HR 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841, NJ 2003, 440), zoals [Appellante] heeft betoogd, is in dit geval geen sprake. Er is juist sprake van ondubbelzinnige mededelingen van de advocaten van beide partijen dat zal worden afgezien van hoger beroep als de andere partij dat ook doet. Nu beide advocaten dat over en weer hebben verklaard, is sprake van berusting (vergelijk HR 3 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8461, NJ 1988, 808). Dat door [Appellante] aan [geïntimeerde 1] c.s. zou zijn meegedeeld dat [Appellante] zich nog beraadde op het instellen van hoger beroep, kan aan de reeds door haar advocaat namens haar gedane verklaring van berusting niet afdoen. Met die berusting kwam aan de appeltermijn een einde en kreeg de uitspraak van de rechtbank kracht van gewijsde.

2.13

De slotsom is dat het beroep van [geïntimeerde 1] c.s. op berusting door [Appellante] slaagt. [Appellante] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep. Als de in het ongelijk gestelde partij, zal [Appellante] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. zullen worden vastgesteld op:

  • -

    griffierecht € 5.114,-

  • -

    salaris advocaat € 894,- (1 punt x tarief II).

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [Appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

veroordeelt [Appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. vastgesteld op € 5.114,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, Ch.E. Bethlem en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 december 2014.