Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10199

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
200.142.489
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vorderingen op grond van artikel 843a Rv afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.142.489 en 200.142.491

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 323114 en 332333)

arrest in incidenten van de eerste kamer van 30 december 2014

in de zaak met zaaknummer 200.142.489 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Thuiszorg van Oranje Service B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

appellante,

eiseres in de incidenten,

hierna: TVOA,

advocaat: mr. H.W. Prillevitz,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Rommana Zorg B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

verweerster in de incidenten,

hierna: Rommana,

advocaat: mr. J.P. de Man,

en

in de zaak met zaaknummer 200.142.491 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Thuiszorg van Oranje Utrecht B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

appellante,

eiseres in de incidenten,

hierna: TVO,

advocaat: mr. H.W. Prillevitz,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Rommana Zorg B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

verweerster in de incidenten,

hierna: Rommana,

advocaat: mr. J.P. de Man,

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg in de zaak met zaaknummer 200.142.489 en in de zaak met zaaknummer 200.142.491 verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 20 maart 2013 (strekkende tot het houden van een comparitie van partijen in de bij vonnis van 16 januari 2013 gevoegde zaken 332333 en 323114), 5 februari 2014 en 12 maart 2014, die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, in de zaak 200.142.489 tussen TVOA als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en Rommana als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie en in de zaak 200.142.491 tussen Rommana als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en TVO als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie heeft gewezen. Het vonnis van 5 februari 2014 is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2014:246.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in beide zaken blijkt uit:

- de dagvaardingen in hoger beroep d.d. 12 februari 2014,

- de exploten van vervroeging d.d. 20 februari 2014,

- de memories van grieven tevens houdende incidentele memorie ex artikel 843a Rv, tevens houdende memorie tot voeging, tevens houdende akte vermeerdering eis met producties,

- de memories van antwoord in het incident tot voeging en ex artikel 843a Rv,

- de aktes wijziging eis.

2.2

Partijen hebben de stukken voor het wijzen van de arresten in de incidenten aan het hof overgelegd en het hof heeft arrest bepaald.

3 De motivering van de beslissing in de incidenten

In het incident tot voeging

4.1

TVOA en TVO hebben om voeging verzocht van de procedures in hoger beroep met zaaknummer 200.142.489 en met zaaknummer 200.142.491. Rommana heeft geen bezwaar tegen voeging van beide procedures.

4.2

Het hof zal de incidentele vorderingen tot voeging toewijzen, nu de hiervoor genoemde zaken met elkaar verknocht zijn. Door de voeging blijven de vorderingen hun zelfstandigheid overigens behouden (HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997: ZC2500) en wordt de partij in de ene zaak niet automatisch partij in de andere zaak (HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999: ZC2904).

In het incident ex artikel 843a Rv

4.3

Tussen partijen is, kort gezegd, in geschil of TVOA en TVO bevoegd waren om

de tussen hen en Rommana op 5 juli 2011 gesloten samenwerkingsovereenkomst op 27 januari 2012 met onmiddellijke ingang op te zeggen dan wel om dit op 23 februari 2012,

voor zover vereist, alsnog te doen, wegens - volgens TVOA en TVO - ernstige tekortkomingen in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst door Rommana. De samenwerkingsovereenkomst was gericht op het uitvoeren van AWBZ natura gefinancierde thuiszorg in Amsterdam. TVO is enig aandeelhouder en bestuurder van TVOA. De samenwerkingsovereenkomst is in beginsel aangegaan voor onbepaalde tijd. Op grond van

artikel 3.3 kunnen partijen de samenwerkingsovereenkomst na 31 december 2012 ontbinden met een opzegtermijn van negen maanden. Ingevolge artikel 3.4 onder G. is ontbinding met onmiddellijke ingang mogelijk bij grove nalatigheid en/of schuld in de nakoming door Rommana op grond waarvan naar het oordeel van TVO in redelijkheid voortzetting van de samenwerkingsovereenkomst niet langer van haar kan worden verlangd. In de samenwerkingsovereenkomst is een exclusiviteitsbeding opgenomen voor de duur van de overeenkomst, inhoudende dat partijen geen overeenkomsten met derden zullen aangaan met betrekking tot het verlenen van AWBZ natura zorg in de stad Amsterdam.

4.4

In de voor de rechtbank gevoerde (gevoegde) procedures tussen TVOA en Rommana enerzijds en tussen Rommana en TVO anderzijds heeft de rechtbank samengevat de vorderingen (al dan niet in conventie of reconventie) van TVOA en/of TVO afgewezen tot vernietiging van de samenwerkingsovereenkomst op grond van dwaling dan wel tot verklaring voor recht dat TVOA en TVO de samenwerkingsovereenkomst terecht hebben opgezegd op 27 januari 2012 althans 23 februari 2012 wegens het bestaan van zodanige tekortkomingen van Rommana die een opzegging met onmiddellijke ingang rechtvaardigen en met betaling van verschuldigde boetes en terugbetaling van reeds door TVOA en TVO aan Rommana betaalde bedragen. De rechtbank heeft de vordering na eiswijziging (in reconventie in de zaak 323114) van Rommana tot betaling door TVOA van het nog op grond van de samenwerkingsovereenkomst verschuldigde winstaandeel van € 78.503 toegewezen, alsook het gevorderde bedrag aan schadevergoeding van € 420.283 en een boete van € 10.000. Ditzelfde is het geval ten aanzien van de vordering (in conventie in de zaak 332333) van Rommana jegens TVO, die gelijk is aan de reconventionele vordering (in de zaak 323114) van Rommana jegens TVOA.

4.5

In hoger beroep bestrijden TVOA en TVO de overwegingen van de rechtbank waarin hun vorderingen zijn afgewezen. Zij hebben zich daarbij onder meer beroepen op het in hoger beroep overgelegde "Rapport van het inspectiebezoek aan Maxima Zorg te Amsterdam op 22 december 2011" van april 2012 van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: het IGZ-rapport), waaruit onder meer blijkt dat Maxima Zorg B.V. (hierna: Maxima Zorg) op 1 januari 2012 formeel is gestart, dat Rommana formeel per 31 december 2011 haar activiteiten heeft beëindigd en dat de bestuurder en alle medewerkers van Rommana zijn overgegaan naar Maxima Zorg. Voorts hebben TVOA en TVO in hoger beroep een ondertekende verklaring van de heer [A], destijds directeur ad interim Intellimatch B.V./ Thuiszorg Zorgnet Thuisbest B.V., overgelegd, waarin hij verklaart dat in de periode 1 april 2011 tot eind januari 2012 Rommana als onderaannemer heeft gewerkt voor Intellimatch B.V. c.q. Thuiszorg Zorgnet Thuisbest B.V., aangaande het verlenen van AWBZ natura zorg in de stad Amsterdam.

4.6

TVOA en TVO vorderen (onder 111 van de memories van grieven tevens houdende incidentele memorie ex artikel 843a Rv, tevens houdende memorie tot voeging, tevens houdende akte vermeerdering eis) op grond van artikel 843a Rv inzage in alle overeenkomsten die Rommana en/of Maxima Zorg met Joost Zorgt hebben gesloten in het kader van het verlenen van de zorg aan de voormalige zorgcliënten van TVOA. Meer in het bijzonder vorderen TVOA en TVO een afschrift van:

a. a) de overeenkomst tussen Rommana en Maxima Zorg waarbij Rommana haar activiteiten per 1 januari 2012 aan Maxima Zorg heeft overgedragen;

b) de overeenkomsten tussen Rommana en Joost Zorgt op grond waarvan de voormalige zorgcliënten van TVOA van zorg zijn voorzien;

c) de overeenkomsten tussen Maxima Zorg en Joost Zorgt op grond waarvan Maxima Zorg medewerkers aan Joost Zorgt ter beschikking stelt;

d) de (arbeids)overeenkomsten die Maxima Zorg heeft gesloten met de voormalige werknemers van Rommana.

In de petita hebben TVOA en TVO afgifte door Rommana gevorderd binnen een week na het te wijzen arrest van de - na verbetering - onder 111 genoemde stukken, op straffe van een dwangsom. Uit de memories van antwoord in het incident tot voeging en ex artikel 843a Rv volgt dat Rommana de vordering van TVOA en TVO zodanig heeft opgevat dat TVOA en TVO afgifte vorderen van alle onder 111 genoemde stukken, ondanks dat TVOA en TVO aanvankelijk in de petita naar alinea 102 hadden verwezen. Het was derhalve voor Rommana duidelijk dat het hier ging om een verschrijving, hetgeen ook blijkt uit haar uitgebreide verweer waarbij Rommana ook expliciet aan alinea 111 refereert en bij haar verweer ook uitgaat van afgifte van alle onder 111 genoemde stukken. Het hof gaat hier ook van uit.

4.7

TVOA en TVO hebben ter onderbouwing van hun vordering op grond van artikel 843a Rv gesteld dat zij belang bij inzage in deze stukken hebben, omdat zij aan de hand van deze stukken zich kunnen verweren tegen de vordering van Rommana tot vergoeding van schade en tegen de omvang daarvan.

4.8

Rommana heeft aangevoerd dat TVOA en TVO niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering gebaseerd op artikel 843a Rv, nu zij deze vordering voor het eerst in hoger beroep hebben ingesteld.

Het hof overweegt als volgt. Artikel 843a Rv ziet op de exhibitieplicht in en buiten rechte en kent een zelfstandige bevoegdheid toe aan de daarin bedoelde belanghebbende. Een vordering op de voet van artikel 843a Rv tot nakoming van deze exhibitieplicht kan worden ingesteld hetzij in een lopend geding hetzij in een afzonderlijk geding (vergelijk HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7774). Geen rechtsregel schrijft voor dat het instellen van de vordering in een lopend geding niet voor het eerst in hoger beroep kan geschieden. TVOA en TVO zijn derhalve ontvankelijk in het instellen van hun vordering op grond van artikel 843a Rv.

4.9

Rommana heeft voorts gemotiveerd aangevoerd dat de vorderingen van TVOA en/of TVO moeten worden afgewezen omdat zij niet aan de vereisten van artikel 843a Rv voldoen, doordat ofwel afgifte van stukken wordt gevorderd die niet bestaan, ofwel afgifte wordt gevorderd van stukken waarbij Maxima Zorg partij is terwijl Maxima Zorg geen partij is in onderhavige procedure, ofwel in de gevorderde stukken een geheimhoudingsbeding is opgenomen dat aan afgifte in de weg staat, ofwel zij de stukken niet onder haar berusting heeft, ofwel dat het niet gaat om stukken aangaande een rechtsbetrekking waarbij TVOA of TVO partij is. Voorts betwist Rommana dat TVOA en TVO zonder de gevorderde stukken een onredelijk nadeel zouden lijden waardoor een behoorlijke rechtsbedeling niet mogelijk is en dat het er veel van weg heeft dat hier sprake is van een “fishing expedition”.

4.10

Het hof stelt voorop dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van een aantal cumulatieve vereisten. Op grond van het eerste lid van artikel 843a Rv moet de eiser een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en moet hij inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. Artikel 843aRv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan TVOA en TVO slechts vermoeden dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan hun stellingen. Ook indien aan voormelde vereisten is voldaan, kan de vordering wegens gewichtige redenen of omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd, worden afgewezen.

4.11

Het hof oordeelt als volgt. TVOA en TVO hebben geen voldoende duidelijke toelichting gegeven op de door hen (per categorie) gevorderde bescheiden. Hierdoor is (onder meer) in onvoldoende mate duidelijk geworden wat hun belang is bij afgifte van de gevorderde stukken. Het hof zal in het navolgende op elke categorie nader ingaan.

a) de overeenkomst tussen Rommana en Maxima Zorg waarbij Rommana haar activiteiten per 1 januari 2012 aan Maxima Zorg heeft overgedragen

4.12

Ten aanzien van de onder a) gevorderde overeenkomst geldt dat uit het IGZ-rapport onder meer volgt dat:

- Maxima Zorg een nieuwe thuiszorgorganisatie is die formeel is gestart op 1 januari 2012;

- tot 1 januari 2012 medewerkers en bestuurder op hetzelfde adres werkzaam waren voor Rommana;

- Rommana formeel per 31 december 2011 haar activiteiten heeft beëindigd;

- de bestuurder en alle medewerkers van Rommana zijn overgegaan naar Maxima Zorg;

- er wordt gewerkt op basis van een samenwerkingsovereenkomst hoofdaannemer-onderaannemer als onderaannemer voor cliënten van Zorgnet Thuisbest en Thuiszorg van Oranje.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de hiervoor vermelde inhoud van het IGZ-rapport, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde overeenkomst onder a) een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd. TVOA en TVO hebben ook niet toegelicht waarin, kennelijk in aanvulling op de informatie kenbaar uit het IGZ-rapport, hun rechtmatig belang tot afgifte is gelegen van de onder a) gevorderde overeenkomst. Om die reden komt het hof dan ook niet meer toe aan de beoordeling of aan de overige cumulatieve vereisten van artikel 843a Rv is voldaan.

b) de overeenkomsten tussen Rommana en Joost Zorgt op grond waarvan de voormalige zorgcliënten van TVOA van zorg zijn voorzien

4.13

Rommana heeft ter afwering van de afgifte van de onder b) gevorderde overeenkomsten aangevoerd dat Rommana geen overeenkomsten ter zake de voormalige zorgcliënten van TVOA met Joost Zorgt heeft gesloten en deze overeenkomsten dus niet bestaan.

Het hof stelt vast dat TVOA en TVO geen voldoende toelichting hebben gegeven dat de gevorderde overeenkomsten ook inderdaad bestaan. Integendeel, uit de overgelegde stukken volgt juist dat zorgcliënten rechtstreeks met hoofdaannemers als TVOA en Joost Zorgt overeenkomsten aangaan en niet met onderaannemers als Rommana en Maxima Zorg.

In de e-mail van 8 maart 2012 van TVO aan Rommana over de omzetting van cliënten naar Joost Zorgt, maakt TVO bijvoorbeeld aan Rommana duidelijk dat zolang de zorgcliënten en de werknemers geen andere overeenkomst hebben, zij een overeenkomst met TVO blijven houden. TVO is uitsluitend bereid om de zorgcliënten over te zetten als zij van de desbetreffende zorgcliënten een getekende verklaring hebben ontvangen dat zij met een overdracht naar een andere zorgaanbieder akkoord zijn. Eerst vanaf de datum dat de AGB-code (Algemeen Gegevens Beheer-code) in de administratie van het Zorgkantoor feitelijk is overgezet, gelden de zorgcliënten als overgezet naar de andere zorgaanbieder, aldus TVO.

En in de e-mail van 12 maart 2012 bericht TVO aan Rommana en Joost Zorgt , dat uit de overeenkomst tussen de zorgcliënt en het Zorgkantoor volgt welke zorgaanbieder de zorg kan verlenen. Wie deze door het Zorgkantoor erkende en toegelaten zorgaanbieder is, blijkt uit de AGB-code van het betreffende indicatiebesluit en uit de administratie van het Zorgkantoor. In deze e-mail maakt TVO andermaal duidelijk dat alleen zij heeft te gelden als de toegelaten zorgaanbieder en dat de AGB-code aan haar is verbonden en niet aan Rommana.

Hieruit lijkt te volgen dat TVOA en TVO in ieder geval zicht hadden op welke zorgcliënten die eerst door TVOA (als hoofdaannemer) werden bediend, zijn overgezet naar een andere door het Zorgkantoor toegelaten en erkende zorgaanbieder, zoals Joost Zorgt. Voor zover TVOA en TVO doelen op de overeenkomst tussen Rommana dan wel Maxima Zorg met Joost Zorgt, hebben zij onvoldoende toegelicht wat deze overeenkomst kan toevoegen aan de informatie over haar voormalige zorgcliënten. Uit de stukken volgt overigens dat niet Rommana maar Maxima Zorg met Joost Zorgt een overeenkomst heeft gesloten waarbij Maxima Zorg als onderaannemer optreedt. Hieruit volgt bovendien niet dat uit die overeenkomst valt af te leiden dat voormalige zorgcliënten van TVOA van zorg zijn voorzien, nu de zorgcliënten vrij zijn in hun keuze met welke hoofdaannemer zij een overeenkomst tot zorg willen aangaan.

De gevraagde bescheiden voldoen daarmee niet aan het vereiste dat zij voldoende bepaalbaar zijn. Bovendien is niet voldoende vast komen te staan dat voldaan is aan het vereiste dat het om stukken gaat die Rommana onder haar beschikking of berusting heeft. Het voorgaande geldt evenzeer voor de door TVOA en TVO in meer algemene zin gevorderde inzage in alle overeenkomsten die Rommana en/of Maxima Zorg met Joost Zorgt hebben gesloten in het kader van het verlenen van zorg aan de voormalig zorgcliënten van TVOA. Rommana betwist immers overeenkomsten met Joost Zorgt te hebben gesloten. Evenzeer betwist Rommana dat zij de overeenkomsten die tussen Maxima Zorg en Joost Zorgt zijn overeengekomen onder haar beschikking of berusting heeft. Zoals hiervoor overwogen hebben TVOA en TVO onvoldoende toegelicht welke overeenkomsten tussen Maxima Zorg en Joost Zorgt zij op het oog hebben en, in het verlengde daarvan, welk rechtmatig belang zij daarbij hebben.

c) de overeenkomsten tussen Maxima Zorg en Joost Zorgt op grond waarvan Maxima Zorg medewerkers aan Joost Zorgt ter beschikking stelt;

d) de (arbeids)overeenkomsten die Maxima Zorg heeft gesloten met de voormalige werknemers van Rommana

4.14

Ten aanzien van de onder c) en d) gevorderde bescheiden geldt dat het hier gaat om overeenkomsten waarbij Rommana geen partij is. Zonder nadere toelichting, die TVOA en TVO in onvoldoende mate hebben gegeven, staat niet vast dat Rommana deze bescheiden onder haar beschikking of berusting heeft, hetgeen Rommana ook heeft betwist.

Daarnaast heeft te gelden dat de gevorderde stukken niet voldoende bepaalbaar zijn. Gevorderd worden immers overeenkomsten aangaande niet nader geduide medewerkers waarvan TVOA en TVO bovendien niet hebben toegelicht in hoeverre die bescheiden hun licht kunnen laten schijnen op voor hen relevante verbintenissen. Daarbij komt dat aannemelijk is dat TVO op grond van haar eigen administratie weet om welke medewerkers het gaat. Dit lijkt ook te volgen uit de hiervoor genoemde e-mail van 8 maart 2012, waarin TVO aangeeft dat de werknemers die met haar een contract hebben, dit vooralsnog ook blijven houden. Ook hebben TVOA en TVO niet toegelicht hoe de onder c) en d) gevraagde bescheiden zich verhouden tot de e-mail van 16 maart 2012 van Joost Zorgt aan TVO waarin Joost Zorgt om informatie vraagt over de arbeidsvoorwaarden van de medewerkers bij TVO en over de productie per medewerker in de periode 1 en 2. Evenmin hebben TVOA en TVO toegelicht dat TVO bij e-mail van 19 maart 2012 aan Rommana vraagt om gegevens van alle cliënten en alle medewerkers. Dit had, gelet op de tegenstrijdigheden met haar eigen e-mails, wel op haar weg gelegen. Daarnaast had het op de weg van TVOA en TVO gelegen om nader toe te lichten op welke periode de gevraagde bescheiden betrekking zouden moeten hebben. Ook dit hebben TVOA en TVO niet gedaan, terwijl wel uit haar eigen processtukken valt af te leiden dat niet in debat is dat Joost Zorgt op enige moment de rol van TVOA heeft overgenomen ten aanzien van de destijds via Rommana bij TVOA aangebrachte zorgcliënten, dat TVOA eind maart 2012 de arbeidsovereenkomsten van een tiental werknemers heeft geëindigd, welke werknemers bij haar in dienst waren voor bepaalde tijd en dat in april 2012 de werknemers uit dienst zijn getreden bij TVOA en in dienst bij Joost Zorgt. Voorts volgt uit de processtukken van TVOA en TVO dat TVO zorgcliënten heeft teruggegeven aan het Zorgkantoor, waarna het Zorgkantoor die cliënten in de bestanden van het Zorgkantoor half april 2012 “en bloc” heeft overgezet naar Joost Zorgt. Ook volgt uit de processtukken van TVOA en TVO en de aan beide kanten grote hoeveelheden overgelegde producties, dat partijen elkaar voortdurend lijsten met zorgcliënten en werknemers hebben toegestuurd en dat door TVO begin 2012 een audit op de administratie van Rommana heeft doen uitvoeren. Bij die stand van zaken had het op de weg van TVOA en TVO gelegen om in voldoende bepaalbare mate opgave te doen ten aanzien van welke medewerker zij stukken verlangt en nauwkeurig aangeeft wat haar belang bij die afgifte is. Dit alles hebben TVOA en TVO niet gedaan.

4.15

De conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen van TVOA en TVO op grond van artikel 843a Rv moeten worden afgewezen. De overgelegde verklaring van [A] doet aan het voorgaande niet af; deze lijkt geen verband te houden met de door TVOA en TVO opgevraagde stukken.

5 Slotsom

5.1

De vorderingen tot voeging zullen worden toegewezen. De vorderingen op grond van artikel 843a Rv zullen worden afgewezen.

5.2

Het hof zal TVOA en TVO, als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partijen, in de kosten van het incident veroordelen. De kosten per partij zullen worden vastgesteld op € 894 aan salaris advocaat (1 punt x tarief II).

5.3

De hoofdzaken zullen naar de rol worden verwezen voor memorie van antwoord.

5.4

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in beide zaken:

in het incident tot voeging:

voegt de bij het hof aanhangige zaak met nummer 200.142.489 met de bij het hof aanhangige zaak met nummer 200.142.491;

voegt de bij het hof aanhangige zaak met nummer 200.142.491 met de bij het hof aanhangige zaak met nummer 200.142.489;

in het incident ex artikel 843a Rv:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt TVOA in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Rommana vastgesteld op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt TVO in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Rommana vastgesteld op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

in de hoofdzaken met zaaknummer 200.142.489 en 200.142.491:

- verwijst de zaken naar de roldatum van 10 februari 2015 voor memorie van antwoord;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, Ch.E. Bethlem en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 december 2014.