Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10193

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
200.134.402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling van een vordering tot uitbetaling van vakantiedagen op basis van oud en nieuw recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.134.402

(zaaknummer rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem 847606)

arrest van de derde kamer van 30 december 2014

in de zaak van

1.de vennootschap onder firma V.O.F. [Appellant], gevestigd te [vestigingsplaats],2.[appellant 2], wonende te [woonplaats],

3. [Appellante 3],
wonende te [woonplaats],
4. [appellant 4],
wonende te [woonplaats],
appellanten in het principaal hoger beroep,
geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. N. Baouch,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellant in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.A. Schmidt.


Appellanten worden in dit arrest aangeduid als respectievelijk de vof, [appellant 2], [Appellante 3] en [appellant 4] en appellanten gezamenlijk worden in enkelvoud [appellant 2] c.s. genoemd.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
15 februari 2013 en 29 mei 2013 die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) tussen [appellant 2] c.s. als eisende partij in conventie/verwerende partij in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde partij in conventie/eisende partij in reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

[appellant 2] c.s. heeft bij exploot van 7 augustus 2013 [geïntimeerde] aangezegd van dat vonnis van 29 mei 2013 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2

Bij memorie van grieven heeft [appellant 2] c.s. zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, heeft hij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende:
I. de loonaanspraak van [geïntimeerde] over de periode januari 2009 tot aan het einde van de
dienstbetrekking gematigd zal vaststellen, in dier voege dat een korting van 20% over
het CAO-salaris door de vof mag worden toegepast, althans een zodanig bedrag als het
hof in goede justitie zal vernemen te behoren;
II. de wettelijke verhoging op nihil zal stellen, althans op een zodanig bedrag als het hof in

goede justitie zal vernemen te behoren;
III. [geïntimeerde] in zijn reconventionele vordering in eerste aanleg niet-ontvankelijk zal

verklaren, althans hem deze vordering zal ontzeggen;
IV. subsidiair zal overgaan tot vernietiging van het bestreden vonnis, met terugwijzing
naar de rechtbank Gelderland, sector kanton, locatie Arnhem;
V. alles met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure in beide instanties
en alles bij uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.

2.3

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd. Hij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellant 2] c.s. in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vordering van [appellant 2] c.s. zal afwijzen en het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen.

2.4

Bij dezelfde memorie heeft [geïntimeerde] incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis en heeft hij daartegen één grief aangevoerd. Hij heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, voor zover daarbij niet meer dan het bedrag van
€ 6.143,56 wordt toegewezen en, opnieuw recht doende, [appellant 2] c.s. zal veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag groot € 8.622,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2012 tot de dag der algehele voldoening.

2.5

Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [appellant 2] c.s.

verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof de vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, althans [geïntimeerde] in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

2.6

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.


3.De vaststaande feiten

3.1

In hoger beroep staan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, dan wel op grond van de – in zoverre niet bestreden – inhoud van de overgelegde producties, de volgende feiten vast.

3.2

[geïntimeerde] is op 15 februari 2007 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende 38 uur per week als magazijnmedewerker bij de vof in dienst getreden.

3.3

Op 2 september 2010 heeft [geïntimeerde] zich bij [appellant 2] c.s. ziek gemeld.

3.4

Bij vonnis in kort geding van 29 april 2011 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht op vordering van [geïntimeerde], voor zover hier van belang, de volgende voorzieningen gegeven:
I. veroordeelt [appellant 2] c.s. hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen
van die betaling zullen zijn bevrijd, te betalen aan [geïntimeerde]:
a. een bedrag van € 2.708,96 netto aan achterstallig loon over de periode van januari 2009
tot juli 2010;
b. het brutoloon van € 2.221,47 per maand over de periode van juli 2010 tot februari 2011,
het netto equivalent hiervan te verminderen met het reeds door [appellant 2] c.s.
uitgekeerde nettoloon over de periode, alsmede te verminderen met een nettobedrag van
€ 1.050,-;
c. het brutoloon van € 2.248,14 per maand over de maanden februari 2011 en maart 2011,
te verminderen met een bedrag van € 2.000,- netto;

d. een (totaal)bedrag van € 800,- bruto aan eenmalige uitkeringen ex CAO;
e. een bedrag van € 2.134,80 bruto aan vakantiegeld;
f. de wettelijke verhoging over de bij a. tot en met e. vermelde bedragen;
g. de wettelijke rente over de bij a. tot en met f. vermelde bedragen vanaf de dag der
opeisbaarheid tot aan de dag der voldoening;
(…)
II. veroordeelt [appellant 2] c.s., hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen

van die betaling zullen zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten aan de zijde van
[geïntimeerde] (…);
III. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

3.5

Bij verstekvonnis in kort geding van 15 augustus 2011 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem op een vordering van [geïntimeerde], voor zover hier van belang, de volgende voorzieningen gegeven:
I. veroordeelt [appellant 2] c.s. hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen
zullen zijn bevrijd, te betalen aan [geïntimeerde]:
a. het loon over de maanden april en mei 2011 ten maandelijkse bedrage van € 2.248,13
bruto, althans 90% van het loon wegens ziekte van [geïntimeerde] langer dan 6 maanden,
zijnde € 2.023,32, onder afgifte aan [geïntimeerde] van een deugdelijke bruto-
/nettospecificatie van de alsdan gedane betaling;
b. het loon over de maanden juni en juli 2011 ten maandelijkse bedrage van € 2.248,13
bruto (exclusief vakantietoeslag), althans 90% van het loon wegens ziekte van [geïntimeerde]

langer dan 6 maanden, zijnde € 2.023,32;
c. het vakantiegeld per 30 juni 2011 ten bedrage van € 2.143,28 bruto, onder afgifte aan

[geïntimeerde] van een deugdelijke bruto-/nettospecificatie van de alsdan gedane betaling;
d. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de bij a. en c. vermelde bedragen op
de wijze zoals in genoemd artikel voorzien;
e. de wettelijke rente over de bij a. en c. vermelde bedragen vanaf 21 juni 2011 tot
de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt [appellant 2] c.s. hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen
zijn bevrijd, om vanaf de maand augustus 2011 haar loonbetalingsverplichting na
te komen ten bedrage van € 2.248,13 bruto, althans 90% van het loon wegens ziekte van
[geïntimeerde] langer dan 6 maanden, zijnde € 2.023,32, tot de datum waarop het
dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, dan wel tot de datum waarop de verplichting

tot loondoorbetaling op andere grond komt te vervallen;

(…)
IV. veroordeelt [appellant 2] c.s., hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de anderen

zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] (…);
V. verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
VI. wijst het meer of anders gevorderde af.

3.6

Bij beschikking van 29 mei 2012 heeft de kantonrechter in de rechtbank Arnhem, op verzoek van de vof, de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens veranderingen in de omstandigheden met ingang van 29 mei 2012 ontbonden.



4.De motivering van de beslissing in hoger beroep



4.1 Tegen de achtergrond van de onder 3 vermelde feiten heeft [appellant 2] c.s. in eerste aanleg in conventie de hiervoor onder 2.2 sub I. en II. vermelde vordering bij de kantonrechter ingediend. [appellant 2] c.s. heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat het aan [geïntimeerde] verschuldigde loon moet worden gematigd, omdat geen sprake was van reële ziekte aan de zijde van [geïntimeerde] en hij na zijn ziekte zijn werkzaamheden niet wilde hervatten. Voor de wettelijke verhoging is volgens [appellant 2] c.s. geen plaats, omdat sprake is van een nijpende financiële situatie aan de zijde van [appellant 2] c.s.

4.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellant 2] c.s. zal veroordelen aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 6.143,56 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2012, althans vanaf een datum door de kantonrechter in goede justitie te bepalen en in de kosten van het geding. Hij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [appellant 2] c.s. bij het einde van het dienstverband heeft verzuimd niet-genoten vakantiedagen af te rekenen en dat hij over de periode van 1 juli 2011 tot en met 29 mei 2012 vakantiegeld van [appellant 2] c.s. tegoed heeft.

4.3

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 29 mei 2013 in conventie geoordeeld dat de grondslag van de vordering van [appellant 2] c.s. onduidelijk is gebleven en dat de vordering niet voldoende met feiten is onderbouwd. De rechtbank heeft in reconventie geoordeeld dat de vordering moet worden toegewezen, daar deze niet is betwist door [appellant 2] c.s. en voor het overige noch onrechtmatig noch ongegrond voorkomt. In het dictum van het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie de vordering van de vof afgewezen en in reconventie de vof en haar firmanten [appellant 2], [Appellante 3] en [appellant 4], hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, veroordeeld aan [geïntimeerde] tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 6.143,56 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede in conventie en in reconventie de vof veroordeeld in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.


4.4 In hoger beroep staat tussen partijen niet ter discussie dat de berekening van de deurwaarder, welke berekening in eerste aanleg als productie 12 van de zijde van [appellant 2] c.s. in het geding is gebracht, een juiste weergave vormt van hetgeen [appellant 2] c.s. aan loon en wettelijke verhoging jegens [geïntimeerde] is verschuldigd. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de berekening is afgewikkeld in die zin dat [geïntimeerde] het daarin genoemde bedrag van € 3.498,34 aan [appellant 2] c.s. heeft terugbetaald. Thans ligt de vraag voor of grond bestaat de loonaanspraak en de wettelijke verhoging te matigen.

Matiging van de loonaanspraak


4.5 Het hof is van oordeel dat de door [appellant 2] c.s. aangevoerde gronden niet kunnen leiden tot een matiging van de loonaanspraak en overweegt het volgende.

4.6

[appellant 2] c.s. heeft – tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] – niet onderbouwd dat [geïntimeerde] in werkelijkheid niet ziek was en niet heeft meegewerkt aan zijn re-integratie en op alle mogelijke manieren heeft geprobeerd [appellant 2] c.s. te schaden. Uit de beslissing op bezwaar van 30 januari 2013 van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) volgt dat niet. In die beslissing is vermeld dat de re-integratie-inspanningen van [appellant 2] c.s. onvoldoende zijn geweest. Over de inspanningen van [geïntimeerde] is daarin geen beslissing genomen. [appellant 2] c.s. heeft weliswaar gesteld dat de beslissing is gebaseerd op onjuiste gegevens die door [geïntimeerde] zijn verstrekt, maar deze stelling is niet nader toegelicht en de juistheid daarvan blijkt niet uit de stukken. Dat [geïntimeerde] heeft geweigerd zijn medische gegevens aan [appellant 2] c.s. te verstrekken, betekent, anders dan [appellant 2] c.s. heeft aangevoerd, niet dat Attveld enige
re-intergratieverplichting heeft geschonden. Bovendien is een brief van 30 november 2011 overgelegd (productie 10 in eerste aanleg van de zijde [appellant 2] c.s.), waarin [A], bedrijfsarts, schrijft dat [geïntimeerde] geen mogelijkheden heeft om eigen/aangepast werk te verrichten en voorts dat spanningen tussen partijen de re-integratie van [geïntimeerde] belemmerden.

4.7

Indien juist is dat [appellant 2] c.s. zich in de voorliggende periode in moeilijke financiële omstandigheden bevond, dan komt dit op grond van artikel 7:628 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in beginsel voor rekening van [appellant 2] c.s. [appellant 2] c.s. heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op basis waarvan dat in het onderhavige geval anders zou moeten zijn dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.8

Dat [appellant 2] c.s. schade heeft geleden ten gevolge van het feit dat de vonnissen in kort geding aanvankelijk tegen een hoger bedrag zijn geëxecuteerd dan in de veroordelingen is vervat, kan op basis van de stukken niet worden vastgesteld. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] het teveel aan hem betaalde bedrag aan [appellant 2] c.s. heeft terugbetaald. De stelling dat haar goede naam als gevolg van de executies is geschonden, heeft [appellant 2] c.s. niet nader toegelicht. Of [appellant 2] c.s. schade heeft geleden en, zo ja, in welke omvang en op welke wijze is evenmin onderbouwd. Daarbij komt dat niet vast staat dat [geïntimeerde] een persoonlijk verwijt treft van het feit dat bij de executie een fout is gemaakt.



Matiging van de wettelijke verhoging

4.9

Het hof ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding de wettelijke verhoging van 50% tot matigen en wel tot 10%. Daartoe wordt overwogen dat [appellant 2] c.s. heeft onderbouwd dat haar bedrijfsresultaten in 2009, 2010 en 2011 onder druk hebben gestaan, hetgeen [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende heeft weersproken. Voorts wordt in aanmerking genomen dat beide partijen een aandeel hebben gehad in de discussie ten aanzien van de (afwikkeling van de) loonaanspraak en [appellant 2] c.s. niet stelselmatig in gebreke is gebleven tijdig het loon te voldoen.

De vakantiedagen en vakantietoeslag


4.10 Voor zover de kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte geen acht heeft geslagen op de akte in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van 15 februari 2013 worden daaraan geen consequenties verbonden. Het hoger beroep strekt immers (mede) ertoe fouten en verzuimen van de eerste aanleg te corrigeren. Het hof zal de inhoud van de akte alsnog in zijn beoordeling betrekken.

4.11

Tot 1 januari 2012 gold ten aanzien van het verwerven van aanspraak op vakantie artikel 7:635 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (oud) (hierna: BW). In dit artikel was bepaald dat de werknemer, die de bedongen arbeid niet verricht wegens ziekte, ongeacht of hij aanspraak heeft op loon, aanspraak op vakantie verwerft over het tijdvak van de laatste zes maanden waarin de arbeid niet werd verricht. Het hof begrijpt dat [appellant 2] c.s. zich op dit artikel beroept.

4.12

Op 1 januari 2012 is de “Wet van 26 mei 2011 inzake het afschaffen van de beperkte opbouw van minimum vakantierechten tijdens ziekte, de invoering van een vervaltermijn voor de minimum vakantiedagen en de aanpassing van enige andere artikelen in de regeling voor vakantie en verlof in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek” in werking getreden. Deze wet heeft, bij gebreke van andersluidend overgangsrecht, onmiddellijke werking. Met de inwerkingtreding van de nieuwe wet is artikel 7:635 lid 4 BW (oud) vervallen.

4.13

Voor zover [geïntimeerde] met zijn stelling dat de opbouw van de vakantiedagen tijdens ziekte in eerste aanleg ten onrechte is beperkt tot de periode na 1 januari 2012 heeft betoogd dat aan de nieuwe wet terugwerkende kracht moet worden toegekend, volgt het hof hem niet in dit betoog. Het mogelijk toekennen van terugwerkende kracht is bij de parlementaire behandeling van de wet ter sprake geweest. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft daarover in de Memorie van antwoord Eerste Kamer bij wetsvoorstel 32465 van 5 april 2011 naar voren gebracht:

Invoering van de nieuwe wetgeving met terugwerkende kracht (…) zoals de werknemersorganisaties bepleiten, zou betekenen dat een langdurig zieke werknemer, of een voormalig langdurig zieke werknemer, alsnog jegens zijn (ex)werkgever aanspraak zou kunnen maken op volledige opbouw van wettelijke minimum vakantiedagen of de uitbetaling daarvan bij het einde van de arbeidsovereenkomst. Zoals aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag wordt dit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel geacht.”

Uit dit citaat leidt het hof af dat de wetgever bewust gekozen heeft voor het achterwege laten van de invoering van de nieuwe wet met terugwerkende kracht.


4.14 Gelet op het voorgaande moet de aanspraak van [geïntimeerde] over de periode vanaf
1 januari 2012 op basis van de nieuwe wet en over de periode daarvoor op basis van de oude wet worden beoordeeld.

Periode van 1 januari 2009 tot 2 september 2010

4.15

De periode van 1 januari 2009 tot 2 september 2010 wordt niet in de op artikel 7:635 lid 4 BW (oud) gegronde beoordeling betrokken, omdat [geïntimeerde] in deze periode niet ziek was. [geïntimeerde] heeft over 2009 onweersproken een aanspraak van acht vakantiedagen opgebouwd. Over de periode van 1 januari 2010 tot 2 september 2010 heeft hij, uitgaande van een opbouw van 24 vakantiedagen per jaar, een aanspraak van 16 vakantiedagen opgebouwd.

Periode van 2 september 2010 tot 1 januari 2012

4.16

[geïntimeerde] heeft op grond van voornoemd artikel 7:635 lid 4 BW (oud) over de periode van 2 september 2010 tot 1 januari 2012 aanspraak op vakantie over het tijdvak van de laatste zes maanden waarin de arbeid niet werd verricht, derhalve over het tijdvak van 1 juli 2011 tot 1 januari 2012. Uitgaande van de onweersproken aanspraak van 24 vakantiedagen per jaar, heeft [geïntimeerde] over deze periode aanspraak op twaalf vakantiedagen.

Periode van 1 januari 2012 tot 29 mei 2012


4.17 Als onweersproken staat vast dat [geïntimeerde] over de periode van 1 januari 2012 tot
29 mei 2012 een aanspraak van tien vakantiedagen heeft opgebouwd. In artikel 7:640a BW is bepaald dat de aanspraak op het minimum, bedoeld in artikel 634, vervalt zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven, tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. Het hof begrijpt dat [appellant 2] c.s. zich met de stelling dat de aanspraak van [geïntimeerde] is verjaard op dit artikel beroept en overweegt omtrent dit beroep het volgende.

4.18

[geïntimeerde] heeft de aanspraak in 2012 opgebouwd. Bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, ingekomen ter griffie van de rechtbank Arnhem 10 december 2012, heeft hij voor het eerst betaling van de niet-genoten vakantiedagen gevorderd. Nu hieruit volgt dat [geïntimeerde] de vordering heeft ingesteld voordat de vervaltermijn van zes maanden is gaan lopen, moet het beroep op verval worden verworpen.

4.19

De conclusie van het voorgaande is dat [geïntimeerde] over periode van 1 januari 2009 tot 29 mei 2012 een aanspraak van in totaal 46 vakantiedagen heeft opgebouwd.

4.20

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij in de zomer 2010 tien vakantiedagen heeft opgenomen, zodat hij thans recht heeft op uitbetaling van 36 niet-genoten vakantiedagen. [appellant 2] c.s. heeft dit betwist. Hij heeft gesteld dat [geïntimeerde] over 2009 en 2010 2 maal 18,5 vakantiedagen heeft opgenomen en dat [geïntimeerde] daarnaast 97 uren (ruim twaalf dagen) extra verlof heeft opgenomen om met zijn zoon naar een instelling voor psychische hulp te gaan, zodat [geïntimeerde] per saldo één vakantiedag teveel heeft opgenomen.


4.21 Het hof stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast van het tegoed aan vakantiedagen aan de zijde van de werknemer ligt, maar dat de werkgever blijkens vaste jurisprudentie bij betwisting van het door de werknemer gestelde tegoed in beginsel zijn betwisting mede zal moeten motiveren aan de hand van uit de administratie blijkende gegevens die dan ook door de werkgever in het geding moeten worden gebracht (Hoge Raad 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8560).

4.22

In het onderhavige geval heeft [appellant 2] c.s. zijn verlofadministratie niet in het geding gebracht zonder te stellen waarom hij dat heeft nagelaten en of en, zo ja, op welke wijze hij het verlof heeft bijgehouden. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant 2] c.s. de stelling van [geïntimeerde] daarmee onvoldoende gemotiveerd weersproken. Gelet hierop wordt ervan uitgegaan dat [geïntimeerde], zoals hij zelf heeft aangevoerd, tien vakantiedagen van zijn totale aanspraak van 46 vakantiedagen heeft opgenomen. Uitgaande van een onweersproken waarde van € 117,96 bruto per vakantiedag, heeft [geïntimeerde] jegens [appellant 2] c.s. aanspraak op een bedrag van € 4.246,56 bruto aan niet-genoten vakantiedagen.

4.23

[appellant 2] c.s. heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd dat hij voornoemd bedrag, alsmede een bedrag van € 1.780,52 bruto aan vakantietoeslag over de periode van
1 juli 2011 tot 29 mei 2012 reeds aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Uit de in eerste aanleg van de zijde van [geïntimeerde] als productie 6, 7 en 12 overgelegde overzichten kan dat niet worden afgeleid.

4.24

Uitgaande van hetgeen hiervoor onder 4.22 en 4.23 is overwogen met betrekking tot vorderingen van [geïntimeerde] van in totaal € 6.027,08 bruto, vermeerderd met de – als niet weersproken toe te wijzen – wettelijke rente met ingang van 29 mei 2012, terwijl in eerste aanleg een bedrag ter zake van vakantiedagen en vakantietoeslag van € 6.143,56 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2012, is toegewezen, en onder 4.9 ter zake van matiging van de wettelijke verhoging tot 10%, zal [geïntimeerde], gelet op de in rechtsoverweging 4.4 genoemde berekening van de deurwaarder waarin is uitgegaan van een wettelijke verhoging van 50%, een bedrag moeten terugbetalen aan [appellant 2] c.s. Het hof zal de zaak naar de in het dictum genoemde roldatum verwijzen om partijen, eerst [appellant 2] c.s. en daarna [geïntimeerde], in de gelegenheid te stellen bij akte zich uit te laten over de hoogte van dat bedrag.


4.25 Verder wordt iedere beslissing aangehouden, ook die met betrekking tot de bij het bestreden vonnis uitgesproken proceskostenveroordelingen.

5 De beslissing


Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 20 januari 2015 om partijen, [appellant 2] c.s. als eerste, in de gelegenheid te stellen bij akte zich uit te laten over de hoogte van het door [geïntimeerde] aan [appellant 2] c.s. terug te betalen bedrag;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, E.B. Knottnerus en M.F.J.N. van Osch en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 december 2014.