Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10080

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
13-01-2015
Zaaknummer
200.137.063-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afrekening krachtens huwelijkse voorwaarden. Periodiek verrekenbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.137.063/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/56629/FA RK 06-689)

beschikking van de familiekamer van 23 december 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.J. Meijer, kantoorhoudend te Haarlem,

tegen

[verweerster],

wonende te [B],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.J.L.M. Johannink, kantoorhoudend te Coevorden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de (toenmalige) rechtbank Assen van 22 augustus 2012 en de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 augustus 2013, hersteld bij beschikking van 23 oktober 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 12 november 2013;

- een journaalbericht met bijlagen van mr. Meijer van 18 december 2013;

- een journaalbericht met bijlage van mr. Meijer van 24 december 2013, ingekomen op 30 december 2013;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 31 januari 2014;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 21 maart 2014;

- een journaalbericht met bijlagen van 6 augustus 2014 van mr. Johannink;

- een journaalbericht met bijlage van 25 augustus 2014 van mr. Johannink.

2.2

Tevens is bij het hof binnengekomen een journaalbericht met bijlagen van 19 augustus 2014 van mr. Meijer. Het hof zal geen acht slaan op bijlage 3 van dit journaalbericht, nu deze bijlage bescheiden van de man betreft waarin hij zijn standpunt weergeeft. Deze standpuntweergave beschouwt het hof als een zonder toestemming van het hof ingelaste nieuwe schriftelijke ronde die op deze wijze niet wordt geaccepteerd, zoals het hof eveneens ter zitting heeft meegedeeld. Nu het journaalbericht met bijlage van 25 augustus 2014 van mr. Johannink een reactie op bijlage 3 van het journaalbericht van 19 augustus 2014 van
mr. Meijer betreft waarop geen acht wordt geslagen, zal het hof hiervan evenmin kennisnemen.

2.3

Ook overigens heeft mr. Meijer uiteenzettingen van de man bij de stukken toegevoegd. Processueel gezien is de advocaat dominus litus en is de man niet gerechtigd zijn eigen proces te voeren door middel van het indienen van stukken. Het hof zal daarom op eigen uiteenzettingen van de man geen acht slaan. Dat heeft onder meer consequenties voor de grief in het incidenteel appel ten aanzien van de bankrekeningen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 4 september 2014 plaatsgevonden. Verschenen zijn mr. Meijer, de vrouw en mr. Johannink. Mr. Johannink heeft het woord gevoerd mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen. Het hof heeft mr. Meijer toegestaan, mede nu de vrouw daarmee instemde, door de man opgestelde aantekeningen over te leggen. Voorts hebben mrs. Meijer en Johannink ieder - met instemming van het hof - een overigens niet door de vrouw getekende vaststellingsovereenkomst overgelegd.

2.5

Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld uiterlijk veertien dagen na de mondelinge behandeling te berichten of zij overeenstemming hebben bereikt over hetgeen hen verdeeld houdt en wat zij van het hof verwachten. Uit het journaalbericht met bijlage van 25 september 2014 van mr. Johannink en het journaalbericht van 26 september 2014 van mr. Meijer volgt dat partijen er niet in zijn geslaagd tot overeenstemming te komen en dat zij het hof verzoeken een beschikking te geven.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1987 in de gemeente [C] met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk zijn zij, bij akte van 17 april 1987 verleden voor
mr. J.G. Wortelboer, notaris in de gemeente [C], huwelijkse voorwaarden overeengekomen.

3.2

Het huwelijk tussen partijen is [in] 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 13 september 2006 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Uit artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden blijkt dat partijen zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen.

3.4

In artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden is het volgende vermeld:

"Bij de ontbinding van het huwelijk of op enig ander tijdstip, waarop de rechten van ieder der echtgenoten moeten worden vastgesteld:

a. worden de aanwezige kleren, lijfstoebehoren, kleinodiën, beroeps- en bedrijfszaken en zaken tot studie en liefhebberijen (met inbegrip van verzamelingen) behorende beschouwd eigendom te zijn van de echtgenoot, bij wie zij in feite in gebruik zijn of tot wiens gebruik zij uiteraard bestemd zijn, en worden de huishoudelijke linnengoederen beschouwd eigendom van de vrouw te zijn, alles zonder enige verrekening en ongeacht wanneer, door wie of op welke wijze zij zijn verkregen, behoudens tegenbewijs van de man;

b. wordt het huisraad, als bedoeld in artikel 571 derde Boek van het Burgerlijk Wetboek, doch met uitzondering van de sub a bedoelde goederen, beschouwd eigendom van de vrouw te zijn, eveneens zonder enige verrekening en ongeacht wanneer, door wie en op welke wijze zij zijn verkregen, behoudens tegenbewijs van de man.

Alle overige goederen, die door hen te zamen zijn verkregen of waarvan niet blijkt aan wie van de echtgenoten zij in eigendom toebehoren, zijn van de echtgenoten gezamenlijk in vrije mede-eigendom."

3.5

In artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden is het volgende vermeld:

"a. Per het einde van elk kalenderjaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen van hun inkomen na aftrek van de in artikel 3 onder a bedoelde lasten over dat jaar onverteerd is. Heeft over enig jaar geen bijeenvoeging en verdeling plaats gehad, dan blijft het vorderingsrecht daartoe bestaan.

b. Echter kan een echtgenoot verlangen, dat zijn onverteerd inkomen in enig jaar allereerst wordt aangewend tot dekking van verliezen, welke door hem in voorgaande jaren zijn geleden uit hoofde van de in artikel 3 onder a bedoelde lasten.

c. Wanneer een echtgenoot zonder redelijke grond de samenwoning verbreekt of door zijn onredelijk gedrag de andere echtgenoot noopt de samenwoning te verbreken, eindigt daardoor zijn aanspraak als onder a van dit artikel omschreven."

3.6

De peildatum voor de omvang en de waarde van het te verrekenen vermogen is vastgesteld op 24 april 2006.

3.7

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 21 augustus 2013, hersteld bij beschikking van 23 oktober 2013, heeft de rechtbank:

- bepaald dat de man uit hoofde van verrekening van de caravan aan de vrouw dient te betalen € 2.750,- en de man veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de vrouw;

- bepaald dat ieder der partijen zijn/haar eigen polis bij [D] zonder enig recht op verrekening ter zake behoudt;

- bepaald dat de man uit hoofde van verrekening van de polis [E] met nummer [00000] aan de vrouw dient te betalen € 55.611,50 en de man veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de vrouw;

- bepaald dat de man uit hoofde van verrekening van de overwaarde van de voormalig echtelijke woning aan de vrouw dient te betalen € 42.428,- en de man veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de vrouw;

- bepaald dat ieder der echtgenoten die zaken uit het huisraad behoudt, die hij of zij thans onder zich heeft, zonder enig recht op verrekening ter zake;

- bepaald dat voor zover het gezamenlijke saldo op de giro- en kapitaalrekening, beide met nummer [00001], op 24 april 2006 het bedrag van € 22.909,- overtreft, de helft van het surplus door de vrouw aan de man dient te worden betaald uit hoofde van verrekening en de vrouw veroordeeld tot betaling van de helft van genoemd surplus aan de man;

- bepaald dat ieder der partijen de helft van de saldi op 24 april 2006 van de op zijn of haar naam staande bankrekening(en) aan de wederpartij dient te betalen uit hoofde van verrekening en partijen over en weer veroordeeld tot betaling hiervan;

- bepaald dat de man de schulden waarvoor partijen beide aansprakelijk zijn dient te dragen als eigen schulden en dat hij de vrouw ter zake dient te vrijwaren;

- bepaald dat de man uit hoofde van verrekening van de tandartsenpraktijk aan de [a-straat] te [L] aan de vrouw dient te betalen € 155.000,- en de man veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de vrouw;

- bepaald dat de over en weer verschuldigde bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2013.

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 12 november 2013, heeft de man verzocht de beschikkingen van 22 augustus 2012 en 21 augustus 2013, hersteld bij beschikking van 23 oktober 2013, te vernietigen en in de kwestie die voorligt, middels een beslissing uitvoerbaar bij voorraad, ambtshalve in goede justitie te beslissen, kosten rechtens.

4.2

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 31 januari 2014, heeft de vrouw het hoger beroep van de man bestreden en verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans en in ieder geval te bepalen dat zijn grieven ongegrond zijn, althans en in ieder geval met verbetering van de gronden en overwegingen in de door de man aangevallen beschikkingen van de rechtbank Assen c.q. rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, en deze beschikkingen te bekrachtigen (en alleen op basis van de incidentele grief en de wijziging van het verzoek van de vrouw deze beschikkingen te vernietigen).

4.3

Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel appel ingesteld en verzocht de beschikking van 21 augustus 2013 te vernietigen voor zover het de verrekening van de banksaldi betreft en in zoverre opnieuw beslissende te bepalen dat de man ter zake de afrekening van de banksaldi € 15.677,40 aan de vrouw verschuldigd is.

4.4

Ook heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift haar verzoek vermeerderd, in die zin dat zij verzoekt te bepalen dat de man over het door hem aan de vrouw verschuldigde bedrag de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 24 april 2006, althans vanaf 1 januari 2007, althans met ingang van een in goede justitie te bepalen datum. Voorts heeft zij verzocht de man in de kosten van het hoger beroep te veroordelen.

4.5

Bij verweerschrift, binnengekomen op 21 maart 2014, heeft de man het verzoek in het incidenteel beroep bestreden en verzocht de vrouw in het incidentele appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans te bepalen dat haar grief ongegrond is c.q. bij eigen beschikking de vermeerdering/wijziging eis af te wijzen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid

5.1

Op grond van artikel 359 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in samenhang met artikel 278 Rv dient het beroepschrift een duidelijke omschrijving van het verzoek - vernietiging van de bestreden beschikking(en) en welke andere beslissing van de rechter in hoger beroep wordt verwacht - en de gronden waarop het berust in te houden. Dat wil zeggen dat de grieven in het beroepschrift moeten zijn vermeld.

5.2

Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat het appelverzoek in het licht van de daarvoor aangevoerde gronden voldoende duidelijk is.

5.3

Voorts heeft de vrouw aangevoerd dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, nu de man heeft verzuimd het volledige procesdossier in eerste aanleg over te leggen. Volgens de vrouw ontbreekt in ieder geval de brief van
mr. Meijer van 11 april 2011 met bijbehorende lijst die ingaat op 66 producties, financiële opstellingen van de man en de 66 producties zelf.

5.4

Het hof overweegt hierover als volgt. Het hof heeft de brief van mr. Meijer van 11 april 2011 en de financiële opstellingen van de man niet in het dossier aangetroffen. Wel maken de door de vrouw genoemde 66 producties alsmede de lijst die ingaat op deze producties deel uit van het procesdossier. Voor zover de man niet, dan wel niet tijdig, de genoemde processtukken heeft overgelegd, heeft de man geen wettelijke verplichting geschonden die moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het door hem ingestelde hoger beroep. Wel kan het hof aan het ontbreken van genoemde processtukken de conclusie verbinden die het geraden voorkomt. Overigens had de vrouw ook zelf de ontbrekende stukken kunnen overleggen, te meer daar ze incidenteel heeft geappelleerd.

De grieven 1 en 2 in het principaal appel

5.5

Grief 1 in het principaal appel van de man richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de deskundige de waarde van de voormalige eenmanszaak van de man - te weten de tandartspraktijk aan de [a-straat] te [L] - dient vast te stellen. Grief 2 in het principaal appel bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de man uit hoofde van verrekening van de tandartsenpraktijk aan de [a-straat] te [L] de vrouw een bedrag van € 155.000,- dient te betalen. Nu deze grieven de (verrekening van de) tandartspraktijk aan de [a-straat] te [L] betreffen, zal het hof deze gezamenlijk behandelen.

5.6

Het hof overweegt als volgt. In de huwelijkse voorwaarden van partijen is een periodiek verrekenbeding opgenomen. Aan dit periodieke verrekenbeding is tijdens het huwelijk nooit uitvoering gegeven. Derhalve wordt op grond van artikel 1:141 lid 3 BW vermoed dat het vermogen behorende tot de tandartspraktijk aan de [a-straat] te [L] op de peildatum is gevormd uit inkomsten die verrekend hadden moeten worden. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW ligt het op de weg van de man om dit vermoeden te weerleggen. Naar het oordeel van het hof heeft de man daartoe onvoldoende gesteld. De omstandigheid dat de tandartspraktijk aan de [a-straat] te [L] privévermogen betreft, laat - anders dan de man heeft aangevoerd - onverlet dat ten aanzien van de privévermogens van ieder van de ex-echtgenoten als in een geval als de onderhavige onderscheid valt te maken tussen de te verrekenen gedeeltes en de niet te verrekenen gedeeltes met de aantekening dat - gelet op het hiervoor overwogene - het bestaan van een niet te verrekenen gedeelte moet worden aangetoond. Derhalve is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de waarde van de tandartspraktijk aan de [a-straat] te [L] dient te worden verrekend. Ook in hoger beroep heeft de man niet meegewerkt aan het deskundigenonderzoek naar de waarde van de tandartsenpraktijk, hetgeen voor zijn rekening en risico moet blijven, zodat het hof met de rechtbank van oordeel is dat de waarde van deze praktijk op € 310.000,- moet worden gesteld. De grieven 1 en 2 in het principaal appel falen.

Grief 3 in het principaal appel

5.7

In grief 3 in het principaal appel voert de man aan dat het periodieke verrekenbeding op grond van artikel 5 onder c van de huwelijkse voorwaarden is vervallen, aangezien de vrouw onredelijk en abnormaal gedrag vertoonde tijdens - en ook na - de samenwoning c.q. het huwelijk van partijen.

5.8

Anders dan de man heeft aangevoerd, doet artikel 5c van de huwelijkse voorwaarden van partijen de aanspraak op periodieke verrekening uitsluitend met betrekking tot de toekomst vervallen. Nu partijen in de periode vòòr 26 april 2006 - de peildatum - slechts een geringe tijd niet hebben samengewoond, ziet het hof geen aanleiding te onderzoeken of de periodieke verrekenplicht in 2006 is geëindigd doordat de vrouw zonder redelijke grond de samenwoning heeft verbroken of doordat haar onredelijk gedrag de man heeft genoopt de samenwoning te verbreken. Grief 3 in het principaal appel faalt derhalve.

Grief 4 in het principaal appel

5.9

In grief 4 in het principaal appel heeft de man aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de polis bij [E] nummer [00000], wordt vermoed te zijn gevormd uit overgespaard inkomen.

5.10

Niet in geschil is dat de man op de peildatum de rechthebbende was van de polis bij [E] met nummer [00000]. Derhalve wordt op grond van artikel 1:141 lid 3 BW vermoed dat de opgebouwde waarde ten aanzien van deze polis per peildatum is gevormd uit inkomsten die verrekend hadden moeten worden. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW ligt het op de weg van de man om dit vermoeden te weerleggen. Naar het oordeel van het hof heeft de man daartoe onvoldoende gesteld. Derhalve faalt grief 4 in het principaal appel.

Grief 5 in het principaal appel

5.11

In grief 5 in het principaal appel stelt de man de waarde van de voormalige echtelijke woning aan de orde.

5.12

Vast staat dat de voormalige echtelijke woning eigendom is van de man.

5.13

Uit de door de man overgelegde waardeverklaring van 13 juli 2006 blijkt dat de vrije verkoopwaarde van de voormalige echtelijke woning op een bedrag van € 375.000,- is ingeschat. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat van een andere waarde dient te worden uitgegaan. Voor zover de man heeft gesteld dat de waarde van de voormalige echtelijke woning per de peildatum € 330.000,- behelst, gaat het hof aan zijn stelling voorbij, nu uit de hiervoor genoemde waardeverklaring blijkt dat dit de executiewaarde betrof. Het hof acht de rapportage van 10 november 2008 eveneens onvoldoende ter onderbouwing van zijn stelling. Weliswaar heeft de makelaar daarin een verkoopwaarde van € 330.000,- genoemd, maar uit het rapport blijkt niet dat deze waarde de waarde per peildatum betreft. Grief 5 in het principaal appel faalt derhalve.

5.14

Gelet op het hiervoor overwogene, moet het hof aan het bewijsaanbod voorbijgaan.

Grief 6 in het principaal appel

5.15

In grief 6 in het principaal appel bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank dat de totaal in aanmerking te nemen opgebouwde waarde van de levensverzekeringen die gekoppeld zijn aan de hypothecaire lening inzake de voormalige echtelijke woning een bedrag van € 96.856,- behelst.

5.16

Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het oordeel van de rechtbank op dit punt onjuist is. Hetgeen de man heeft aangevoerd acht het hof daartoe onvoldoende, nu uit de brieven van [F] van 7 december 2009 en 9 maart 2011 de waardes van deze polis per datum huwelijk en op de peildatum blijken. Per datum huwelijk is de waarde van deze polis € 5.165,- en op de peildatum € 61.891,- zodat naar het oordeel van het hof de rechtbank terecht van een waardevermeerdering tijdens het huwelijk tot de peildatum van deze polis is uitgegaan van € 56.726,-. Grief 6 in het principaal appel faalt derhalve.

Grief 7 in het principaal appel

5.17

In grief 7 in het principaal appel bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank dat hij een bedrag van € 42.428,- ten titel van verrekening inzake de voormalige echtelijke woning aan de vrouw dient te voldoen.

5.18

Voor zover de man heeft gesteld dat de vrouw juist een bedrag van € 42.428,- aan hem dient te voldoen, omdat zij gezamenlijk de hypothecaire verplichtingen zijn aangegaan, volgt het hof hem daarin niet. Dat partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn houdt in dat de bank zowel de man als de vrouw voor het geheel kan aanspreken. Deze verhouding zegt niets over de interne draagplicht tussen partijen ten aanzien van de hypothecaire verplichtingen. Aangezien de man de voormalige echtelijke woning in eigendom heeft, is de man voor het geheel intern draagplichtig voor de hypothecaire geldleningen. Het hof tekent daarbij aan dat de man niet heeft gegriefd tegen de wijze waarop de verrekeningsvordering ten aanzien van de voormalige echtelijke woning is vastgesteld.

5.19

Gelet op het voorgaande faalt grief 7 in het principaal appel.

Grief 8 in het principaal appel

5.20

In grief 8 in het principaal appel bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank dat de man geen verrekening toekomt voor die kleding die hem per de peildatum toebehoorde.

5.21

Conform artikel 2 aanhef en onder a van de huwelijkse voorwaarden van partijen wordt de kleding die de man in feite in gebruik heeft of die tot zijn gebruik is bestemd, beschouwd zijn eigendom te zijn, behoudens tegenbewijs van de man. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende onderbouwd heeft waarom van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. Voor zover de man heeft gesteld dat de kleding van de man eigendom van de man en de vrouw tezamen is geworden, nu de vrouw de kleding tot de hare heeft gemaakt door deze in bezit te nemen, en de vrouw daarom uit hoofde van verrekening een bedrag aan de man verschuldigd is, vindt zijn stelling geen steun in het recht. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de man gelegen om afgifte van zijn kleding te verzoeken.

5.22

Gelet op het voorgaande faalt grief 8 in het principaal appel.

Grief 9 in het principaal appel

5.23

In grief 9 in het principaal appel bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank dat ieder zonder verdere verrekening die zaken uit het huisraad behoudt die hij of zij onder zich heeft.

5.24

Conform artikel 2 aanhef en onder a van de huwelijkse voorwaarden van partijen worden de aanwezige kleinodiën, beroeps- en bedrijfszaken en zaken tot studie en liefhebberijen (met inbegrip van verzamelingen) behorende beschouwd eigendom te zijn van de echtgenoot, bij wie zij in feite in gebruik zijn of tot wiens gebruik zij uiteraard zijn bestemd, behoudens tegenbewijs van de man. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende onderbouwd heeft waarom van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. Voor zover de man heeft gesteld dat de privézaken, hobbyzaken, persoonlijke kunstwerken, studiezaken en beroeps- en bedrijfsmatige zaken van de man die per de peildatum in de voormalige echtelijke woning aanwezig waren, van de man eigendom van de man en de vrouw tezamen is geworden, nu de vrouw deze door inbezitneming de hare heeft gemaakt, en de vrouw daarom uit hoofde van verrekening een bedrag aan de man verschuldigd is, vindt zijn stelling geen steun in het recht. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de man gelegen om afgifte van de hiervoor gemelde zaken te verzoeken.

5.25

Gelet op het voorgaande faalt grief 9 in het principaal appel.

Grief 10 in het principaal appel

5.26

In grief 10 in het principaal appel bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank dat de man onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit zou blijken dat artikel 2 onder aanhef en onder b van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen opzij gezet zou moeten worden.

5.27

Nu de man zijn stelling dat het rechtsvermoeden van artikel 2 aanhef en onder b van de huwelijkse voorwaarden van partijen terzijde dient te worden gesteld onvoldoende heeft onderbouwd, gaat het hof daaraan reeds om die reden voorbij. De stelling van de man dat de vrouw nimmer inkomen heeft genoten ten tijde van het huwelijk en dat van het inkomen van de man alles is betaald, acht het hof daartoe onvoldoende.

5.28

Het hof passeert het door de man gedane bewijsaanbod, nu hij dat onvoldoende nader heeft gespecificeerd.

5.29

Gelet op het voorgaande faalt grief 10 in het principaal appel.

Grief 11 in het principaal appel

5.30

Grief 11 in het principaal appel betreft de deskundigebenoeming in verband met de waardering van de tandartsenpraktijk aan de [a-straat] te [L] en de aandelen in [G] BV.

5.31

Ingevolge artikel 194 lid 2 slotzin Rv staat er geen hogere voorziening open tegen de benoeming van een deskundige. Op grond van artikel 284 lid 1 Rv is artikel 194 lid 2 Rv ook in een verzoekschriftprocedure van toepassing. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (waaronder HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242) is een doorbreking van het appelverbod als vervat in artikel 194 lid 2 Rv slechts toegelaten voor zover erover wordt geklaagd dat het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen is toegepast of ten onrechte buiten toepassing is gelaten.

5.32

De man heeft in grief 11 in het principaal appel enkel gesteld dat hij niet akkoord gaat met de benoeming van een deskundige uit Drenthe. Hij heeft hiermee geen beroep op één van de hierboven genoemde doorbrekingsgronden van het appelverbod gedaan, zodat zijn grief niet kan slagen. Het hof zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep van de beschikking van de (toenmalige) rechtbank Assen van 22 augustus 2012.

Grief 12 in het principaal appel

5.33

In grief 12 in het principaal appel heeft de man aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man de schulden waarvoor partijen beiden aansprakelijk zijn dient te dragen als eigen schulden en dat hij de vrouw ter zake dient te vrijwaren.

5.34

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man, nu hij onvoldoende heeft onderbouwd op welke schulden zijn stelling betrekking heeft, afgezien van de hypothecaire geldlening waarover het hof reeds hiervoor in overweging 5.18 een oordeel heeft gegeven. Derhalve faalt grief 12 in het principaal appel.

De grief in het incidenteel appel

5.35

De vrouw heeft in haar grief in het incidenteel appel aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald wat exact, in geld uitgedrukt, de rechten en de verplichtingen van partijen zijn ter zake de afrekening van de saldi op de verschillende bankrekeningen. Volgens de vrouw is de man in verband hiermee gehouden om aan de vrouw een bedrag van € 15.677,40 te betalen.

5.36

Partijen zijn het erover eens dat het saldo van de rekening bij de [H-bank] met nummer [00002] dient te worden verrekend en dat dit per peildatum € 48,99 bedroeg. Ook zijn partijen het erover eens dat het saldo van de rekening bij de [I-bank] met nummer [00003] moet worden verrekend. Volgens partijen bedroeg het saldo op deze rekening € 1.976,31.

5.37

Bovendien zijn partijen het erover eens dat de saldi van de rekening bij de [I-bank] met nummer [00004] en de rekening bij de [I-bank] met nummer [00001] dienen te worden verrekend. Partijen verschillen van mening over de saldi van deze rekeningen per peildatum. Op grond van de bankafschriften bepaalt het hof het saldo op de rekening met nummer [00004] per peildatum op
- € 3.997,39. Ten aanzien van de rekening met nummer [00001] zijn partijen het erover eens dat van het saldo op deze rekening een bedrag van € 22.909,- moet worden afgetrokken. Mede gelet op de bankafschriften gaat het hof ervan uit dat het saldo van die rekening per peildatum € 3.008,20 (€ 25.913,70 + € 3,50 - € 22.909,-) bedraagt.

5.38

In geschil is of de saldi van de rekening bij de [I-bank] met nummer [00005], de rekening bij de [I-bank] met nummer [00006] en de rekening bij de [H-bank] met nummer [00007] dienen te worden verrekend. Het hof overweegt hierover als volgt.

5.39

Nu uit de stukken blijkt dat de rekening bij de [H-bank] met nummer

[00007] op naam is gesteld van [G] BV, zal het hof het saldo van deze rekening niet in de verrekening betrekken.

5.40

Anders dan de vrouw zal het hof het saldo op de rekening bij de [I-bank] met nummer [00006] niet in de verrekening betrekken, nu dit een rekening van de tandartspraktijk van de man aan de [a-straat] te [L] betreft. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man mede in privé gebruik maakt van deze rekening, gaat het hof daaraan voorbij, nu haar stelling niet, althans onvoldoende, nader met stukken is onderbouwd.

5.41

Gebleken is dat de rekening bij de [I-bank] met nummer [00005] op naam staat van de man. Op grond van artikel 1:141 lid 3 BW wordt vermoed dat de banksaldi op de peildatum zijn gevormd uit inkomsten die verrekend hadden moeten worden. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW ligt het op de weg van de man om dit vermoeden te weerleggen. Naar het oordeel van het hof heeft de man daartoe onvoldoende gesteld. Derhalve dient het saldo op de rekening bij de [I-bank] met nummer [00005] in de verrekening te worden betrokken. Nu uit de stukken blijkt dat het saldo op die rekening per peildatum (€ 22.885,39 + € 42,- =) € 22.927,39 bedroeg, zal het hof van dat bedrag uitgaan.

5.42

Gelet op het voorgaande bedraagt het totale saldo van de bankrekeningen per peildatum (€ 48,99 + € 1.976,31 + € 22.927,39 - € 3.997,39 + € 3.008,20 =) € 23.963,50. Nu de vrouw enkel de rekening met nummer [00001] op haar naam heeft staan, waarvan het saldo per peildatum € 3.008,20 bedroeg, dient de man een bedrag van ((€ 23.963,50 / 2 ) -
€ 3.008,20 =) € 8.973,55 aan de vrouw te voldoen.

5.43

Gelet op het voorgaande slaagt de grief in het incidenteel appel deels.

Conclusie ten aanzien van de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden

5.44

In het principaal appel falen de grieven 1 tot en met 12. De grief in het incidenteel appel slaagt deels. Op grond van het voorgaande en de niet betwiste posten van de beschikkingen van de rechtbank van 22 augustus 2012 en 21 augustus 2013, hersteld bij beschikking van 23 oktober 2013, dient de man de volgende bedragen aan de vrouw te voldoen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden:

- een bedrag van € 2.750,- uit hoofde van verrekening van de caravan;

- een bedrag van € 55.611,50 uit hoofde van verrekening van de polis [E] met nummer [00000];

- een bedrag van € 42.428,- uit hoofde van verrekening van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning;

- een bedrag van € 8.973,55 ter verrekening van de banksaldi;

- een bedrag van € 155.000,- uit hoofde van verrekening van de tandartsenpraktijk aan de [a-straat] te [L],

tezamen € 264.763,05.

5.45

Om redenen van doelmatigheid zal het hof het dictum van de beschikking van 21 augustus 2013, hersteld bij beschikking van 23 oktober 2013 vernietigen voor wat betreft de verrekening van de caravan, de polis [E] met nummer [00000], de overwaarde van de voormalige echtelijke woning, de banksaldi en de tandartsenpraktijk aan de [a-straat] te [L]. Het hof zal in zoverre opnieuw beslissen en bepalen dat de man een bedrag van € 264.763,05 aan de vrouw dient te voldoen in verband met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

De wettelijke rente

5.46

De vrouw heeft haar verzoek inzake de wettelijke rente in het verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appel gewijzigd, in die zin dat zij het hof thans verzoekt te bepalen dat de man de wettelijke rente verschuldigd is aan de vrouw berekend vanaf de peildatum. De man acht het redelijk en billijk dat de wettelijke rente slechts is verschuldigd na de (eind)beschikking van de rechtbank van 21 augustus 2013. Het hof overweegt hierover als volgt.

5.47

Volgens vaste jurisprudentie (waaronder Hoge Raad van 2 december 2011, ECLI:NLHR:2011:BU6591) moet - mede gelet op artikel 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW - worden aangenomen dat de vordering uit de door omzetting ontstane finale verrekenplicht in beginsel ontstaat op het in artikel 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW vermelde tijdstip waarop ook de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald, te weten het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Het hof zal in deze uitgaan van dat tijdstip als ontstaansdatum, aangezien gesteld noch gebleken is dat een andere datum in aanmerking dient te worden genomen. Op grond van artikel 6:38 BW is de vordering uit de door omzetting ontstane finale verrekenplicht opeisbaar geworden op het moment dat deze is ontstaan. Nu partijen in artikel 5 onder a van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat zij per het einde van elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen na aftrek van de in artikel 3 onder a bedoelde lasten over dat jaar onverteerd is ter verdeling bij helfte bijeen voegen, treedt - blijkens de hiervoor genoemde jurisprudentie - het verzuim ten aanzien van de door omzetting ontstane finale verrekenplicht aanstonds en zonder ingebrekestelling in op het moment waarop de vordering is ontstaan en opeisbaar is geworden, derhalve op 24 april 2006. Het hof zal het verzoek van de vrouw tot vergoeding van de wettelijke rente over de periode vanaf 24 april 2006 dan ook toewijzen.

Proceskostenveroordeling

5.48

In zaken als de onderhavige is het gebruikelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. In het onderhavige geval zijn er evenwel gronden om van dit uitgangspunt af te wijken. De man heeft in zijn beroepschrift geen grieven aangevoerd die tot een ander oordeel hebben geleid en hebben kunnen leiden. Als voorbeeld neemt het hof dat het hof bij beschikking van 16 april 2013 heeft geoordeeld dat de grief van de man ten aanzien van de benoeming van de deskundige niet kan slagen, omdat hij geen beroep heeft gedaan op een van de doorbrekingsgronden van het appelverbod. Desondanks heeft de man in zijn beroepschrift in deze opnieuw een grief ingediend tegen de benoeming van de deskundige zonder daarbij een beroep te doen op een van de doorbrekingsgronden. De wijze van procederen aan de zijde van de man, waarbij de vrouw nodeloos kosten heeft moeten maken, geeft het hof aanleiding om ten aanzien van het principaal appel van de gebruikelijke compensatie van de kosten af te wijken. Het hof zal de man als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep ten aanzien van het principaal appel. De proceskosten van de vrouw in deze zaak worden, naast het door haar verschuldigde griffierecht van € 299,-, overeenkomstig het forfaitaire liquidatietarief begroot op € 1.788,- (tarief II, 2 punten, € 894,- per punt: 1 punt voor het verweerschrift in rekestprocedures, 1 punt voor de mondelinge behandeling bij het hof). Het hof zal de proceskosten ten aanzien van het incidenteel appel compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De slotsom

Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal en in het incidenteel appel:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van de beschikking van de (toenmalige) rechtbank Assen van 22 augustus 2012;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 augustus 2013, hersteld bij beschikking van 23 oktober 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, op de volgende onderdelen van het dictum:

- de verrekening ten aanzien van de caravan;

- de verrekening ten aanzien van de polis [E] met nummer [00000];

- de verrekening van de overwaarde van de voormalig echtelijke woning;

- de verrekening van de banksaldi;

- de verrekening van de tandartsenpraktijk aan de [a-straat] te [L];

- de wettelijke rente;

en in zoverre opnieuw beslissende:

veroordeelt de man ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tot betaling van een bedrag van € 264.763,05 aan de vrouw;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2006 tot aan de datum van betaling;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep ten aanzien van het principaal appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw op € 299,- aan verschotten en op € 1.788,- aan salaris voor de advocaat, derhalve in totaal € 2.087,-;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 augustus 2013, hersteld bij beschikking van 23 oktober 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep ten aanzien van het incidenteel appel in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. W. Breemhaar en
mr. G.K. Schipmölder, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 december 2014 in bijzijn van de griffier.