Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10075

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
13-01-2015
Zaaknummer
200.155.722-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.155.722/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/103888 / FA RK 14-626)

beschikking van de familiekamer van 23 december 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.W. Brouwer, kantoorhoudend te Assen,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de stichting,

2. [de moeder],

wonende te [B], Jemen,

hierna te noemen: de moeder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna ook: de rechtbank), van 4 juni 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 september 2014, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat het verzoek van de raad om de ouders te ontheffen van het gezag over de na te noemen minderjarige [de minderjarige1] af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 21 oktober 2014, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden en verzocht het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 17 oktober 2014, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden en verzocht het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.4

Ter griffie van het hof zijn voorts binnengekomen:

- op 28 oktober 2014 een brief van de raad van diezelfde datum, waarin de raad bericht niet te beschikken over nadere adviezen en/of rapportages;

- op 2 december 2014 een journaalbericht met bijlagen d.d. 1 december 2014 van mr. Velema namens mr. Brouwer.

2.5

[C] (persoonlijk begeleider van [de minderjarige1]) heeft op het aan [de minderjarige1] toegezonden formulier bij kinderverhoor, ingekomen ter griffie van het hof op 2 december 2014, aangegeven dat [de minderjarige1] ernstig verstandelijk beperkt is, geen communicatieve vaardigheden heeft en dus niet in staat is om zijn mening te geven.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2014 plaatsgevonden. De vader is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat en de heer [D], tolk. Namens de raad is de heer [E] verschenen en namens de stichting is mevrouw [F] verschenen. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het huwelijk tussen de vader en de moeder zijn vijf kinderen geboren, waaronder [de minderjarige1], geboren [in] 1997 in de gemeente [A] (verder ook: [de minderjarige1]). Op 2 februari 2007 zijn alle vijf kinderen onder toezicht gesteld door de rechtbank Assen. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] is telkens verlengd, laatstelijk met ingang van 2 februari 2014 voor een jaar.

3.2

Op 30 januari 2008 heeft de rechtbank Assen een machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige1] in een woonvoorziening afgegeven. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van de rechtbank van 21 januari 2014, bekrachtigd bij beschikking van dit hof van 9 september 2014. [de minderjarige1] verblijft sinds 19 augustus 2008 in een woongroep bij [G] in [L].

3.3

Op basis van de bevindingen van het raadsonderzoek, neergelegd in een rapport van 6 maart 2014, heeft de raad de rechtbank bij inleidend verzoekschrift van 11 maart 2014, ingekomen bij de rechtbank op 13 maart 2014, verzocht om de ouders gedwongen te ontheffen van het ouderlijk gezag over [de minderjarige1]. De raad heeft voorts verzocht om Bureau Jeugdzorg Groningen (hierna: BJZ) tot voogd te benoemen en de maatregel uit te laten voeren door de stichting, namens BJZ.

3.4

Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank de ouders ontheven van het gezag over [de minderjarige1] en de voogdij over [de minderjarige1] opgedragen aan BJZ, waarbij de voogdij wordt uitgevoerd door de stichting. De moeder is niet in hoger beroep gekomen van deze beschikking.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.2

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel -door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

4.3

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat gedurende langere tijd niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

4.4

Het hof leest in de grieven van de vader en de daarop door en namens hem gegeven toelichting ter zitting geen andere relevante stellingen dan die hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd en die door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en neemt de motivering daarvan - na eigen onderzoek - over.

4.5

In aanvulling daarop is het volgende nog van belang. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de vader moeite heeft om te accepteren dat [de minderjarige1] niet thuis kan wonen, hetgeen de noodzakelijke hulpverlening bemoeilijkt. Zo heeft de vader geruime tijd niet bijgedragen aan de kosten van de noodzakelijke verzorging van [de minderjarige1], waardoor [de minderjarige1] inmiddels een aanzienlijke schuld bij [G] heeft opgebouwd, en heeft de vader onvoldoende medewerking verleend toen de stichting een nieuw identiteitsbewijs voor [de minderjarige1] moest aanvragen. Uit het vorenstaande blijkt naar het oordeel van het hof dat de vader niet in staat is zijn gezagstaken adequaat uit te voeren, hetgeen zich, indien de vader het gezag zou behouden, ook zal doen voelen ten aanzien van de ondercuratelestelling die moet worden aangevraagd in verband met het feit dat [de minderjarige1] in mei 2015 de meerderjarige leeftijd bereikt.

4.6

De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard en dienen gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van het kind naar de ouder. De vader heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij zelf in staat is om voor [de minderjarige1] te zorgen. Uit de duur van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in dezen, alsmede uit de stukken en het verhandelde ter zitting, blijkt echter dat er geen perspectief is op plaatsing van [de minderjarige1] bij de vader. [de minderjarige1] functioneert op een ernstig beperkt ontwikkelingsniveau en heeft een stoornis in het autismespectrum, waardoor hij functioneert op het niveau van een baby van elf maanden oud. Daarnaast heeft [de minderjarige1] een belaste voorgeschiedenis, waarbij sprake was van verwaarlozing. Het heeft hem ontbroken aan voldoende verzorging, stimulans, veiligheid en bescherming. Hij is onvoldoende begrensd, kreeg onvoldoende aandacht en heeft te maken gehad met conflicten tussen zijn ouders. In verband met het vorenstaande heeft [de minderjarige1] intensieve verzorging, begeleiding en ondersteuning nodig en zal hij altijd afhankelijk blijven van de specialistische dag- en nachtzorg, zoals hij deze nu geboden krijgt bij [G]. Een thuisplaatsing van [de minderjarige1], zoals de vader wenst, levert een reëel risico op terugval op, nu [de minderjarige1] de verzorging en begeleiding die hij bij [G] krijgt 24 uur per dag nodig heeft. Het is voor het hof duidelijk dat de vader de problematiek van [de minderjarige1] ernstig onderschat en niet in staat is te begrijpen wat [de minderjarige1] nodig heeft.

4.7

Het vorenstaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat voldoende gebleken is dat de - in beginsel tijdelijke - maatregelen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing - door de onmacht van zowel de vader als de moeder om hun plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende zijn en zijn geweest om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Aan de wettelijke vereisten voor de ontheffing van de vader uit het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] is derhalve voldaan en het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover aan het onderhavige hoger beroep onderworpen.

4.8

Het hof wenst ten overvloede nog op te merken dat het feit dat de vader van het gezag over [de minderjarige1] is ontheven niet met zich brengt dat hij voor [de minderjarige1] minder belangrijk is. Immers, de vader zal ondanks de ontheffing altijd de vader van [de minderjarige1] blijven. Het is voor [de minderjarige1] van groot belang dat de vader een belangrijke rol in zijn leven blijft vervullen als ouder, zij het op afstand.

De slotsom

4.9

Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen. Het hof tekent daarbij aan dat vast staat dat per 1 januari 2015 in de rechtsopvolging van BJZ is voorzien, zodat, anders dan de vader meent, geen gezagsvacuüm zal ontstaan.

5 De beslissing:

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 juni 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.J. Buijs, voorzitter, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 23 december 2014 in bijzijn van de griffier.