Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10058

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
24-002697-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak notaris medeplegen van valsheid in geschrift. Daargelaten de vraag of de door verdachte opgemaakte documenten een juiste voorstelling van zaken geven, kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap had van een eventuele valsheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-002697-10

Uitspraak d.d.: 19 december 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 november 2010 met parketnummer 07-996516-06 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 december 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde en veroordeling van verdachte ter zake het subsidiair ten laste gelegde tot een geldboete van € 7.500,-. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. M.E. van der Werf, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

primair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1998

tot en met 31 december 2002 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

in een of meer authentieke akten, te weten (een) notariële akte(n), waaronder

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 20 april 2000, waarbij het

motorschip [naam1] door [bedrijf1] is geleverd aan[bedrijf2]

[bedrijf2] (D-73),

- een Bill of Sale van 20 april 2000, waarbij [bedrijf1] het

motorschip [naam1] heeft overgedragen aan [bedrijf2] (D-119),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 20 april 2000, waarbij het

motorschip [naam1] vervolgens door [bedrijf2] is doorgeleverd aan[bedrijf3]

[bedrijf3] (D-73),

- een Bill of Sale van 20 april 2000, waarbij [bedrijf2] het motorschip

[naam1] op haar beurt heeft overgedragen aan [bedrijf3]

[bedrijf3] (D-119),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 5 januari 2001, waarbij het

motorschip [naam2] door [bedrijf1] is geleverd aan[bedrijf2]

[bedrijf2] (D-74),

- een Bill of Sale van 5 januari 2001, waarbij [bedrijf1] het

motorschip [naam2] heeft overgedragen aan [bedrijf2] (D-120),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 5 januari 2001, waarbij het

motorschip [naam2] vervolgens door [bedrijf2] is doorgeleverd aan [bedrijf4]

[bedrijf4] (D-74),

- een Bill of Sale van 5 januari 2001, waarbij [bedrijf2] het

motorschip [naam2] op haar beurt heeft overgedragen aan[bedrijf4]

[bedrijf4] (D-120),

valselijk heeft doen opnemen - zakelijk weergegeven -, dat door [bedrijf1]

[bedrijf1] een of meer schepen zijn verkocht en/of geleverd aan[bedrijf2]

[bedrijf2], dit terwijl dit/deze schip/schepen vervolgens op dezelfde dag en plaats

door [bedrijf2] aan de respectievelijke commanditaire vennootschap(pen)

zijn doorgeleverd en/of welk(e) schip/schepen ingevolge het/de Protocol(s) of

Delivery and Acceptance niet en/of niet volledig door de nieuwe eigenaar,

[bedrijf2] is/zijn betaald en/of welk(e) geschrift(en) betreffende de

levering van [bedrijf1] aan [bedrijf2] is/zijn gebruikt

ten behoeve van een aanvraag voor een subsidie Rente-overbruggingsfaciliteit

en Matchingfonds exportkredieten door [bedrijf1] bij Senter,

van de waarheid van welk(e) feit(en) die akte(n) moest(en) doen blijken,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat deze voorstelling van

zaken vals was, aangezien er slechts op papier een levering van de schepen

aan [bedrijf2] heeft plaatsgehad en feitelijk rechtstreeks geleverd is

door [bedrijf1] aan de (hiervoor genoemde) commanditaire

vennootschappen,

zulks met het oogmerk die akte(n) en/of (dat) afschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave

in overeenstemming met de waarheid;

subsidiair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 1998

tot en met 31 december 2002 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meer geschriften, waaronder

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 20 april 2000, waarbij het

motorschip [naam1] door [bedrijf1] is geleverd aan[bedrijf2]

[bedrijf2] (D-73),

- een Bill of Sale van 20 april 2000, waarbij [bedrijf1] het

motorschip [naam1] heeft overgedragen aan [bedrijf2] (D-119),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 20 april 2000, waarbij het

motorschip [naam1] vervolgens door [bedrijf2] is doorgeleverd aan [bedrijf3]

[bedrijf3] (D-73),

- een Bill of Sale van 20 april 2000, waarbij [bedrijf2] het motorschip

[naam1] op haar beurt heeft overgedragen aan [bedrijf3]

[bedrijf3] (D-119),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van de datum 5 januari 2001,

waarbij het motorschip [naam2] door [bedrijf1] is geleverd aan

[bedrijf2] (D-74),

- een Bill of Sale van 5 januari 2001, waarbij [bedrijf1] het

motorschip [naam2] heeft overgedragen aan [bedrijf2] (D-120),

- een Protocol of Delivery and Acceptance van 5 januari 2001, waarbij het

motorschip [naam2] vervolgens door [bedrijf2] is doorgeleverd aan de

[bedrijf4] (D-74),

- een Bill of Sale van 5 januari 2001, waarbij [bedrijf2] het

motorschip [naam2] op haar beurt is overgedragen aan [bedrijf4]

[bedrijf4] (D-120),

- een afrekening met datum overdracht 27 november 2001, afkomstig van

[notariskantoor] en bestemd voor [bedrijf1]

[bedrijf1] betreffende de [naam3] (koper is [bedrijf2]) (D-107)

- een afrekening met datum overdracht 11 april 2002, afkomstig van

[notariskantoor] en bestemd voor [bedrijf1]

[bedrijf1] betreffende de [naam4] (kopers: [bedrijf2] en [bedrijf5]

[bedrijf5]) (D-108),

valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte valselijk (doen) vermeld(en) dat door [bedrijf1]

[bedrijf1] een of meer schepen zijn verkocht en/of geleverd aan [bedrijf2]

[bedrijf2], dit terwijl dit/deze schip/schepen vervolgens op dezelfde dag en plaats

door [bedrijf2] aan de respectievelijke commanditaire vennootschappen

is/zijn doorgeleverd en/of welk(e) schip/schepen ingevolge het/de Protocol(s)

of Delivery and Acceptance niet en/of niet volledig door de nieuwe eigenaar,

[bedrijf2], is/zijn betaald en/of welk(e) geschrift(en) betreffende de

levering van [bedrijf1] aan [bedrijf2] is/zijn gebruikt

ten behoeve van een aanvraag voor een subsidie Rente-overbruggingsfaciliteit

en Matchingfonds exportkredieten door [bedrijf1] bij Senter,

zulks met het oogmerk die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Strafrechtelijk verwijt

Aan verdachte wordt kort samengevat verweten dat hij als kandidaat-notaris documenten (die onder het primair ten laste gelegde zijn aangemerkt als authentieke akten en onder het subsidiair ten laste gelegde zijn aangeduid als geschriften) heeft opgesteld, waarin staat vermeld dat een zeeschip door de scheepswerf (genaamd [bedrijf1]) geleverd wordt aan de Finse rechtspersoon (genaamd [bedrijf2]), respectievelijk dat het schip door de Finse rechtspersoon geleverd wordt aan een Nederlandse scheepvaartonderneming (zijnde een commanditaire vennootschap, hierna: CV). Dit heeft zich ten aanzien van de levering van een viertal zeeschepen voorgedaan.

Volgens de tenlastelegging werd het zeeschip echter in werkelijkheid niet geleverd aan de Finse rechtspersoon, maar werd het rechtstreeks vanaf de scheepswerf aan de betreffende CV geleverd. Een en ander was bij verdachte volgens de tenlastelegging bekend.

Met de door verdachte opgestelde documenten van de levering van de schepen aan de Finse rechtspersoon is vervolgens ten onrechte een subsidie aangevraagd, aldus de tenlastelegging.

Vrijspraak primair

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de onder het primair ten laste gelegde genoemde documenten geen authentieke akten betreffen, zodat het hof verdachte daarvan zal vrijspreken.

Vrijspraak subsidiair

Verdachte heeft verklaard dat de scheepswerf, de Finse rechtspersoon en de in de tenlastelegging genoemde CV’s zich tussen 2000 en 2002 meermalen tot hem hebben gewend met het verzoek om in zijn hoedanigheid als kandidaat-notaris documenten op te stellen aangaande de door partijen overeengekomen leveringen van in totaal een viertal zeeschepen door de scheepswerf aan de Finse rechtspersoon en de doorlevering van diezelfde zeeschepen door de Finse rechtspersoon aan de betreffende CV.

Verdachte heeft verklaard dat dit zogenaamde ABC-leveringen betroffen, welke veelvuldig voorkomen in zijn praktijk. Ter zitting van het hof heeft verdachte ook meerdere voorbeelden genoemd van alledaagse ABC-leveringen. Hij heeft aangegeven dat een dergelijke levering in de vastgoed sector zeer gangbaar is. De redenen daartoe zijn legio en kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in een persoonlijke behoefte van een koper/verkoper bij het bewaren van zijn anonimiteit.

Het hof ziet geen aanknopingspunten om aan de door verdachte uiteengezette dagelijkse praktijk te twijfelen. Het hof is het met de verdediging eens dat het enkele feit dat sprake is van een ABC-levering geen bewijs oplevert dat sprake is van een schijnconstructie.

Verdachte heeft ter terechtzitting voorts aangegeven dat zijn kantoor bij de levering is betrokken in verband met de hypotheekstelling van de schepen. Om hypotheek op het schip te kunnen verlenen en aldus zekerheid te kunnen verschaffen aan de kredietverlener, was teboekstelling van het schip op naam van de betreffende CV noodzakelijk. Ten bewijze dat de CV eigenaar was geworden dienden de Bills of Sale tussen respectievelijk de werf en de Finse rechtspersoon en tussen de Finse rechtspersoon en de CV. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij voor de wijze van opstellen van de Bills of Sale de in dit geval (wereldwijd) gebruikelijke standaardopmaak heeft gehanteerd, namelijk aparte documenten voor de levering van de schepen tussen de scheepswerf en de Finse rechtspersoon en aparte documenten voor de daaropvolgende levering tussen de Finse rechtspersoon en de respectievelijke CV’s.

Verdachte heeft verklaard dat het opmaken van één document waarin de leveringen tussen alle drie partijen worden vastgelegd bij dit type leveringen niet gebruikelijk is.

Gelet op de omstandigheid dat als er sprake is van een schijnovereenkomst er geen sprake kan zijn van een geldige titel en dus van een schijnzekerheidsstelling voor de hypotheekverstrekker (omdat hij dan niets aan zijn zekerheidsstelling heeft), heeft verdachte onderzoek gedaan naar de redenen voor de gekozen constructie. Verdachte heeft navraag gedaan bij partijen naar hun bedoelingen en belangen bij de door hen overeengekomen ABC-leveringen met betrekking tot de eerste twee schepen (de [naam1] en [naam2]). Partijen vertelden hem in antwoord op zijn vragen dat de schepen in opdracht van de Finse rechtspersoon zijn gebouwd, maar dat dit bedrijf uiteindelijk de schepen niet (alle vier) gefinancierd kreeg. Het bedrijf leverde de schepen derhalve door aan een CV die ze wel gefinancierd kon krijgen. Verdachte heeft voorts aangegeven naar mogelijk nadeel voor de bank of de fiscus te hebben gekeken. Een en ander gaf verdachte geen aanleiding tot het doen van nader onderzoek. De enkele omstandigheid dat één van de partijen in het buitenland zetelde maakte dat voor verdachte niet anders gelet op het internationale karakter van de scheepvaartpraktijk. Verdachte heeft tevens aangegeven dat het gebruikelijk en zelfs wenselijk is dat de documenten van de levering en de doorlevering zo snel mogelijk na elkaar worden getekend. Dit dient om het (persoonlijke) financiële risico voor de B-partij, in dit geval de Finse rechtspersoon, zo klein mogelijk te houden.

Ter onderbouwing van hun onderlinge afspraken met betrekking tot de laatste twee zeeschepen, genaamd [naam5] ([naam4]) en [naam6] (ook wel genoemd [naam3]) hebben partijen aan verdachte een overeenkomst overgelegd, die zij met elkaar hadden gesloten en welke was opgesteld door een ander notariskantoor in 1999/2000.

Verdachte constateerde op grond van die overeenkomst dat de scheepswerf de schepen had verkocht zowel (eerst) aan de Finse rechtspersoon als (later) aan de CV. Omdat dit problemen op kon leveren voor de overdracht van het eigendom van de schepen en derhalve ook voor het te vestigen recht van hypotheek, heeft verdachte aan partijen nadere vragen gesteld over hun redenen om de schepen eerst te leveren aan de Finse rechtspersoon, in plaats van een directe levering aan de CV.

Daarbij heeft verdachte van partijen te horen gekregen dat de redenen van de gekozen ‘omweg’ van levering aan de Finse rechtspersoon in plaats van directe levering aan de CV scheepvaartondernemingen, gelegen was in de oorspronkelijke afspraak tussen de scheepwerf en de Finse rechtspersoon om de schepen af te nemen, zoals was overeengekomen in de aan verdachte overgelegde overeenkomst uit 1999/2000. Partijen hebben aan verdachte verteld dat de Finse rechtspersoon (ook) ten aanzien van deze beide schepen financieringsproblemen had gekregen, waardoor die partij haar afspraken niet kon nakomen. Om te voorkomen dat overeengekomen boeteclausules in werking zouden treden, hebben partijen toen besloten om de overeengekomen levering tussen de Finse rechtspersoon en de scheepswerf toch na te komen, zij het dat de schepen rechtstreeks zouden worden betaald door de betreffende CV aan de scheepswerf.

Verdachte heeft voorts verklaard dat er tevens een goede reden was om een aparte overeenkomst van doorlevering van het schip op te maken, omdat daarmee voorkomen zou worden dat er later geschillen zouden kunnen ontstaan over de geldigheid van de eigendomsoverdracht van de schepen.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de beweerdelijke verklaringen van partijen aan verdachte als niet plausibel of inconsistent zouden moeten worden aanmerkt, zodat van een verdergaande onderzoeksplicht dan die waaraan verdachte heeft voldaan in zijn hoedanigheid als notaris geen sprake was.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat uit brieven van verdachte (D128 en D249) blijkt dat hij wel degelijk op de hoogte was van de omstandigheid dat er een subsidie aangevraagd zou worden door één van de partijen en dat verdachte daarom onderzoek had moeten doen naar de voorwaarden voor deze subsidie alsmede naar een mogelijke fraude bij het aanvragen van deze subsidie. Had verdachte onderzoek gedaan, dan had hij geweten dat het leveren van de schepen aan een buitenlandse rechtspersoon, zoals hier het geval was, een van de voorwaarden was om in aanmerking te komen voor een subsidie, zoals is genoemd in de tenlastelegging. Dan had hij ook kunnen weten dat de tussenkomst van die buitenlandse rechtspersoon slechts een schijnconstructie was, om de subsidie op te strijken, aldus de advocaat-generaal.

Verdachte heeft verklaard dat hij in het algemeen wist dat er een subsidie was aangevraagd, maar van de bijzonderheden daarvan en van de betreffende regeling was hij niet op de hoogte.

Het hof overweegt dat uit voornoemde brief weliswaar blijkt dat verdachte wist dat er een subsidie was aangevraagd, maar dat niet is gebleken dat verdachte ook wist welke subsidie het betrof en wat de specifieke voorwaarden voor het verkrijgen van die subsidie waren. Gelet op het door partijen aan verdachte gepresenteerde verhaal, waaruit niet bleek dat een aan te vragen subsidie van enige relevantie was voor de door verdachte te verrichten werkzaamheden, terwijl er ook geen aanknopingspunten waren voor vermoedens van fraude, in welke vorm dan ook, is het hof van oordeel dat op verdachte geen verdergaande verplichting rustte om een onderzoek in te stellen naar die subsidieaanvraag en een eventuele fraude daarmee.

De door de advocaat-generaal aangehaalde eindafrekeningen (D107 en D108) bewijzen evenmin dat verdachte wetenschap had van een eventuele schijnconstructie. Verdachte heeft ter zitting van het hof een aannemelijke uitleg hiervoor gegeven, namelijk dat deze stukken zo zijn opgesteld vanwege het door zijn kantoor voor de boekhouding gebruikte software systeem voor het beheren van derdengelden. Het systeem dat daar destijds voor werd gebruikt beschikte over beperkte mogelijkheden voor het invoeren van afrekeningen binnen ABC-constructies. Nu verdachte bij elk schip onder tijdsdruk opereerde heeft hij ervoor geopteerd binnen de software alleen de A-partij (de scheepswerf) en de C-partij (de CV) “aan te vinken”. Nu de B-partij toch niets meer zou moeten betalen of ontvangen leek dat een meer aangewezen weg, dan de meer omslachtige methode van het opmaken van een aparte excel-sheet waarin dan wel sprake zou zijn geweest van een weergave van de specifieke gang van zaken, maar die de betrouwbaarheid van de boekhouding van de derdengelden zou verminderen. Daarnaast wijst ook de tekst van één van de afrekeningen erop dat deze niet zijn opgemaakt om aan een frauduleuze constructie mee te werken. De voor de scheepswerf (die de subsidie ontving) bestemde afrekening betreffende het schip “[naam4]” vermeldt als koper “[bedrijf2]/[bedrijf5]”. Indien verdachte inderdaad het opzet had documenten op te maken voor fraude met subsidie, zou het niet voor de hand liggen om ook [bedrijf5] als koper op de afrekening te vermelden.

De door de advocaat-generaal aangehaalde verklaring van getuige [getuige] dat verdachte geweten moet hebben dat de levering aan de Finse rechtspersoon een schijnconstructie betrof, acht het hof niet bruikbaar voor het bewijs, aangezien dit een conclusie van de getuige betreft, terwijl haar redenen van wetenschap niet blijken en deze verklaring ook geen steunt vindt in enig ander bewijsmiddel.

De overige door de advocaat-generaal in het requisitoir aangehaalde documenten bewijzen evenmin dat verdachte wetenschap had van een de door de advocaat-generaal gestelde onjuiste voorstelling van zaken door partijen.

Daargelaten de vraag of de door verdachte opgemaakte documenten een juiste voorstelling van zaken geven, is het hof, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte wetenschap had van een dergelijke eventuele valsheid. Daardoor ontbreekt het vereiste opzet. Door het opstellen van de door partijen verzochte documenten heeft hij zich derhalve niet schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder, griffier,

en op 19 december 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.