Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10047

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
200.132.262
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot nietigverklaring huwelijk. IPR. Erkenning echtscheidingsvonnis van Supreme Court te Guam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.132.262

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 237191)

beschikking van de familiekamer van 23 december 2014

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. W.J.P. Kweens te Nijmegen,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.P. Rietveld te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 22 mei 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 22 augustus 2013;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 22 oktober 2013;

- een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 1 januari 2014;

- een journaalbericht van mr. Kweens van 24 april 2014 met bijlagen, ingekomen op

25 april 2014;

- een journaalbericht van mr. Kweens van 27 april 2014 met bijlagen, ingekomen op

29 april 2014.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3. De vaststaande feiten

3.1

De vrouw is op 22 juli 1972 gehuwd met [A] (verder: [A]) te [plaats], Filippijnen.

3.2

Uit de relatie tussen partijen is in 1988 op de Filippijnen hun zoon [kind 1] geboren. De vrouw was toen nog gehuwd met [A].

3.3

Op 30 juni 1992 is echtscheiding uitgesproken tussen de vrouw en [A] door het Superior Court of Guam.

3.4

Op 28 juli 1993 zijn partijen op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd in

’s-Gravenhage.

3.5

Bij beslissing van 17 maart 2004 van het Regional Trial Court te Las Piñas, Metro Manilla, Filippijnen, is het huwelijk tussen de vrouw en [A] van aanvang af nietig verklaard (verder te noemen: het annulment).

3.6

Aan de huwelijksakte van partijen is bij latere vermelding van 5 november 2004 toegevoegd dat de geslachtsnaam van de vrouw is gewijzigd van [A] in [verweerster].

3.7

De man heeft in eerste aanleg nietigverklaring van het huwelijk van partijen verzocht.

3.8

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

4 Het geschil in hoger beroep

4.1

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 22 mei 2013. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het huwelijk tussen partijen alsnog nietig te verklaren.

4.2

De vrouw is op haar beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking met verbetering van gronden te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

in het principaal hoger beroep

5.1

De man stelt in - de toelichting op - zijn eerste grief dat zijn verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk moet worden beoordeeld met inachtneming van het bepaalde in artikel 10:31 Burgerlijk Wetboek (BW) omdat aan het hof de vraag voorligt of het Filippijnse huwelijk van de vrouw met de Filippijnse echtgenoot [A] moet worden erkend.

De man stelt dat het Filippijnse huwelijk nog steeds rechtsgeldig is omdat de door de vrouw geregelde Guam-scheiding in de Filippijnen niet wordt erkend. Het huwelijk tussen de vrouw en [A] in 1993 bestaat dus nog steeds en moet op grond van het bepaalde in artikel 10:31 BW in Nederland worden erkend.

De vrouw betwist dat haar huwelijk met [A] nog bestaat. Zij stelt dat aan het hof thans ter beoordeling voorligt of het echtscheidingsvonnis van de Superior Court te Guam op grond van het bepaalde in artikel 10:57 BW in Nederland moet worden erkend.

5.2

Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking onder 4.1 heeft overwogen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 10:57 BW dient te worden beoordeeld of het echtscheidingsvonnis van het Superior Court te Guam in Nederland moet worden erkend. Het op dit punt te geven oordeel bepaalt (mede) het oordeel over de door de man verzochte nietigverklaring van het huwelijk met de vrouw. Grief I faalt

5.3

In artikel 10:57 BW is het volgende bepaald:

‘1. Een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed wordt in Nederland erkend, indien zij is tot stand gekomen door de beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekwam.

2. Een in het buitenland verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed die niet voldoet aan één of meer van de in lid 1 gestelde voorwaarden wordt nochtans in Nederland erkend, indien duidelijk blijkt dat de wederpartij hetzij tijdens de buitenlandse procedure uitdrukkelijk of stilzwijgend met die ontbinding of scheiding van tafel en bed heeft ingestemd, dan wel na afloop van de procedure in de uitspraak heeft berust.’

5.4

In het geval het hof uitgaat van het bepaalde in artikel 10:57 BW stelt de man in zijn tweede grief:

-dat er in de Guam-procedure geen sprake was van een behoorlijke rechtspleging en de

rechter geen rechtsmacht toekwam (artikel 10:57, eerste lid, BW);

-dat niet duidelijk is gebleken dat [A] heeft ingestemd met de Guam-scheiding of dat

hij in het vonnis heeft berust (artikel 10:57, tweede lid, BW);

-dat de Guam-scheiding geen rechtsgevolgen heeft in de Verenigde Staten, waarvan Guam

onderdeel uitmaakt (artikel 10:57, tweede lid, BW);

-dat, zelfs indien het hof van oordeel is dat duidelijk blijkt dat [A] tijdens de Guam-

procedure uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft

ingestemd, dan wel na afloop van de procedure in de uitspraak heeft berust, het Guam-

vonnis van 30 juni 1992 niet in Nederland dient te worden erkend op grond van strijd met

de openbare orde (artikel 10:59 juncto artikel 10:6 BW).

5.5

De vrouw bestrijdt de stellingen van de man.

5.6

Het hof zal in de onderhavige zaak allereerst beoordelen of is gebleken dat [A] hetzij tijdens de buitenlandse procedure uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd, dan wel na afloop van die procedure in de uitspraak heeft berust (artikel 10:57, tweede lid, BW).

5.7

De vrouw heeft betoogd dat [A] tijdens de procedure in Guam uitdrukkelijk, dan wel stilzwijgend heeft ingestemd met de ontbinding van hun huwelijk, althans dat [A] na afloop van die procedure in de uitspraak heeft berust.

5.8

Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank daarover onder 4.4 heeft overwogen en maakt die overweging tot de zijne.

Die rechtsoverweging luidt als volgt:

Vervolgens moet beoordeeld worden of de heer [A] tijdens de procedure te Guam met de ontbinding van het huwelijk heeft ingestemd dan wel na afloop van die procedure in de ontbinding heeft berust.

De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

Blijkens het echtscheidingsvonnis van de rechtbank te Guam was de heer [A] de eisende partij (“the plaintiff”) en was de vrouw de verwerende partij (“the defendant”). De vrouw heeft ter zitting meegedeeld dat zij en de heer [A] voor de procedure te Guam samen één advocaat hadden en dat zij het erover eens waren de echtscheiding op die wijze te regelen. Voorts blijkt uit de door de vrouw overgelegde overeenkomst van 7 oktober 1998, die tussen haar en de heer [A] ten overstaan van een notaris in de Filippijnen tot stand is gekomen, dat zij en de heer [A] een regeling hebben getroffen ter zake van de voormalige echtelijke woning, de inboedelzaken en persoonlijke eigendommen, de kosten voor het onderhoud en de opleiding van de kinderen en het overleg over belangrijke zaken die betrekking hebben op de kinderen, aangezien zij al enige tijd gescheiden leefden.

Daarnaast blijkt uit het annulment van 2004 dat de heer [A] daarbij de verzoekende partij was en de vrouw de verwerende partij.

Anders dan de man meent, kan naar het oordeel van de rechtbank uit het feit dat in de overeenkomst van 7 oktober 1998 wordt gesproken van “husband and wife”, “conjugal properties”, “conjugal partnership” en “conjugal dwelling” en uit de omstandigheid dat de vrouw pas na het annulment in 2004 haar geslachtsnaam heeft gewijzigd van [A] in haar meisjesnaam, niet worden afgeleid dat de vrouw en de heer [A] na de echtscheiding te Guam hun huwelijk nog jaren in stand hebben gehouden, zoals de man stelt en de vrouw betwist. Naar Filippijns recht was en is het immers niet mogelijk om te scheiden, zodat de vrouw en de heer [A] in de Filippijnen toen nog steeds echtelieden waren en kennelijk als zodanig zijn aangeduid, waarbij de vrouw tot het annulment in 2004 de geslachtsnaam van de heer [A] had. Dat betekent echter niet dat zij tot 1998 en/of daarna hun huwelijk in stand hebben gehouden. Uit de bewoordingen in de overeenkomst en het dragen van de geslachtsnaam [A] door de vrouw kan evenmin worden afgeleid dat de heer [A] niet heeft ingestemd met het echtscheidingsvonnis te Guam of daarin nadien niet heeft berust. De omstandigheden dat deze overeenkomst pas enige tijd na de echtscheiding te Guam is gesloten en dat de overeengekomen eigendomsoverdracht van de woning aan de vrouw feitelijk nog niet heeft plaatsgevonden, doen daaraan niet af. Ook de omstandigheid dat de vrouw, na de echtscheiding te Guam, de heer [A] en de kinderen gratis in de voormalige echtelijke woning heeft laten wonen en periodiek geld overmaakte naar het gezin, betekent niet dat het huwelijk nog in stand was. De vrouw heeft immers, onvoldoende weersproken, gesteld dat zij na de echtscheiding nog een zorgplicht had tegenover de heer [A] en de kinderen. Gelet op het voorgaande heeft de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd dat de vrouw en heer [A] hun huwelijk na de echtscheiding te Guam nog jaren hebben voortgezet en dat de heer [A] niet heeft ingestemd of heeft berust in de echtscheiding.’

Daaraan voegt het hof nog het volgende toe.

De man heeft zich in hoger beroep opnieuw op het standpunt gesteld dat uit niets blijkt dat [A] heeft ingestemd met de ontbinding van het huwelijk met de vrouw.

De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd, haar stellingen in eerste aanleg gehandhaafd en (onder meer) nader aangevoerd dat zij en [A] al sinds 1992 niet meer hebben samengeleefd. Zij stelt dat het annulment weliswaar op haar initiatief heeft plaatsgevonden, maar dat dit verband hield met de wens van de man om tot erkenning van [kind 1] te kunnen overgaan.

Door het annulment was het voor [A] mogelijk het vaderschap van [kind 1] te ontkennen, hetgeen [A] ook heeft gedaan, waarna de man vervolgens [kind 1] als zijn kind kon erkennen.

De man heeft ter mondelinge behandeling bij het hof erkend dat het annulment puur voor de erkenning van [kind 1] was.

Het hof is van oordeel dat de man zijn stellingen met betrekking tot de instemming van [A] met de ontbinding van het huwelijk met de vrouw ook in hoger beroep, wederom en gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Voor zover al niet zou vaststaan dat [A] tijdens de procedure in Guam uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft ingestemd met de ontbinding van zijn huwelijk met de vrouw, kan in ieder geval op grond van zijn medewerking aan de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, het annulment en de ontkenning van het vaderschap van [kind 1] worden vastgesteld dat [A] in die ontbinding heeft berust.

Het hof verwerpt de subsidiair aangevoerde stelling van de man dat de Guam-scheiding van de vrouw en [A] door wijziging van de wetgeving in Guam in 2006, waardoor de Guam-scheidingen van vóór 2006 niet worden erkend in de Verenigde Staten (waarvan Guam onderdeel uitmaakt) en aldaar dus geen rechtsgevolgen heeft, niet in Nederland kan worden erkend. Het hof overweegt daartoe dat het gaat om de vraag of erkenning in Nederland dient plaats te vinden van een Guam-vonnis uit 1992 met de (destijds bestaande) rechtsgevolgen voor een op 28 juli 1993, dus ruimschoots vóór 2006, in Nederland gesloten huwelijk. De wetswijziging is gelet hierop dan ook niet relevant.

5.9

Ten aanzien van het betoog van de man dat sprake is van strijd met de openbare orde overweegt het hof als volgt.

In artikel 10:59 BW is bepaald:

‘Ongeacht de artikelen 57 en 58 van dit Boek wordt aan een in het buitenland tot stand gekomen ontbinding van het huwelijk erkenning onthouden indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.’

De wet geeft geen richtsnoer voor een dergelijke toetsing aan de openbare orde, maar er zal sprake moeten zijn van een evidente strijd met de fundamentele normen en waarden van de Nederlandse rechtsorde. De openbare orde exceptie zal daarom slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot onthouding van de erkenning van de buitenlandse beslissing.

Evenals de rechtbank ziet het hof geen reden de erkenning te onthouden aan de in Guam tot stand gekomen ontbinding van het tussen de vrouw en [A] op de Filippijnen (rechtsgeldig) gesloten huwelijk.

Het hof overweegt dat het in Nederland van belang is dat bij een echtscheiding de gevolgen daarvan worden geregeld, in het bijzonder die betreffende de minderjarige kinderen van de partijen. In het Guam-vonnis uit 1992 zijn onder 2, 3 en 4 bepalingen opgenomen ten behoeve van de op dat moment minderjarige [kind 2], waaronder over kinderalimentatie. [kind 3] was in 1992 al meerderjarig (althans gesteld noch gebleken is dat dat niet zo was). Voorts blijkt uit de door de vrouw en [A] gesloten overeenkomst van 7 oktober 1998 voldoende dat de gevolgen van de echtscheiding voor de twee kinderen (geboren in respectievelijk 1973 en 1978) van de vrouw en [A] waren geregeld en - voor de toekomst alsnog - werden vastgelegd. Blijkens de verklaringen van de vrouw was het in het belang van [kind 1] hem buiten de ontbindingsprocedure te houden. [kind 1] verbleef bij de vrouw en de man en het was de bedoeling dat de man hem in de toekomst zou erkennen. De man heeft dit laatste niet, althans onvoldoende, weersproken. Niet is gesteld of gebleken dat de belangen van de kinderen na de ontbinding in enig opzicht zijn geschaad.

Voorts verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 5.8 is overwogen met betrekking tot de door de man gestelde wetswijziging in 2006 waardoor Guam-scheidingen van vóór die datum geen rechtsgevolgen in de Verenigde Staten zouden hebben. Het hof legt het aldaar overwogene ook ten grondslag aan zijn oordeel dat de erkenning van het Guam-vonnis niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde.

Dat geen behoorlijke rechtspleging zou hebben plaatsgevonden bij de echtscheidingszaak te Guam kan, nu het hof heeft overwogen dat [A] heeft ingestemd met de echtscheiding, evenmin tot het oordeel leiden dat erkenning van het Guam-vonnis uit 1992 in strijd is met de Nederlandse openbare rechtsorde.

Het moge verder zo zijn dat het bestaan van hinkende huwelijken ongewenst is, maar het enkele feit dat erkenning van het Guam-vonnis zou leiden tot het ontstaan van een hinkend huwelijk is onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van strijd met de openbare rechtsorde. Datzelfde geldt als het gaat om de door de man als exorbitant bestempelde rechtsmacht van de rechter te Guam.

5.10

De conclusie is dat grief II tevergeefs is voorgesteld.

5.11

Grief III van de man, evenals het aan het slot van het beroepschrift over het annulment gestelde, behoeft na het voorgaande geen afzonderlijke bespreking.

in het incidenteel hoger beroep

5.12

Grief I richt zich tegen het door de rechtbank gegeven oordeel dat de erkenning van het Guam-vonnis niet op grond van het bepaalde in artikel 10:57, eerste lid, BW kan plaatsvinden.

Grief II is ingesteld voor het geval de Guam-scheiding als niet rechtsgeldig wordt beschouwd.

Grief III werpt op dat de rechtbank niet heeft overwogen dat een eventuele nietigheid niet kan worden ingeroepen wegens strijd met de rechtszekerheid en het bij partijen levende gerechtvaardigde vertrouwen.

De man voert verweer.

5.13

Het hof verwijst naar hetgeen is overwogen in het principaal hoger beroep en naar hetgeen als gevolg daarvan in dat beroep zal worden beslist, te weten een bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank van 22 mei 2013, in welke beschikking het verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk tussen de man en de vrouw is afgewezen.

Nu de grieven in het incidenteel hoger beroep ertoe strekken dat ook het hof tot afwijzing van de door de man verzochte nietigverklaring van het huwelijk zal geraken en aldus tot bekrachtiging van de bestreden beschikking zal overgaan, heeft de vrouw geen belang bij de bespreking van haar grieven in het incidenteel hoger beroep.

6 De slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd zoals hierna zal worden vermeld.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 22 mei 2013;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, K.J. Haarhuis en R. Krijger en is op 23 december 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.