Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10025

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
200.105.072-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling van de kosten die het gevolg zijn van het lekken van de gebrekkige douchepijpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.105.072/01

(zaaknummer rechtbank Assen 84272/HA ZA 11-26)

arrest van de tweede kamer van 23 december 2014

in de zaak van

[appellante],

gevestigd te [plaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden, voor wie heeft gepleit mr. C.P. ten Bruggencate, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

gevestigd te [plaats],

hierna: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

gevestigd te [plaats],

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.A. Venema, kantoorhoudend te Emmen, die ook heeft gepleit.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 januari 2014 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

[geïntimeerden] hebben op 4 februari 2014 het hof bericht dat zij afzien van tegenbewijslevering.

1.2

[appellante] hebben vervolgens op 1 juli 2014 een akte na tussenarrest genomen, waarna [geïntimeerden] op 12 augustus 2014 een antwoordakte na tussenarrest hebben genomen.

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1

Het hof heeft in rechtsoverweging 6.29 van het tussenarrest [geïntimeerden] toegelaten tot het tegenbewijs van de voorshands voldoende aannemelijk geachte stelling dat ook de latere gevallen van lekkage zijn veroorzaakt doordat die douchepijpen corrodeerden, en dus gebrekkig waren. [geïntimeerden] hebben afgezien van het leveren van dit tegenbewijs. Daarmee staat in rechte vast dat ook de latere gevallen van lekkage zijn veroorzaakt doordat de douchepijpen gebrekkig waren.

2.2

Daarmee is het toerekenbare onrechtmatig handelen van zowel [geïntimeerde 1] als van [geïntimeerde 2] gegeven. Dit betekent dat de grieven 6 en 7 verder onbesproken kunnen blijven.

2.3

In rechtsoverweging 6.35 van voormeld tussenarrest heeft het hof beslist dat [appellante] haar kosten vergoed zal krijgen die het gevolg zijn van het lekken van de douchepijpen en niet van het niet op de daarvoor aangegeven plaats installeren daarvan. Daarbij is overwogen dat [appellante] in de gelegenheid wordt gesteld om bij akte haar kosten in deze zin voor het project "[project]" uit te splitsen en om zich uit te laten over de plaats waar de douchepijpen in de woningen in de projecten "[project]" en "[project]" zijn geïnstalleerd en om voor die projecten eveneens de genoemde uitsplitsing van de door haar gestelde kosten te maken.

2.4

[appellante] heeft na voormeld tussenarrest een akte genomen. Hierin heeft zij verklaard dat zij voor alle drie projecten afziet van haar vordering met betrekking tot de kosten en het materiaal die gepaard zijn gegaan met het verkrijgen van toegang tot de douchepijpen en met het - na vervanging of het aanbrengen van de bypass - netjes wegwerken van de douchepijpen.

2.5

Met inachtneming daarvan heeft [appellante] in geval van vervanging van de douchepijpen in haar akte na tussen arrest de vergoeding van de volgende kosten gevorderd:

a. de kosten van de loodgieter (exclusief btw) € 258,68

b. de door [appellante] gemaakte kosten, naar het hof aanneemt alle exclusief btw, bestaande uit:

- beoordeling lekkage melding

voorrijkosten 1 uur ad € 55,- € 55,-

inspectie 1 uur ad € 55,- € 55,-

- herstel/vervangen d-wtw

beschermen interieur 2 uur ad € 55,- € 110,-

- herstel wanden

vochtmeten 1 uur ad € 55,- € 55,-

- spuiten/afwerken wanden materiaal € 262,50 € 262,50

€ 796,18

- begeleidingskosten € 117,79

€ 913,97

De genoemde kosten van de loodgieter vallen uiteen in:

- 2 uur reistijd à € 57,- € 114,-

- 2 arbeidsuren à € 57,- € 114,-

- materiaal € 30,68

€ 258,68

2.6

[appellante] heeft in haar akte na tussenarrest in geval van het aanbrengen van een bypass gevorderd:

a. de kosten van de loodgieter (exclusief) € 365,-

b. de door [appellante] gemaakte kosten, naar het hof aanneemt alle exclusief btw, bestaande uit:

- beoordeling lekkage melding

voorrijkosten 1 uur ad € 55,- € 55,-

inspectie 1 uur ad € 55,- € 55,-

- herstel/vervangen d-wtw

beschermen interieur 2 uur ad € 55,- € 110,-

- herstel wanden

vochtmeten 1 uur ad € 55,- € 55,-

- spuiten/afwerken wanden materiaal € 262,50 € 202,50

€ 842,50

- begeleidingskosten € 92,96

€ 935,46

De genoemde kosten van de loodgieter vallen uiteen in:

- 2 uur reistijd à € 57,- € 114,-

- 1 uur ontkoppelen waterleiding € 57,-

- 2 arbeidsuren à € 57,- € 114,-

- materiaal € 80,-

€ 365,-

2.7

[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat [appellante] haar berekeningen niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. Volgens hen blijkt nergens uit dat de werkzaamheden die achter deze getallen schuil gaan werkelijk zijn uitgevoerd. Dit geldt volgens [geïntimeerden] ook voor de werkzaamheden die door loodgieter [loodgieter] zouden zijn uitgevoerd. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt voor omleiden en/of vervangen van douchepijpen en wat de omvang van deze kosten is geweest, aldus [geïntimeerden]

2.8

Verder achten [geïntimeerden] de door [appellante] berekende schadebedragen buitenproportioneel. [geïntimeerden] hebben ten aanzien van de kosten van de loodgieter gesteld dat zij voor het vervangen van een douchepijp aan [Bedrijf x] uit [plaats] een vaste prijs van € 220,- exclusief btw betalen, waarvan zij bewijs aanbieden. [geïntimeerden] hebben van [Bedrijf y] - die de douchepijpen heeft verkocht - vernomen dat andere servicebedrijven vergoedingen rekenen van € 150,- tot € 200,- (naar het hof aanneemt exclusief btw) per douchepijp. [geïntimeerden] hebben een eigen kostencalculatie gemaakt, waarin zij de kosten van de loodgieter voor het vervangen van de douchepijp berekenen op € 110,- exclusief btw en voor het aanbrengen van een bypass op € 135,- exclusief btw.

2.9

[geïntimeerden] hebben tegen de volgens [appellante] door haar zelf gemaakte kosten (voorrijkosten en inspectie, beschermen interieur, herstel wanden, begeleidingskosten) eveneens verweer gevoerd. Daarbij achten zij voor de begeleidingskosten een bedrag van € 30,- per lekkage toewijsbaar.

2.10

[geïntimeerden] komen per saldo voor het vervangen van een douchepijp uit op een totaalbedrag van € 140,- exclusief btw en voor het aanbrengen van een bypass op € 165,- exclusief btw.

Kosten van de loodgieter

2.11

Het hof constateert dat [appellante] als productie 5 bij de dagvaarding in eerste aanleg een factuur van [loodgieter] van 14 juli 2010 van € 5.173,50 exclusief btw heeft overgelegd. Uit de bijgaande specificatie blijkt dat het gaat om (de eerste) 20 gevallen van lekkage in de periode vanaf 8 januari 2010 tot en met 2 juli 2010.

2.12

[appellante] heeft geen facturen van de loodgieter overgelegd van de vervanging van de andere lekkende douchepijpen en van het aanbrengen van de bypasses.

2.13

Het hof is van oordeel dat [appellante] in het kader van de onderbouwing van haar kosten de facturen van de loodgieter in het geding dient te brengen. Het hof zal [appellante] de gelegenheid geven dit bij akte te doen, waarna [geïntimeerden] hierop bij antwoordakte mogen reageren.

Kosten eigen werkzaamheden [appellante]

2.14

Wat betreft de door [appellante] voor eigen werkzaamheden berekende kosten oordeelt het hof als volgt.

Voorrijkosten en kosten van inspectie

2.15

[geïntimeerden] hebben de voorrijkosten en kosten van inspectie niet zozeer betwist, maar zijn van mening dat [appellante] het na de melding van 10 lekkages duidelijk moest zijn wat de oorzaak van de lekkage was. Zij ontkennen dat [appellante] nadien per lekkende douchepijp telkens voorrijkosten en inspectiekosten heeft gemaakt en achten die kosten onnodig in rekening gebracht.

2.16

Het hof is van mening dat [appellante], nadat diverse malen lekkage in de woningen waren gemeld en geïnspecteerd en er steeds sprake bleek te zijn van een lekkende douchepijp, er na de melding van een soortgelijke lekkage in een woning waar een dergelijke douchepijp is geïnstalleerd, kon volstaan met het inschakelen van de loodgieter die ter plaatse actie zou ondernemen en die haar hiervan verslag uit zou brengen. Het hof acht dit na de eerste 20 lekkagegevallen het geval geweest.

2.17

Uit de voormelde factuur van [loodgieter] blijkt dat zij voor een aantal lekkages op dezelfde dag actie heeft ondernomen. Het ligt voor de hand dat [appellante] dit eveneens heeft gedaan, zodat ook [appellante] uitsluitend in die (14) van de 20 gevallen reiskosten kan berekenen. Het hof acht daarom een totaalbedrag van 14 x 1 uur x € 55,- aan voorrijkosten en 20 x 1 uur x € 55,- aan inspectiekosten door [geïntimeerden] aan [appellante] te vergoeden, zijnde € 1.870,-.

Beschermen interieur

2.18

[geïntimeerden] hebben gesteld dat de post "beschermen interieur" groot 2 uur ad € 55,- niet noodzakelijk zou zijn geweest indien een douchepijp normaal toegankelijk zou zijn geweest. Volgens hen bevat de douchepijp 0,7 liter water die gemakkelijk kan worden opgevangen en zijn extra beschermingsmaatregelen overbodig.

2.19

Het hof acht, gezien deze betwisting, onvoldoende door [appellante] onderbouwd dat zij kosten ter bescherming van het interieur heeft moeten maken die in causaal verband staan met de gebrekkige douchepijp en niet met het niet op de aangegeven plaats installeren van de douchepijp.

2.20

De vordering tot vergoeding van deze kosten zal daarom niet worden toegewezen.

Vochtmeten en spuiten/afwerken wanden

2.21

De posten "vochtmeten" en "spuiten/afwerken wanden" hebben volgens [appellante] betrekking op de GIBO-wanden in de hal, het toilet en de trapkast. [appellante] heeft aangevoerd dat eerst de anhydriet afwerkvloer in het toilet verzadigd is geraakt en pas daarna het vocht is opgetrokken in de GIBO-wanden en zichtbaar is geworden. In geval van plaatsing in een meterkast geldt volgens [appellante] dat dit geen ruimte is om regelmatig in te kijken en om te onderzoeken of een douchepijp is gaan lekken.

2.22

[geïntimeerden] hebben tegen deze post aangevoerd dat dit herstel van gipswanden erop duidt dat de douchepijp niet conform de handleiding is geïnstalleerd.

2.23

Het hof is van oordeel dat [appellante] aldus onvoldoende heeft onderbouwd dat deze kosten het gevolg zijn van het lekken van de douchepijpen en niet van het niet op de aangegeven plaats installeren van de douchepijpen. [appellante] heeft haar kosten toegelicht in de huidige situatie, namelijk installatie van de douchepijpen op een onvoldoende toegankelijke plaats. [appellante] heeft niet onderbouwd dat deze kosten ook zouden zijn gemaakt in geval van installatie op een plaats die zonder veel ingrepen kan worden bereikt. Voor zover [appellante] heeft beoogd te stellen dat ook bij plaatsing in een meterkast de lekkage (te) laat zou zijn opgemerkt en dat zij in dat geval dezelfde herstelkosten zou hebben moeten maken, overweegt het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat een bewoner van een huis op gezette tijden in het jaar in de meterkast dient te kijken voor het opnemen van de meterstanden, en dat de meterkast in veel huishoudens wordt gebruikt voor het bewaren van voorwerpen, zoals stofzuigers en bezems. In het licht hiervan heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat de lekkage ook bij plaatsing op deze aangegeven plaats niet eerder zou zijn opgemerkt.

2.24

De door [appellante] in onderdeel 6 van haar akte na tussenarrest opgevoerde begeleidingskosten houden naar het oordeel van het hof deels verband met het verrichten van inspectie door [appellante] en het herstel van de GIBO wanden, zodat deze gelet op het vorenstaande grotendeels niet toewijsbaar zijn. Voor zover sprake is van kosten voor het door medewerkers van [appellante] opnemen van de melding en de registratie van de lekkageklacht, het aanmaken van een opdracht voor de onderaannemer, het inplannen van de onderaannemer, het beantwoorden van vragen van bewoners, het verwerken van de terugkoppeling van de onderaannemer, aanmaken opdracht, zal het hof het door

[geïntimeerden] akkoord bevonden bedrag van € 30,- voor begeleiding toewijzen, nu niet voldoende is onderbouwd dat die kosten meer (hebben) bedragen. Voor de eerste 20 gevallen van lekkage zal het hof ex aequo et bono een bedrag van € 10,- per lekkage aan begeleiding van de inspectie rekenen.

2.25

[appellante] heeft verder een bedrag van € 17.809,47 gevorderd voor expertisekosten, juridische bijstand en beslagkosten, alsmede een bedrag van € 5.378,73 in verband met de schade die is ontstaan aan een parketvloer in één van de projecten van [appellante].

2.26

Het bedrag van € 17.809,47 heeft [appellante] onderbouwd met productie 3 bij de memorie van grieven. Deze productie omvat:

- de factuur van [Bedrijf z] aan [Bedrijf q] van 30 juli 2010 groot € 3.214,45 exclusief btw en van 17 december 2010 groot € 2.224,20 exclusief btw;

- de declaratie van [Bedrijf r] van 2 augustus 2010 groot € 6.901,50 exclusief btw en van 4 oktober 2010 groot € 4.950,- exclusief btw;

- de op 21 december 2010 naar [appellante] verzonden acceptgirokaart voor een bedrag van € 560,- in verband met het griffierecht voor het door [appellante] ingediende verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van [geïntimeerde 1];

- het proces-verbaal van beslaglegging, kosten daarvan € 154,87;

- de declaratie van de deurwaarder voor het uitgebrachte beslagexploot groot € 62,56 exclusief btw.

2.27

In voormeld tussenarrest van 21 januari 2014 heeft het hof beslist dat [appellante] in dit geding genoegzaam heeft aangetoond dat zij uit hoofde van lastgeving bevoegd is op eigen naam ten behoeve van [Bedrijf s] op te treden (vergelijk Hoge Raad 26 februari 2010 ECLI:NL:HR:2010:BK4995).

2.28

Daarmee komt de toewijsbaarheid van de vordering tot betaling van de facturen van [Bedrijf z] aan de orde.

2.29

[geïntimeerden] hebben tegen deze vordering aangevoerd dat deze kosten zijn gemaakt ter vaststelling van de schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub BW en dat deze pas voor vergoeding in aanmerking komen als er sprake is van schadeplichtigheid van [geïntimeerden] jegens [Bedrijf s], waarvan volgens hen geen sprake is.

2.30

Het hof overweegt dat [geïntimeerden] op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de redelijke kosten van [appellante] ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid aan [appellante] dienen te vergoeden als schade die het gevolg is van het lekken van de douchepijpen.

[Bedrijf s] heeft de facturen van [Bedrijf z] voldaan. Op grond van

artikel 7:962 lid 1 BW zijn de vorderingen van de verzekerde tot schadevergoeding op derden op de verzekeraar overgegaan voor zover deze verzekeraar die schade, al dan niet verplicht, heeft vergoed. Nu niet in geschil is dat de door [Bedrijf z] gefactureerde bedragen kosten vormen als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW, mag [Bedrijf s] derhalve vergoeding hiervan door [geïntimeerden] vorderen. Anders dan

[geïntimeerden] in hun antwoordakte na tussenarrest onder 16 bepleiten, gaat het hier niet om kosten die onder de werking van een eventuele proceskostenveroordeling vallen.

[geïntimeerden] hebben voor het overige niet betwist dat dit redelijke kosten zijn ter vaststelling van de schade. Het hof acht de vordering tot vergoeding van de facturen van

[Bedrijf z] daarom toewijsbaar.

2.31

De declaraties van [Bedrijf r] zien op de periode vanaf 6 juli 2010 tot 22 september 2010 en hebben volgens [appellante] betrekking op de pogingen om buiten rechte tot een oplossing te komen. Deze pogingen zagen volgens [appellante] niet alleen op vergoeding van de geleden schade, maar ook op het overleg over het voorkomen van schade. [appellante] heeft de urenspecificaties van haar advocaat als productie 28 overgelegd bij haar akte na tussenarrest.

2.32

[geïntimeerden] hebben aangevoerd dat het gaat om kosten gemaakt ter instructie van de zaak, die niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets. Indachtig Rapport Voorwerk II zijn de kosten niet redelijk qua omvang. Volgens [geïntimeerden] vallen ook deze kosten onder de werking van een eventuele proceskostenveroordeling.

2.33

Het hof acht met de urenspecificatie in samenhang met het in de dagvaarding in eerste aanleg onder 8 gestelde voldoende aangetoond dat [appellante] kosten heeft gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Het hof begroot die kosten aan de hand van het rapport Voorwerk II op basis van 2 punten van het in eerste aanleg toepasselijke liquidatietarief III over de op 28 december 2010 ingediende hoofdsom van de vordering groot € 30.339,90 + € 1.457,08, ofwel € 31.796,98, zijnde 2 x € 579,- ofwel € 1.158,-.

2.34

De door [appellante] gevorderde beslagkosten, bestaande uit het griffierecht, de kosten van het proces-verbaal van beslaglegging en de kosten van het beslagexploot, zijn gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Daarvan zal het griffierecht groot € 560,-, gelet op het bepaalde in artikel 11 Wet griffierechten burgerlijke zaken, in mindering zijn gebracht op het in de procedure in eerste aanleg verschuldigde vastrecht.

2.35

Tot slot heeft [appellante] in hoger beroep een bedrag € 5.378,73 gevorderd aan "schade verzekeraar van een van de bewoners i.v.m. schade aan een parketvloer". [appellante] heeft aangevoerd dat de verzekeraar van een bewoner haar aansprakelijk heeft gehouden voor de kosten die de bewoner zelf heeft gemaakt om een lekkage te verhelpen en overige zaakschade. [appellante] heeft als productie 6 bij memorie van grieven de brief van ASR Schadeverzekering aan [appellante] van 22 mei 2012 overgelegd.

2.36

[geïntimeerden] zijn van mening dat deze vordering moet worden afgewezen. Er zijn geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat er een bedrag aan de schadeverzekeraar is uitgekeerd. Verder wordt in voormeld bericht van 22 mei 2012 in algemene bewoordingen als oorzaak van de schade vermeld "een niet goed aangesloten warmwater installatie in 2009". [appellante] heeft niet aangetoond dat deze schade is veroorzaakt door een door [geïntimeerde 1] geproduceerde douchepijp. Daarbij menen [geïntimeerden] dat de schade - als de omvang correct zou zijn - alleen zo hoog uit kan vallen als de douchepijp niet zichtbaar is weggewerkt en dient deze schade te worden toegerekend aan het verkeerd plaatsen door [appellante].

2.37

Het hof leidt uit de voormelde brief van 22 mei 2012 en het als productie 1 bij de memorie van grieven overgelegde overzicht van lekkages in het project [project] af dat het gaat om een woning waarin een douchepijp is geïnstalleerd en ter zake waarvan op 14 september 2011 lekkage is gemeld.

2.38

Voor zover deze vordering betrekking heeft op het door de bewoner zelf (en niet door de loodgieter laten) verhelpen van de lekkage zijn deze kosten op dezelfde voet en voor het zelfde bedrag toewijsbaar als de toe te wijzen kosten voor het inschakelen van de loodgieter. [appellante] zal zich nog bij akte erover mogen uitlaten of en voor zover deze vordering betrekking heeft op het door de bewoner zelf verhelpen van de lekkage dan wel of ook deze lekkage is verholpen door een door haar ingeschakelde loodgieter.

2.39

In lijn met hetgeen het hof in het vorenstaande heeft overwogen acht het hof ten aanzien van deze vordering voor het overige, gelet op de hoogte van deze vordering en de aard van de schade (schade aan parketvloer), onvoldoende onderbouwd dat het gaat om kosten die het gevolg zijn van de gebrekkige douchepijp en niet om kosten die van doen hebben met het niet op de aangegeven plaats installeren van de douchepijp.

2.40

Het hof zal iedere verdere uitspraak aanhouden in afwachting van de door [appellante] te nemen akte als hiervoor bedoeld onder 2.13 en 2.38, waarna [geïntimeerden] een antwoordakte mogen nemen.

3 De beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 20 januari 2015 teneinde [appellante] in de gelegenheid te stellen bij akte zich uit te laten als hiervoor omschreven in rechtsoverweging 2.13 en 2.38;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. I. Tubben en mr. P. Roorda en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

23 december 2014.