Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10016

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
200.150.668/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.150.668/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/131211 FA RK 13-2120)

beschikking van de familiekamer van 18 december 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de moeder],

verblijvend op een geheim adres,

hierna te noemen: de moeder,

2. Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ,

3. [de pleegouders],

wonende te [B],

hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 maart 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 juni 2014, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, kosten rechtens.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 12 september 2014, heeft de raad het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof is op 11 november 2014 een brief van 11 november 2014 van BJZ met bijlagen binnengekomen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 21 november 2014 plaatsgevonden. De zaken met zaaknummers 200.150.668 en 200.150.671 zijn daarbij gelijktijdig behandeld. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en namens de raad de heer [C]. Namens BJZ zijn verschenen mevrouw mr. [D] en de heer [E]. Voorts is de pleegmoeder van de minderjarige verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De minderjarige [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1]), geboren [in] 2008 te [A], staat sinds 23 december 2009 onder toezicht van BJZ en is op diezelfde dag uit huis geplaatst. Zijn zus [de minderjarige2] is ook uit huis geplaatst, op 15 juli 2009. [de minderjarige1] woont vanaf april 2011 in het huidige pleeggezin.

3.2

In zijn inleidend verzoekschrift heeft de raad de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, verzocht de ouders te ontheffen van het gezag over [de minderjarige1]. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ouders ontheven van het gezag over [de minderjarige1] en BJZ tot voogd benoemd.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.2

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel -door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

4.3

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

4.4

De vader heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat hij onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] te vervullen. Hij stelt daartoe onder meer dat hij [de minderjarige1] nooit onder zijn hoede heeft gehad, omdat [de minderjarige1] al spoedig na zijn geboorte uit huis geplaatst is.

4.5

De raad is van mening dat de beschikking, voor zover door de vader bestreden, bekrachtigd dient te worden.

4.6

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting acht het hof voldoende aannemelijk dat de vader ongeschikt en onmachtig is als opvoeder. Rondom de opvoedingsomgeving van [de minderjarige1] zijn vanaf zijn geboorte veel zorgen geweest. Bij beide ouders is sprake van een belast verleden en psychische problematiek, gepaard gaande met agressie, impulsiviteit en instabiliteit. Ondanks jarenlange intensieve hulpverlening (zoals [F], [G] en [H]) waren de ouders niet in staat om [de minderjarige2] en [de minderjarige1] een duidelijke en gestructureerde omgeving te bieden. [de minderjarige2] en [de minderjarige1] zijn daarom in 2009 uit huis geplaatst. Er is in de afgelopen jaren wel gewerkt aan terugplaatsing, maar het is de ouders niet gelukt om zich aan de met de hulpverlening gemaakte afspraken te houden. Zo is op basis van een NIFP-onderzoek naar beide ouders (in juni 2010) geadviseerd om [de minderjarige2] te plaatsen bij vader (en op termijn ook [de minderjarige1]). Na een korte thuisplaatsing bij vader is [de minderjarige2] wederom in een pleeggezin geplaatst omdat bij vader opnieuw sprake was van instabiliteit in de leefsituatie, onder meer vanwege verondersteld middelengebruik. Plaatsing van [de minderjarige1] bij vader is daarom niet gerealiseerd, omdat de risico's op mislukking te groot geacht werden.

4.7

[de minderjarige1] verblijft inmiddels sinds 7 april 2011 in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin. Hij heeft zich daar goed kunnen hechten en ontwikkelt zich goed, mede door de structuur en duidelijkheid die hem geboden wordt. Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat het recht van [de minderjarige1] op duidelijkheid over zijn opvoedingssituatie en daarmee zijn belang bij stabiliteit met betrekking tot zijn verblijf en zijn verzorgings- en opvoedingssituatie zwaarder dienen te wegen dan het belang van de vader bij behoud van het gezag. De spanning en onrust die de verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing telkens met zich brengen, acht het hof niet in het belang van [de minderjarige1]. Dit te meer nu de vader blijft streven naar plaatsing van [de minderjarige1] bij hem. In hoeverre de vader in de toekomst in staat zou zijn om [de minderjarige1] een adequate opvoedingssituatie te bieden is in dat kader van ondergeschikt belang. Vast staat dat de ouders heel veel geven om [de minderjarige2] en [de minderjarige1], maar dat de gezinsgeschiedenis niet terug te draaien is. Vooruitkijkend dienen de ontwikkeling en het perspectief van [de minderjarige1], die sinds hij 2 ½ jaar was in het pleeggezin verblijft, voorrang te krijgen en veilig gesteld te worden. Het hof hecht er voorts nog aan op te merken dat de vader altijd de (biologische) vader zal blijven en dat deze beschikking dat niet anders maakt. Het belang van [de minderjarige1] verlangt echter dat thans de gezagssituatie in overeenstemming wordt gebracht met zijn feitelijke verblijfssituatie. Pleegmoeder heeft ter zitting nog aangegeven dat [de minderjarige1] de omgangsmomenten met vader als plezierig ervaart. Van belang is dat er blijvend geïnvesteerd wordt in de onderlinge relatie tussen de vader en [de minderjarige1].

4.8

Het hof is - evenals de rechtbank - van oordeel dat de voogdij over [de minderjarige1] dient te worden opgedragen aan BJZ, die als neutrale partij het belang van [de minderjarige1] in het vizier kan houden en kan behartigen.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de beschikking voor zover bestreden bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 maart 2014, voor zover door de vader bestreden.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Foppen, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. H. Lenters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 december 2014 in bijzijn van de griffier.