Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10014

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
200.130.478-01 + 200.130.987-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afrekening krachtens huwelijkse voorwaarden met een finaal verrekenbeding. Bepaling waarde ondernemingen en onroerende goederen. Verrekening van diverse polissen en banksaldi.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.130.478/01 en 200.130.987

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 130449/FL RK 07/827)

beschikking van de familiekamer van 16 december 2014

in de zaak nummer 200.130.478:

[A],

wonende te [Z],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Bootsma, kantoorhoudend te Haarlem,

tegen

[B],

wonende te [Z],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Brakke, kantoorhoudend te Zeewolde,

in de zaak nummer 200.130.987:

[B],

wonende te [Z],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Brakke, kantoorhoudend te Zeewolde,

tegen

[A],

wonende te [Z],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Bootsma, kantoorhoudend te Haarlem.

1 Het geding in eerste aanleg in beide zaken

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 januari 2008, 3 december 2008, 11 februari 2009 en 26 april 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak nummer 200.130.478:

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 juli 2013, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 26 april 2013. De vrouw verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor zover de vrouw tegen bepaalde onderdelen van de beschikking grieven heeft gericht en de beschikking voor het overige te bekrachtigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig met aanvulling van gronden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

"A. de man aan de vrouw in verband met de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden een bedrag dient te voldoen ter hoogte van € 155.479,--, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2013;

B. de man uiterlijk binnen twee dagen na afgifte van de ten deze te wijzen beschikking aan de vrouw doet toekomen schriftelijk bericht van de [c-bank] en de [d-bank] waaruit blijkt wat het saldo was per 12 december 2006 op [c-bank] rekeningnummer [00000], respectievelijk [d-bank] rekeningnummer [00001], op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft;

C. de man wordt veroordeeld tot voldoening van de helft van de saldi op hiervoor

genoemde bankrekeningen aan de vrouw, zulks binnen 2 dagen na de ten deze te wijzen beschikking en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft;

D. de man te veroordelen om na afgifte van de in deze procedure te wijzen beschikking over te gaan tot opheffing van alle door hem gelegde beslagen op de vermogensbestanddelen van de vrouw, zulks op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,-- per dag, voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke blijft, waaronder in elk geval het beslag onder notaris Trip, kantoorhoudende te Almere in verband met de overdracht van het pand aan de [a-straat] 24, het beslag op de VW Touareg en op de bankrekeningen en van de vrouw en de zakelijke bankrekeningen van [E] Makelaardij."

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 4 oktober 2013, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden.

In de zaak onder nummer 200.130.987:

2.3

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 juli 2013, is de man in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 april 2013. De man verzoekt het hof om bij

beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

"voornoemde beschikking van 26 april 2013 wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende:

I. de waarde van de onderneming van de man te bepalen op een bedrag van € 118.000,-- subsidiair de waarde per peildatum te laten vaststellen door een door Uw Gerechtshof te benoemen externe deskundige, meer subsidiair het bedrag dat door de man in juli 2013 is overgeboekt buiten de verdeling te laten nog meer subsidiair dit bedrag niet tweemaal mee te nemen in de verdeling;

II. de vrouw te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen arrest aan de man te voldoen de boete als genoemd in artikel 13 HV ten aanzien van de woning gelegen aan de [b-straat] ten bedrage van € 45.378,02;

III de vrouw te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen arrest aan de man te voldoen de boete als genoemd in artikel 13 HV ten aanzien van de woning gelegen te Zwitserland ten bedrage van € 45.378,02;

IV de vrouw te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen arrest aan de man te voldoen een bedrag van € 15.000,-- ten titel van overwaarde [b-straat];

V te bepalen dat de waarde van de woning in Zwitserland in het kader van de verdeling tussen partijen gewaardeerd dient te worden op CHF 323.000,-- subsidiair dient de woning in Zwitserland per peildatum te worden gewaardeerd, meer subsidiair dient de waarde van de woning bepaald te worden op 95 % van de door de vrouw opgegeven verkoopprijs, een bedrag van CHF 218.000,--. en derhalve de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van CHF 161.500,--, subsidiair van de helft van de door de taxateur te bepalen opbrengst per peildatum, meer subsidiair op een bedrag van CHF 115.000,--

VI te bepalen dat het pand gelegen aan de [c-straat] in het kader van de verdeling tussen partijen gewaardeerd dient te worden op de peildatum en wel voor een bedrag van

€ 290.000,-- zodat de man maximaal voor een bedrag van € 5.000,-- dient bij te dragen in de eventuele onderwaarde van dit pand, subsidiair dienen de kosten van de vergunning kantoor, de uitwinning [f-bank] als ook de vervroegde aflossing niet in mindering gebracht te worden op de opbrengst van € 270.078,67, hetgeen, subsidiair, zou resulteren in een onderwaarde van € 29.921,33 met tot gevolg dat de man slechts gehouden is ten titel van het pand aan de [c-straat] een bedrag aan de vrouw te voldoen van

€ 14.960,67;

VII te bepalen dat het pand aan de [a-straat] geactiveerd dient te worden primair voor 35 %, subsidiair voor 25 % en op grond daarvan de vrouw te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen arrest aan de man te voldoen aan de man een bedrag te voldoen van primair € 75.250,-- subsidiair een bedrag van € 53.750,--;

VIII te bepalen dat de door [G] op pagina 6 van het rapport genoemde liquiditeiten op

€ 246.000,-- wordt bepaald en de vrouw te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen arrest aan de man te voldoen een bedrag van de helft van het verschil tussen € 168.000,-- en € 246.000,-- zijnde € 39.000,--

IV De bankrekeningen tussen partijen te verdelen zoals door de man in eerste aanleg is verzocht en zoals is opgenomen in de door de man opgestelde vermogensverdeling;

X De vrouw te bevelen om binnen 14 dagen na de betekening van het ten deze te wijzen arrest rekeningafschriften van de onder Grief X en productie 2 genoemde bankrekeningnummers waaruit de saldi van deze rekeningen blijkt alsmede waaruit blijkt of aan de betreffende rekening een spaarrekening is gekoppeld alsmede het saldo van deze spaarrekening per 12 december 2006, zulks op straffe van een aan de man ten laste van de vrouw tegoed komende dwangsom van € 1.000,-- per dag voor elke dag dat de vrouw, na twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen arrest, hiermee in gebreke blijft.

XI De vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep

alsmede in eerste aanleg.;"

2.4

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 4 oktober 2013, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden.

2.5

Tijdens de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft de man een akte houdende vermeerdering van eis genomen, waarin hij verzoekt:

"XII: De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 41.855,-- subsidiair op een bedrag van € 20.927,50 ten titel van verdeling van de

resterende opbrengt uit de verkoop van de woning;

XIII De vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 136.500,-- zijnde de

helft van het bedrag dat door vrouw is onttrokken; danwel dient Uw Hof bij de

bepaling van de omvang van de verdeling uitdrukkelijk rekening te houden met

dit door de vrouw onttrokken bedrag."

In beide zaken:

2.6

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 21 augustus 2013 een brief van 19 augustus 2013 van mr. Bootsma met producties 8 en 39 tot en met 51;

- op 4 september 2013 een brief van 2 september 2013 van mr. Brakke met producties 1 tot en met 16;

- op 2 mei 2014 een “aanvullende productielijst” van mr. Bootsma met producties genummerd 52, 53, 54;

- op 2 mei 2014 een brief van 1 mei 2014 van mr. Brakke met producties 1 tot en met 5;

- op 6 mei 2014 een tweede “aanvullende productielijst” van mr. Bootsma met producties genummerd 55 en 56.

- op 20 mei 2014 een faxbericht van mr. Bootsma met als bijlage een e-mail van 4 september 2012 van de door de rechtbank genoemde deskundige [G]. Het hof zal op de inhoud van de e-mail van [G] acht slaan, omdat tijdens de hierna genoemde terechtzitting door het hof om overlegging van die e-mail is verzocht en mr. Bootsma aan de wederpartij heeft bericht dat hij aan dat verzoek heeft voldaan.

2.7

De mondelinge behandeling heeft op donderdag 15 mei 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaten van beide partijen hebben een pleitnota overgelegd.

3 De wijziging van eis.

In de zaak onder nummer 200.130.987:

3.1

De advocaat van de man heeft ter zitting aangegeven dat het in de akte houdende vermeerdering van eis onder XII opgenomen verzoek samenhangt met de grieven III en V en met de daarmee samenhangende verzoeken in zijn appelschrift, met dien verstande dat het in het appelschrift opgenomen verzoek betreffende de waarde van de woning– naar het hof begrijpt het verzoek sub IV - het primaire verzoek betreft en het gewijzigde verzoek subsidiair is. Het verzoek genummerd XIII hangt, aldus de advocaat van de man, nauw samen met de grieven betreffende de saldi van bankrekeningen. De vrouw heeft niet weersproken dat de gewijzigde vorderingen nauw verweven zijn met reeds door de man opgeworpen grieven. Het hof gaat er daarom van uit dat de gewijzigde vorderingen geen nieuwe grieven bevatten.

De vrouw heeft tegen de wijzigingen van eis geen bezwaar gemaakt en het hof acht deze wijzigingen niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal daarom op de eis, zoals gewijzigd, beslissen.

3.2

Het hof merkt hier volledigheidshalve nog het volgende op. In de pleitaantekeningen die de man tijdens het pleidooi heeft overgelegd is een opstelling gemaakt van de verdeling zoals die volgens de man moet plaatsvinden en uit hoofde waarvan de man een bedrag van

€ 780.400,- van de vrouw te vorderen meent te hebben. De man heeft ter zitting niet gesteld dat hij met het slot van de pleitnota beoogd zijn eis (nogmaals) te wijzigen. Verder staan in die opstelling diverse posten waarover de rechtbank niet, dan wel anders heeft beslist, - bijv. vordering verzekeringswaarde inboedel [b-straat] en Zwitserland en management Fee beheer huurcontracten - maar ten aanzien waarvan de man geen grief heeft opgeworpen. Voor het geval de man heeft bedoeld om dergelijke posten nog aan de orde te stellen anders dan als verweer in de zaak met nummer 200.130.478, moet het er voor worden gehouden dat de man nieuwe grieven opwerpt. Die grieven kunnen, gelet op de twee-conclusieregel, niet in behandeling worden genomen, mede omdat de vrouw niet ondubbelzinnig met het in behandeling nemen daarvan heeft ingestemd.

4 Geweigerde stukken

4.1

Het hof heeft tijdens voornoemde mondelinge behandeling de door de vrouw overgelegde productie 56, inhoudende een schriftelijke reactie van de vrouw, geweigerd omdat het een verkapte memorie van repliek betreft en een dergelijke memorie door een advocaat moet worden ingediend. Het hof zal derhalve op de inhoud van die productie geen acht slaan.

5 De vaststaande feiten.

5.1

Tussen partijen staat als niet dan wel onvoldoende weersproken, het volgende vast.

5.1.1

P artijen zijn gehuwd [in] 1986, onder huwelijkse voorwaarden. Op 19 januari 2000 zijn die huwelijkse voorwaarden met goedkeuring van de rechtbank gewijzigd.

In de daarvan opgemaakte akte is het volgende vermeld:

"(…)

Artikel 1

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

Aansprakelijkheid en toestemming voor schulden

Artikel 2

1. Voor de schulden van ieder van de echtgenoten is aansprakelijk degene die de desbetreffende schuld heeft doen ontstaan. Voor schulden aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding is ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk.

2. In verband met het bepaalde in artikel 13 dienen de echtgenoten schriftelijke

toestemming aan elkander te verlenen voor het aangaan van schulden, bij gebreke

waarvan deze schulden niet zullen worden betrokken in de aldaar bedoelde verrekening.

(…)

Afrekening aan het einde van het huwelijk

Artikel 13

1. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of tussen de echtgenoten scheiding van tafel

en bed wordt uitgesproken, heeft ieder van de echtgenoten het recht om te vorderen dat er een verrekening plaatsvindt, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest indien er de algehele gemeenschap van goederen tussen hen had bestaan.

2. 2. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk door de dood of ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, naar de toestand per de aanvang van de dag van het instellen van een verzoekschrift daartoe. De beschrijving van de vermogens zal plaats hebben binnen zes maanden na de ontbinding van het huwelijk of de scheiding van tafel en bed.

3. Het vermogen van ieder van de echtgenoten bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden, zulks met inachtneming van het in artikel 2 lid 2 bepaalde. In geval van ontbinding door overlijden dient het vermogen van de langslevende te worden vermeerderd met de te zijnen laste komende en tijdens het huwelijk betaalde premies en koopsommen alsmede met de daarover verschuldigde rente als bedoeld in artikel 8.

Aanspraken op al of niet ingegaan pensioen worden niet in deze verrekening betrokken.

De vaststelling van de beide vermogens alsmede de bepaling van de waarde daarvan zullen geschieden in onderling overleg of bij gebreke daarvan door een of meer deskundigen als door de aard van de goederen wordt vereist, zulks ter beoordeling van na te melden kantonrechter. Vorenbedoelde deskundigen dienen te worden benoemd door de ter plaatse waar de goederen zich bevinden bevoegde kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij. Bevinden de goederen zich in het buitenland dan vindt de benoeming plaats door de kantonrechter te Amsterdam. Het onderling overleg wordt als gestaakt beschouwd indien niet binnen twee maanden na dagtekening van een aangetekende brief waarbij door de ene echtgenoot aan zijn of haar mede-rechthebbende(n) om mededeling van hun inzichten dienaangaande is verzocht, overeenstemming is bereikt over de waarde.

4. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert zo, dat ieder van hen de helft geniet van de waarde van de vermogens.

5. De uitkering moet worden gedaan in geld en wel binnen een jaar na de ontbinding van het huwelijk of, ingeval van scheiding van tafel en bed, binnen een jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

6. Ingeval gewichtige redenen zich tegen prompte voldoening verzetten zullen de echtgenoten een redelijke betalingsregeling - al of niet met zekerheidsstelling en al

of niet met rente - treffen, waarbij de belangen van beiden in acht worden genomen.

7. Geen verrekening vindt plaats indien op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed aan een echtgenoot in surséance van betaling of een schuldsanering is verleend dan wel een echtgenoot in staat van faillissement verkeert of heeft verkeerd; na het einde van het faillissement zal wel verrekening plaatsvinden, indien het vermogen van de desbetreffende ex-gefailleerde echtgenoot positief is.

8. Voorts zal, ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, nog geen verrekening plaatsvinden van die vermogensbestanddelen, die bestemd zijn voor belegging en daarop betrekking hebbende schulden, die ten tijde van de verrekening per saldo niet minimaal de totaalkosten van de investering bedragen.

Verdeling hiervan zal pas dan gevorderd kunnen worden als de waarde gelijk is aan de investering. Gedurende de periode dat verrekening nog niet heeft plaatsgevonden, zullen de netto-opbrengsten van deze vermogensbestanddelen terstond tussen partijen gedeeld worden, ieder voor de helft.

Voor vervreemding van deze vermogensbestanddelen gedurende de periode dat nog niet verrekend is, is de schriftelijke toestemming van de andere echtgenoot vereist, bij gebreke waarvan de vervreemdende partij een boete verschuldigd wordt aan de andere partij van éénhonderd duizend gulden (f 100.000,00) en onverminderd de bevoegdheid tot het vorderen van schadevergoeding voorzover deze voormelde boete te boven gaat.

Mocht vervreemd zijn zonder toestemming van de andere echtgenoot tegen een waarde die lager ligt dan de totaalkosten van de investering, dan wordt tussen partijen verrekend alsof het betreffende vermogensbestanddeel een waarde had, gelijk aan de totaalkosten van de investering.

De verplichting tot verrekening geldt niet in geval van een gedwongen overdracht zoals executie na beslag of door een hypothecaire schuldeiser, tenzij dit het gevolg is van handelingen of gedragingen dan wel het nalaten daarvan met de bedoeling de onderhavige regeling te doorkruisen.

(…)”

5.1.2

Het verzoek tot echtscheiding is op 12 december 2006 ingediend bij de rechtbank Zwolle-Lelystad. Bij beschikking van die rechtbank van 9 januari 2008 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 13 maart 2008 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

5.1.3

Tot het vermogen dat volgens de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden moet worden verrekend behoort de waarde van :

  • -

    De éénmanszaak van de man: [H];

  • -

    De éénmanszaak van de vrouw: Makelaardij [E], tot het vermogen waarvan behoort een pand aan de [c-straat] 43 te [Z];

  • -

    De onroerend goederen die aan de vrouw toebehoren:

 Een woning aan de [b-straat] te [Z];

 Een appartement te Zwitserland;

 Een pand aan de [a-straat], waarvan een deel van de economische waarde is geactiveerd in de onderneming van de man;

  • -

    De inboedelgoederen die zich bevinden in het pand aan de [b-straat] en in het appartement in Zwitserland;

  • -

    Diverse polissen;

  • -

    Saldi van diverse bankrekeningen die op naam van de vrouw, op naam van de man of op naam van beiden staan;

Verder zijn er nog hypothecaire en belastingschulden die bij de verrekening moeten worden betrokken.

5.1.4

In voornoemde beschikking van 3 december 2008 heeft de rechtbank partijen opgedragen om gezamenlijk aan het kantoor [I] opdracht te verlenen om de waarde van de éénmanszaken van partijen per 31 december 2005 en per 31 december 2006 vast te stellen. Het gaat daarbij om de onderneming van de vrouw, [E] Makelaardij, en om de onderneming van de man, [H].

[G] heeft in brieven van 29 december 2011 zijn bevindingen aan partijen meegedeeld.

5.1.5

[G] heeft wat betreft het zichtbaar vermogen van de onderneming van de vrouw de volgende opstelling gemaakt:

(alle bedragen in € 1.000,-)

31-12-2006 31-12-2005

€ €

Bedrijfsgebouwen — en terreinen 188 191

Inventaris 11 9

Vervoermiddelen 78 35

Materiële vaste activa 277 273

Vorderingen 2 2

Liquide middelen 170 271

Vlottende activa 172 273

Totaal activa 449 508

Kapitaal mevr. [A] 71 149

Oudedagsreserve 49 42

Ondernemingsvermogen 120 191

Voorzieningen 4 3

Schulden kredietinstellingen 300 300

Kortlopende schulden 25 14

Totaal passiva 449 508

[G] heeft verder ten aanzien van het op de balans opgenomen onroerend goed, gelegen aan de [c-straat] 43 te [Z], rekening gehouden met een door [J] Taxaties vastgestelde waarde van € 260.000 per 1 januari 2006 en € 265.000 per 31 december 2006. De boekwaarde bedroeg respectievelijk € 191.537 en € 188.525.

[G] heeft vervolgens de waarde van de onderneming van de vrouw als volgt berekend

(alle bedragen in € 1.000,-)

31-12-2006 31-12-2005

€ €

Kapitaal mevrouw [A] volgens balans 71 149

Bij: meerwaarde onroerend goed (obv [J]) 77 69

Bij: vrijval fiscale voorziening 4 3

Bij: waarde portefeuille 23 30

Af: herziening vooraftrek BTW pand -3 -7

Af: Belasting over de correcties -49 -46

Gecorrigeerd kapitaal 123 198

[G] vermeldt verder onder meer:

“Ik wijs er nog op dat in bovenstaande waardebepaling de oudedagsreserve buiten beschouwing is gelaten omdat deze fiscaal toegestane reserve feitelijk buiten de waarde van de onderneming staat. Van zelfsprekend dient bij de vereffening van het vermogen tussen partijen op beide peildata de oudedagsreserve wel te worden betrokken. Hierbij dient voorts rekening te worden gehouden met de op deze reserve drukkende inkomstenbelasting.”

5.1.6

[G] heeft de waarde van de onderneming van de man per 31 december 2005 en per 31 december 2006 berekend op respectievelijk € 230.000,- en € 118.000,-.

[G] schrijft: “Het verschil in waarde op de beide peildata heeft voornamelijk te maken met de privé opnamen die in 2006 ten laste van de kapitaalrekening hebben plaatsgevonden.”

Uit het rapport van [G] blijkt voorts dat in de onderneming van [B] is geactiveerd 25% van het pand aan de [a-straat]. Bij de vaststelling van de waarde van de onderneming van de man is met de boekwaarde van dat aandeel, vermeerderd met de meerwaarde daarvan, rekening gehouden.

5.1.7

[G] heeft in voornoemde e-mail van 4 september 2012 aan partijen onder meer meegedeeld dat indien het juist is dat, gelet op een minnelijke regeling met de fiscus, niet 25% van de economische waarde van het pand aan de [a-straat] tot het kapitaal van de onderneming van de man wordt gerekend, maar 20%, de waarde van de onderneming van de man per eind 2005 € 216.000,- bedraagt en de waarde per eind 2006 € 104.000,-.

6 De grieven

In de beide zaken

6.1

Het komt het hof doelmatig voor om de beroepsschriften van partijen gezamenlijk te behandelen, nu het merendeel van de in die beroepschriften opgeworpen grieven betrekking heeft op de wijze waarop partijen na echtscheiding vermogensrechtelijk moeten afrekenen conform de huwelijkse voorwaarden en het in het belang van partijen is dat in deze zaken geen tegenstrijdige beslissingen zullen worden gegeven.

De peildatum.

6.2

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de in artikel 13 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden bedoelde peildatum is 12 december 2006. Partijen hebben daartegen geen grief opgeworpen, zodat het hof daarvan zal uitgaan.

De geschilpunten

6.3

Partijen verschillen van mening over de volgende punten:

1. de (berekeningswijze van de) waarde van de onderneming van de man (grief I en II man) in samenhang met het pand aan de [a-straat] (grief VIII man);

2. het bedrag van € 232.400,- dat de man in 2006 heeft opgenomen van de en/of rekening van partijen met het nummer [00002] (grief VI vrouw);

3. de waarde van de onderneming van de vrouw (grief IX man);

4. het pand aan de [c-straat] (grief VII man);

4. de woning aan de [b-straat] (grief I vrouw, grief III en V man);

5. de woning in Zwitserland (grief II vrouw, grief IV en VI man);

7. de inkomsten uit verhuur van het pand aan de [a-straat] (grief III vrouw);

8. de inboedel van het woning aan de [b-straat] en de inhoud van de kluis (grief IV en V vrouw);

9. de belastingschulden ( grief VIII vrouw);

10. de (wijze van verrekening) saldi bankrekeningen (grief I en X man);

11. overig (grief VII, IX en X vrouw) ;

De onderneming van de man (grief I en II man) in samenhang met het pand aan de [a-straat] (grief VIII man) en het door de man opgenomen bedrag van € 232.400,- (grief VI vrouw);

6.4

De rechtbank heeft de waarde van de onderneming van de man geschat op een bedrag van € 216.000,-. De rechtbank heeft in dat kader overwogen dat zij de door [G] berekende waarde van de ondernemingen van beide partijen per 12 december 2006 onbetrouwbaar vond omdat beide partijen in 2006 forse sommen geld aan hun bedrijf hebben onttrokken en zij geen inzicht hebben gegeven in hetgeen van die opgenomen bedragen op de peildatum nog resteerde. De rechtbank heeft daarom de waarde van de ondernemingen van zowel de man als de vrouw geschat aan de hand van de door [G] per eind 2005 berekende waarde van de ondernemingen. Bij de vaststelling van de waarde van de onderneming van de man heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de door [G] per 31 december 2005 berekende waarde waarbij rekening is gehouden met een inbreng in de onderneming van de man van 20% van de economische waarde van het aan de vrouw toebehorende pand aan de [a-straat]. Het bedrag van € 232.400,- dat de man op 3 juli 2006 van de en/of rekening van partijen met het nummer [00002] heeft opgenomen heeft de rechtbank aangemerkt als ondernemingsvermogen van de man.

6.5

De vrouw maakt in grief VI bezwaar hier tegen. Volgens haar behoorde het bedrag van € 232.400,-- niet tot het ondernemingsvermogen van de onderneming van de man, maar betrof het geld dat op de spaarrekening van partijen stond. De vrouw betoogt dat het bedrag van € 232.400,- ook niet bij de door [G] vastgestelde waarde van de onderneming is betrokken. De vrouw stelt dat de man genoemd bedrag onder zich heeft en dat dat bedrag nog in de verrekening moet worden betrokken.

6.6

De man bestrijdt niet dat genoemd bedrag op een en/of rekening van partijen stond en dat hij dat bedrag, nadat hij dat had overgeboekt naar een op zijn naam gestelde rekening, onder zich heeft genomen. Hij betoogt dat een eenmanszaak, wat zijn onderneming is, geen afgescheiden vermogen heeft. Volgens hem heeft hij het onderhavige bedrag besteed aan een nieuwe inventaris, een nieuwe volkswagen Touareq en heeft hij van dat geld geleefd, is daarvan op vakantie is geweest en heeft hij wat handelsvoorraad gekocht. De man stelt dat nog een bedrag van € 102.000,- resteerde en dat daarvan blijkt uit het door [G] opgestelde rapport.

6.7

Uit een brief van [G] op 29 december 2011 betreffende de bankrekeningen van partijen, blijkt dat de man op 3 juli 2006 een bedrag van € 232.400,- heeft overgeboekt van de en/of rekening nr. 61.77.81.575 naar zijn rekening nr. 50.28.02.715 en dat ultimo 2006 op die laatste rekening nog € 3.599,73 stond. [G] schrijft daarover dat hem niet is gebleken dat genoemd bedrag naar een andere, door partijen genoemde, bankrekening is overgemaakt en dat de man niet heeft aangegeven waaraan deze onttrekking is besteed. [G] heeft eveneens op 29 december 2011 de rapportage betreffende de waardering van de onderneming van de man opgesteld (overweging 5.1.6.) en hij heeft kennelijk geen aanwijzing gevonden dat het bij de waardering daarvan in aanmerking genomen kapitaal van de man (tot een bedrag van € 102.000,-) afkomstig is uit genoemd bedrag van € 232.400,-, zoals de man naar het hof begrijpt, stelt. Het hof beschikt verder niet over de jaarstukken van de onderneming van de man of andere boekhoudkundige bescheiden. Er zijn dan ook geen gegevens beschikbaar waaruit blijkt, dat het bedrag van € 232.400,- desondanks in de periode eind 2005/eind 2006 als ondernemingsvermogen in de boeken heeft gestaan. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het bedrag van € 232.400,- dat de man medio 2006 van de en/of rekening heeft gehaald en onder zich heeft genomen, geen deel uitmaakt van de door [G] berekende waarde van de eenmanszaak van de man per 31 december 2005 of (deels) per 31 december 2006. Daaruit vloeit voort dat genoemd bedrag nog moet worden verrekend voorzover op de peildatum nog aanwezig en voorzover dat niet reeds op enigerlei wijze in de verrekening is betrokken. Nu de man het bedrag betrekkelijk kort voor de peildatum van 12 december 2006 onder zich heeft genomen kan in redelijkheid van hem worden gevergd dat hij aantoont wat hij daarmee heeft gedaan.

De man heeft daarover mede in de toelichting op grief I gesteld dat het bedrag van

€ 232.400,-, of een deel daarvan, in de door de rechtbank verrekende vermogensbestanddelen en/of banksaldi is betrokken. Hij heeft echter geen gegevens verstrekt die dat ondersteunen.Hij heeft ook niet onderbouwd dat hij een deel van genoemd bedrag heeft uitgegeven aan de door hem genoemde zaken. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de man bedoeld bedrag op de peildatum nog onder zich had en dat dat bedrag bij helfte tussen partijen moet worden verrekend. De man is dan nog € 116.200,- aan de vrouw verschuldigd.

6.7.1

De man heeft in grief VIII bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de rechtbank om uit te gaan van een waarde van zijn onderneming, waarbij slechts rekening is gehouden met een inbreng van 20% van de economische waarde van het pand aan de [a-straat]. De man voert daartoe aan dat in de boekhouding van de onderneming en door de fiscus tot en met 2006 van een economische inbreng van 25% is uitgegaan, zodat in ieder geval dat percentage moet worden gehanteerd. De man pleit er echter voor om 35% van de economische waarde aan de onderneming toe te rekenen, omdat dat overeenkomt met het vloeroppervlak dat hij in gebruik had.

6.8

De vrouw bestrijdt dat uit de boekhouding blijkt dat 25% van de economische waarde van het pand aan de [a-straat] in de onderneming van de man is ingebracht. Verder stelt zij dat indertijd in samenspraak met de fiscus een percentage van 20% is afgesproken.

6.9

Het pand aan de [a-straat] is door de vrouw gekocht en aan haar geleverd. De man heeft niet bestreden dat partijen nadien in samenspraak met de fiscus het percentage waarvoor de economische waarde van het pand aan de [a-straat] is ingebracht in de onderneming van de man is gesteld op 20%. Indien de man op enig moment in de boekhouding van zijn onderneming is uitgegaan van een inbreng van 25% en de fiscus dat heeft geaccepteerd, zoals de man stelt, dan kan dat naar 's hofs oordeel slechts ten nadele van de vrouw werken wanneer zij - als eigenaar van het pand - daarmee heeft ingestemd. Er is niet gesteld of gebleken dat dat het geval is geweest. Verder is de hoeveelheid oppervlakte die de onderneming van de man in gebruik heeft geen omstandigheid waaraan het percentage in de economische eigendom kan worden ontleend. Het hof acht het door de man gestelde daarom niet voldoende om van de beslissing van de rechtbank op dit punt af te wijken.

6.10

De man stelt in grief I verder dat de rechtbank ten onrechte de waarde van zijn onderneming niet heeft bepaald per 12 december 2006.

Deze grief van de man berust op een verkeerde lezing van het vonnis van de rechtbank. De rechtbank heeft de waarde van de onderneming van de man per 12 december 2006 geschat. Voor zover de man bedoelt te stellen dat de rechtbank bij die schatting ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de door [G] berekende waarde per eind 2005, dan treft dat bezwaar geen doel. Uit de hiervoor onder 5.1.6. weergegeven inhoud van het rapport van [G] blijkt dat er een aanzienlijk verschil is tussen de waarde van de onderneming van de man per eind 2005 en per eind 2006 en dat dat verschil met name wordt veroorzaakt door privé-opnamen vanaf de kapitaalrekening. Het gaat daarbij dan om een verschil van meer dan € 100.000,-. De man heeft niet weersproken dat het bedrag dat hij in het jaar voorafgaand aan de peildatum heeft opgenomen een, voor partijen, fors bedrag betreft. De man heeft geen gegevens verschaft waaruit blijkt dat gelden afkomstig van de privé-opnamen, dan wel daarmee verkregen vermogensbestanddelen, in de verrekening zijn betrokken. Nu niet duidelijk is wat met het in privé opgenomen bedrag is gebeurd, komt het niet redelijk voor om met de door die opname veroorzaakte waardedaling van de onderneming van de man rekening te houden.

Verder staat het de rechter, anders dan de man in grief II stelt, in beginsel vrij om, voor zover redelijk en billijk, te bepalen met welke feiten en omstandigheden bij de vaststelling van de waarde van een vermogensbestanddeel rekening dient te worden gehouden en om vervolgens met in achtneming daarvan tot een waardeberekening te komen. Het hof zal daarom de waarde van de onderneming van de man schatten en daarvoor aansluiting zoeken bij de waarde die [G] aan de onderneming per 31 december 2005 heeft toegekend ad

€ 216.000,-.

6.11

Grief I van de man faalt in zoverre, de grieven II en VIII van de man falen en grief VI van de vrouw slaagt.

De waarde van de onderneming van de vrouw, het bedrag van € 246.000,- en het in de akte vermeerdering van eis door de man genoemde bedrag van € 273.000,-.

6.12

De man betoogt in grief I dat de rechtbank ten onrechte van een peildatum van eind 2005 is uitgegaan. Het hof gaat hieraan voorbij om redenen als vermeld in overweging 6.10. Voor zover de man bedoelt te stellen dat de rechtbank bij de schatting van de waarde van de onderneming van de vrouw ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de door [G] berekende waarde per eind 2005, dan zal het hof die grief samen behandelen met grief IX van de man.

De man stelt in grief IX in essentie dat de rechtbank ten onrechte het door de vrouw in 2006 uit haar onderneming opgenomen bedrag van € 246.000,- niet afzonderlijk in de verrekening heeft betrokken.

De man wijst op de door [G] berekende waarde van de onderneming van de vrouw per eind 2006 waarin is verdisconteerd een bedrag van € 170.000,- aan liquide middelen, waarvan – aldus [G] – slechts € 2.000,- is verantwoord. Volgens de man heeft de vrouw in 2006 een bedrag van € 246.000,- aan haar onderneming onttrokken, maar niet duidelijk gemaakt waar het deel van het bedrag van € 246.000,- dat resteert na aftrek van (€ 170.000,- - € 2000,- =) € 168.000,-, is geboekt en/of gebleven. Hij wenst daarom dat, naast verrekening van de waarde van de onderneming van de vrouw, zoals door [G] berekend per eind 2006, de vrouw hem de helft zal moeten betalen van (€ 246.000,- - € 168.000,- =

€ 78.000,- : 2 =) € 39.000,-.

6.13

Het hof zal bij de behandeling voor voorgaande grieven van de man tevens betrekken de, in verband met de wijziging van eis, opgeworpen stellingen van de man dat uit de door hem bij de brief van zijn advocaat van 1 mei 2014 als productie 1 en 2 gevoegde bankafschriften blijkt dat de vrouw een bedrag van € 273.000,- heeft overgeboekt naar de rekening van haar zuster en dat dit bedrag nog bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Het hof begrijpt dat de man deze stelling plaatst in het kader van grief X, waarin hij opkomt tegen de beslissing van de rechtbank over de verrekening van de saldi van bankrekeningen, maar het komt het hof doelmatig voor dit punt samen te behandelen met de grief IX van de man ter zake de beslissing van de rechtbank over genoemd bedrag van

€ 246.000,-.

6.14

De vrouw stelt dat het bedrag van € 246.000,- is begrepen in het bedrag aan liquide middelen van € 271.000,- dat volgens de berekening van [G] eind 2005 in haar onderneming aanwezig was. Volgens haar heeft zij in 2006 aan de liquide middelen van haar onderneming de bedragen onttrokken die staan in de door de man bij de brief van zijn advocaat van 1 mei 2014 overgelegde rekeningafschriften en heeft [G] daarmee rekening gehouden bij de waardering van haar onderneming.

6.15

In de brief van [G] van 29 december 2011 betreffende de waarde van de onderneming van de vrouw (overweging 5.1.5.) staat verder nog:

"(…) Ten aanzien van de post liquide middelen per 31 december 2005 ad € 271.000 merk ik op dat hierin een bedrag ad € 246.000 is begrepen uit hoofde van rekening [00003] bij de [f-bank] bank. Ik heb begrepen uit de toelichting van mevrouw [A] dat dit een privé-rekening is met ultimo 2005 een saldo van € 246.081,47. Omdat van deze rekening

€ 246.000 in de eenmanszaak is verantwoord (waar tegenover derhalve een hoger saldo kapitaalrekening) heeft zij het totaal banksaldo in Privé (box 3) met hetzelfde bedrag verminderd.

Ten aanzien van de post liquide middelen per 31 december 2006 ad € 170.000 merk ik

op dat hierin een bedrag ad € 168.000 is begrepen uit hoofde van door mevrouw

[A] bij een derde gestalde liquiditeiten. Ondanks mijn verzoek heeft mevrouw

[A] geen onderliggende bewijsstukken opgeleverd waarmee ik de juistheid van

deze post heb kunnen verifiëren. Ik maak dan ook een voorbehoud voor de hoogte van

dit bedrag.

(..)

6.16

In de brief van [G] van 29 december 2011 betreffende de door partijen opgenomen bedragen staat: “Uit het in de bijlage opgenomen overzicht blijkt dat de stand van de liquide middelen van Makelaardij [E] ultimo 2005 € 275.241,77 bedroeg. Volgens de jaarrekening bedroeg de stand € 271.223,-. Het verschil ad € 4.019,- betreft de saldi van de bankrekeningen [00004] en [00005].

Uit het in de bijlage opgenomen overzicht blijkt dat de stand van de liquide middelen van makelaardij [E] ultimo 2006 € 11.662,01 bedroeg. Volgens de jaarrekening bedroeg de stand € 170.363,-. Mevrouw [A] heeft naar aanleiding van deze bevinding toegelicht dat het verschil ad € 158.701,- wordt veroorzaakt door het verschil tussen het saldo [c-bank] bank ad € 9.299,- enerzijds en een bedrag van € 168.000,- anderzijds. Dit laatste bedrag stond volgens mevrouw [A] ultimo 2006 niet op de bankrekening van de makelaardij maar op de bankrekening van een derde, maar is derhalve wel in de jaarrekening van de Makelaardij verantwoord. Door het ontbreken van een kopie van de bankrekening van deze derde heb ik deze mededeling niet kunnen verifieren.”

6.17

De man heeft als productie 1 en 2 bij voornoemde brief van 1 mei 2014 afschriften overgelegd betreffende een rekening met het door [G] genoemde nummer [00005]. Het hof begrijpt dat het hier een rekening van de onderneming van de vrouw betreft. Uit de overgelegde afschriften blijkt dat in 2006 van die rekening in totaal een bedrag van

€ 273.000,- naar een rekening met nummer [00006] is overgeboekt. De vrouw heeft niet bestreden dat deze rekening op naam van haar zuster staat. Uit de afschriften blijkt verder dat in september 2006 van de rekening van de zuster een bedrag van € 30.000,- is teruggeboekt naar de rekening [00005] en in november 2006 nog een bedrag van € 75.000,-. In 2007 is in totaal nog € 168.000,- terug geboekt. Dit laatste bedrag is gelijk aan het bedrag dat volgens [G] per 31 december 2006 wel als ondernemingsvermogen was geboekt (en waarmee hij bij de waardevaststelling van de onderneming van de vrouw ook rekening heeft gehouden), maar dat niet op de bedrijfsrekeningen stond. De rekeningafschriften ondersteunen derhalve de stelling van de vrouw dat het bedrag van € 273.000,- , inclusief de € 168.000,-, door [G] is meegenomen bij de vaststelling van de waarde van haar onderneming per eind 2006. Het hof gaat er verder van uit dat het door de vrouw in 2006 opgenomen bedrag van € 273.000,- deels bestaat uit het door de man genoemde bedrag van

€ 246.000,- dat eind 2005 op de door [G] genoemde rekening nummer [00003] bij de [f-bank] bank stond, nu niet is gesteld of gebleken dat de onderneming in 2006 naast dat bedrag nog over substantiëel vermogen heeft beschikt waaruit de vrouw het bedrag van

€ 273.000,- zou hebben kunnen opnemen. Van laatstgenoemd bedrag was eind 2006 nog

€ 168.000,- over. De rest, € 105.000,- is in de loop van 2006 terug gestort op een bedrijfsrekening, maar daarvan was eind 2006 weinig meer over, nu de vrouw, evenals de man, in 2006 een substantiëel bedrag in privé heeft opgenomen. Ook de vrouw heeft niet bekend gemaakt wat met het door haar opgenomen bedrag is gebeurd. Het hof acht daarom de door [G] berekende waarde per eind 2006 niet betrouwbaar. Het hof ziet daarom aanleiding de waarde van de onderneming van de vrouw per 12 december 2006 te schatten op het bedrag dat [G] als waarde van die onderneming per eind december 2005 heeft berekend, te weten € 198.000,-.

Op deze wijze wordt rekening gehouden met de in 2006 door de vrouw opgenomen, maar niet volledig door de vrouw verantwoorde bedragen.

Het door de vrouw opgenomen bedrag van € 273.000,- en het verschil tussen de door de man genoemde bedragen van € 246.000,- en € 168.000,- is, gezien het voorgaande, in de boekhouding van de onderneming van de vrouw verantwoord en moet geacht worden bij voornoemde de waardering van de onderneming te zijn betrokken, zodat voor (afzonderlijke) verrekening daarvan geen plaats meer is.

6.18

De grief I en IX van de man falen.

Saldi op bankrekeningen, waaronder de rekening t.n.v. de vrouw nr. [00007] en bij [K].

6.19

De man stelt in grief X dat de rechtbank de saldi van de bankrekeningen lukraak heeft verdeeld en daarbij niet bij alle bankrekeningen de juiste peildatum heeft gehanteerd en/of van bankrekeningen geen rekeningafschriften heeft verlangd, waardoor de saldi op de bankrekeningen niet juist zijn verdeeld.

6.20

De man heeft de in de memorie van grieven genoemde lijst met bekende bankrekeningnummers, die hij als productie 2 in het geding zou brengen, niet aan het hof doen toekomen. Hij heeft zijn stelling dat de rechtbank de saldi van bankrekeningen lukraak heeft verdeeld dan ook niet onderbouwd. Het hof gaat er daarom vanuit dat de rechtbank op correcte wijze heeft weergegeven aan wie de diverse bankrekeningen toebehoren.

6.21

De rechtbank heeft een aantal van de saldi van bankrekeningen ten name van de man en/of op naam van beide partijen gesteld op de waarde per 31 december 2006, omdat geen gegevens per de peildatum 12 december 2006 aanwezig waren.

De man heeft geen gegevens verstrekt betreffende de saldi die op de peildatum op die bankrekeningen stonden. Er is ook niet gesteld of gebleken dat de man bedoelde gegevens niet heeft kunnen verstrekken. Het hof is daarom van oordeel dat de man niet voldoende heeft onderbouwd dat de door de rechtbank verrekende saldi aanpassing behoeven.

6.22

De rechtbank heeft tevens verrekend het saldo dat op 31 december 2006 op de bankrekening [00008] ten name van de vrouw stond, mede omdat de man dat saldo ook zelf had opgevoerd als te verrekenen saldo. De man heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat het saldo per peildatum substantiëel afwijkt van het saldo per 31 december 2006. Het door de man gestelde is daarom niet voldoende om van de vrouw te verlangen een rekeningafschrift met het saldo per de peildatum te verstrekken.

6.23

De man wenst verder verrekening van het saldo op een effectenrekening die volgens hem was gekoppeld aan voornoemde bankrekening nummer [00008]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de vrouw veroordeeld om een schriftelijk bericht van de [f-bank] bank over te leggen waarop blijkt of er onder dat rekeningnummer per 12 december 2006 nog effecten waren en om, zo dat zo mocht zijn, de helft van de de waarde daarvan aan de man te voldoen. De man heeft geen redenen aangevoerd waaruit blijkt dat deze beslissing niet in stand kan blijven. Verder heeft de man, ondanks de betwisting door de vrouw niet aangetoond dat zij over een alleen op haar naam gestelde rekening bij [K] c.q. [L] beschikt.

6.24

Wat betreft het bedrag van € 168.000,- (zie overweging 6.12. en volgende) dat op de peildatum op een bankrekening bij de zuster van de vrouw stond heeft het hof reeds overwogen dat dat in de waarde van de onderneming van de vrouw is betrokken en daarom niet voor afzonderlijke verrekening in aanmerking komt.

6.25

Grief X van de man faalt.

Het pand aan de [c-straat] 43

6.26

De man stelt in grief VII dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat ter zake van het pand aan de [c-straat] een negatief bedrag van € 47,987,18 verrekend moet worden, in die zin dat hij de helft daarvan aan de vrouw dient te betalen. Hij voert daartoe onder meer aan dat de rechtbank is uitgegaan van de in 2009 verkregen verkoopopbrengst van het pand € 270.078,67, terwijl de waarde op de peildatum van 12 december 2006 moet worden verrekend. Die waarde bedraagt volgens de man € 290.000,-, zoals berekend door [M] Makelaardij. Verder betoogt de man dat de rechtbank bij de berekening van het te verrekenen bedrag op de vastgestelde waarde ten onrechte diverse bedragen in mindering heeft gebracht.

6.27

De vrouw bestrijdt het door de man gestelde.

6.28

Het hof stelt voorop dat het pand aan de [c-straat] 43 het bedrijfspand is van de eenmanszaak van de vrouw. [G] heeft bij de in overweging 5.1.5. weergegeven berekening van de waarde van de eenmanszaak per 31 december 2005 en per 31 december 2006 rekening gehouden met de door [J] Taxaties vastgestelde waarde van € 260.000,- per 1 januari 2006 respectievelijk € 265.000,- per 31 december 2006. Verder heeft [G] rekening gehouden met een schuld van de onderneming van € 300.000,-. Dat is, zo is ter zitting van dit hof gebleken, de hypothecaire schuld die betrekking heeft op het pand aan de [c-straat].

De rechtbank heeft de waarde van de eenmanszaak van de vrouw geschat op een waarde inclusief de waarde van het pand en inclusief de hypothecaire schuld.

Dat de waarde van het pand aan de [c-straat] en de hypothecaire schuld bij de berekening van de waarde van de onderneming moet worden meegenomen is niet bestreden. Voor een tweede verrekening van de waarde van het pand, zoals de rechtbank heeft gedaan, is dan geen plaats meer.

6.29

Het hof zal daarom de grief van de man, wat betreft de waarde van het pand, zo begrijpen dat hij mede bezwaar maakt tegen de waarden waartegen het pand in de onderneming van de vrouw is meegenomen.

6.30

In het taxatierapport van [M] makelaardij van 16 september 2010 is de onderhandse verkoopwaarde van het pand per 1 januari 2006 en per 31 december 2006 vastgesteld op € 290.000,-. Dat is hoger dan de door de [J] Taxaties vastgestelde waarden per die datum.

Het komt het hof redelijk voor de waarde te stellen op een gemiddelde van de door [M] getaxeerde waarde en de waarde waarmee rekening is gehouden bij de door het hof geschatte waarde van de onderneming van de vrouw, ad € 260.000,-. Het gemiddelde is € 275.000,-, zodat een bedrag van € 15.000,- verrekend moet worden. De vrouw is dan te dezer zake een bedrag van € 7.500,- aan de man verschuldigd.

6.31

Rest de vraag of de man gehouden is om de helft van de door de vrouw in verband met de verkoop van het pand in 2009 gemaakte kosten aan de vrouw te voldoen. Het gaat daarbij om een bedrag van € 615,- vergunning kantoor, een bedrag van € 14.450,85 uitwinning [f-bank] en een bedrag van € 3.000,- vervroegde aflossing.

6.32

Het hof zal geen rekening houden met het bedrag aan vervroegde aflossing. Het hof overweegt daartoe als volgt. De hoogte van de hypothecaire schuld bedroeg op de peildatum € 300.000,-. Uit de nota van afrekening van [N] van 2 november 2009 betreffende de verkoop van de [c-straat] 43, blijkt dat toen een hypothecaire schuld van € 270.000,- is voldaan. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de aflossing van € 3.000,- in mindering is gekomen op de schuld van € 300.000,-. Nu bij de berekening van de waarde van de onderneming van de vrouw met een hypothecaire schuld van € 300.000,- rekening is gehouden, is sprake van een dubbeltelling wanneer tevens met een bedrag aan vervroegde aflossing in de verrekening wordt betrokken.

6.33

Het bedrag aan uitwinningskosten van de bank van € 14.450,85 is ontstaan doordat de vrouw begin 2009 een koper voor het pand had gevonden, maar zij het pand niet kon leveren in verband met een door de man op dat pand gelegd beslag. De man wilde niet aan de levering meewerken. De bank heeft vervolgens besloten om executoriaal te gaan veilen.

De man had, gezien zijn verklaring in het proces-verbaal van de op 23 juni 2008 gehouden comparitie van partijen, met verkoop ingestemd. Door desondanks niet aan de levering mee te werken moet de man geacht worden mede-verantwoordelijk te zijn geweest voor het ontstaan van de uitwinningskosten. Het deel van die kosten dat is toe te rekenen aan de gedragingen van de man kan dan in redelijkheid niet worden aangemerkt als een schuld die door toedoen van de vrouw is ontstaan als bedoeld in artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden. Het hof is van oordeel dat de man in deze omstandigheden, mede gelet op de redelijkheid en billijkheid die (gewezen) echtgenoten jegens elkaar behoren te betrachten, de helft van € 14.450,85, ofwel € 7.225,42, voor zijn rekening moet nemen. De vrouw heeft verder nog een bedrag van € 615,- voldaan ter zake van een herziening van een vergunning die in verband met het pand was verstrekt. Dat de vrouw dat bedrag heeft voldaan heeft de man niet bestreden. Verder heeft de man niet voldoende onderbouwd dat er redenen zijn waarom met deze uitgave geen rekening behoort te worden gehouden.

De man zal de helft van € 615,-, ofwel € 307,50, voor zijn rekening moeten nemen. In totaal moet de man aan de vrouw vergoeden (€ 7.225,42 + € 307,50 =) € 7.532,92.

6.34

Grief VII van de man slaagt in zoverre.

De woning aan de [b-straat]

6.35

De man heeft in grief III gesteld dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de woning aan de [b-straat] is aangeschaft als beleggingsobject in de zin van artikel 13 lid 8 van de huwelijkse voorwaarden.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat het een recreatiewoning betreft die niet voor permanente bewoning bestemd is. Volgens hem woonden partijen ten tijde van de aanschaf in een woning aan de [d-straat] te [Z] en wilden partijen met de woning aan de [b-straat] geld verdienen door de woning te verhuren of te verkopen. De man meent dat de vrouw door de woning te verkopen aan hem de boete bedoeld in artikel 13 lid 8 huwelijkse voorwaarden verschuldigd is.

6.36

De vrouw heeft bestreden dat de woning een beleggingsobject is.

6.37

Het hof stelt voorop dat de uitleg van huwelijkse voorwaarden dient te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Aangezien huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid moeten worden aangegaan bij notariële akte, komt bij de toepassing van de Haviltexmaatstaf in dit verband mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen in huwelijkse voorwaarden volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben.(vgl. HR 4 mei 2007, NJ 2008, 187)

6.38

In artikel 13 lid 8 van de huwelijkse voorwaarden is een regeling opgenomen, die onder meer inhoud dat: " (…) ingeval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, (zal, hof) nog geen verrekening plaatsvinden van die vermogensbestanddelen, die bestemd zijn voor belegging en daarop betrekking hebbende schulden, die ten tijde van de verrekening per saldo niet minimaal de totaalkosten van de investering bedragen.(..)"

Partijen hebben in hoger beroep niet concreet aangegeven wat ten tijde van het opstellen van de huwelijkse voorwaarden met die voorwaarde is bedoeld als het gaat om de vraag tegen welk moment moet worden beoordeeld of een goed een beleggingsobject is. Het hof begrijpt de stellingen van de man aldus dat hij ervan uit gaat dat de bedoeling van partijen op het moment van aanschaf van het perceel aan de [b-straat] bepalend is. De vrouw gaat uit van de wijze waarop de woning ten tijde van de echtscheiding daadwerkelijk is gebruikt.

Het hof is van oordeel dat een redelijke uitleg van voornoemde bepaling is dat de bestemming die een object heeft ten tijde van de echtscheiding bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een belegging als bedoeld in artikel 13 lid 8 van de huwelijkse voorwaarden, nu daarin een regeling wordt getroffen over de wijze van verrekening na echtscheiding.

6.39

Het hof overweegt dat, ook indien de woning aan de [b-straat] is aangeschaft als beleggingobject, zoals de man stelt, de woning feitelijk niet commercieel door partijen is gebruikt. De man heeft niet weersproken dat partijen die woning, nadat deze was afgebouwd, zelf zijn gaan bewonen. Er is verder niet gesteld of gebleken dat partijen na de verkoop van de woning aan de [d-straat] op zoek zijn gegaan naar een andere koopwoning die zij als echtelijke woning wilden gaan gebruiken. Het hof is daarom van oordeel dat, zo de woning voor belegging mocht zijn aangeschaft, die bedoeling daaraan is ontvallen toen partijen de woning aan [d-straat] hadden verkocht en besloten om voor onbepaalde tijd in de woning aan de [b-straat] te gaan wonen. De vrouw is na het uiteengaan van partijen de woning blijven bewonen. De woning was daardoor op de peildatum en ook daarna, ten tijde van de echtscheiding van partijen, niet (meer) bestemd voor belegging in de zin van artikel 13 lid 8 van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw is derhalve geen boete aan de man verschuldigd.

6.40

Partijen hebben ieder een grief gericht tegen de door de rechtbank aan de woning aan de [b-straat] toegekende waarde. De vrouw is daartegen in grief I opgekomen en de man in grief V.

6.41

De vrouw gaat ervan uit dat de rechtbank de waarde van de woning heeft gesteld op een bedrag van € 378.000,-. Het hof leest in de beschikking van de rechtbank van 26 april 2013 in overweging 9.c., in samenhang bezien met overweging 9.a., dat de rechtbank de waarde van de woning aan de [b-straat] per de peildatum van 12 december 2006 heeft geschat op een waarde gelijk aan de hoogte van de hypothecaire schuld en daarmee op een bedrag van € 375.000,-. Het hof zal daarvan uitgaan.

6.42

De vrouw stelt dat zij bij de verkoop van de woning aan de [b-straat] verlies heeft geleden tot een bedrag van € 18.969,- te vermeerderen met rente en dat de man haar minimaal € 9.484,50 moet vergoeden. De vrouw voert daartoe aan dat de woning, inclusief grond, € 359.000,- heeft gekost. De woning is op 2 juli 2007 verkocht voor

€ 360.000,-. Volgens de vrouw blijkt ook daaruit dat een waarde van 359.000,- reëel is.

6.43

De man betwist dat de woning € 375.000,- of minder waard is. De man wenst dat wordt uitgegaan van de in het op 2 juni 2009 opgemaakte taxatierapport van [O] Makelaardij B.V., waarin de onderhandse verkoopwaarde van de woning per 1 april 2007 is gesteld op € 405.000,-.De man stelt dat de vrouw de woning onderhands aan een vriend,

[P], heeft verkocht, zonder dat de woning op gewone wijze te koop heeft gestaan. Voor het geval het hof niet uitgaat van een waarde van € 405.000,- stelt de man dat die koper van de woning een bedrag van € 41.855,- aan de vrouw heeft nabetaald en maakt hij aanspraak op de helft van deze extra verkoopopbrengst.

6.44

De vrouw heeft niet bestreden dat zij een bedrag van € 41.855,- van [P] heeft ontvangen. Volgens haar had dit bedrag betrekking op een andere transactie. Zij heeft evenwel niet aangegeven om welke transactie het daarbij zou zijn gegaan. De vrouw heeft daarom niet voldoende onderbouwd dat zij de woning voor een bedrag van € 360.000,-- aan [P] heeft verkocht. Dat brengt mee dat de door de vrouw genoemde aanschaf- en verkoopsom van circa € 360.000,- niet indicatief is voor de waarde van de woning op de peildatum. Gegevens waaruit blijkt dat de waarde van de woning op de peildatum

€ 375.000,- heeft bedragen zijn evenmin voorhanden. Het komt het hof daarom redelijk voor de waarde van de woning te stellen op de verkoopsom van € 360.000,- te vermeerderen met het van [P] verkregen bedrag van € 41.855,- en dus op € 401.855,-.

Het hof ziet geen aanleiding om de waarde van de woning vast te stellen aan de hand van het taxatierapport van [O] Makelaardij B.V., omdat er veel tijdverschil is tussen de datum waarop de taxateur de woning heeft bezichtigd en de peildatum waartegen de waarde van de woning, in de toestand waarin deze zich toen bevond, moet worden vastgesteld.

6.45

Partijen moeten dan een bedrag van € 401.855,- - € 375.000,- = € 26.855,- verrekenen. De vrouw zal daarvan de helft, € 13.427,50 aan de man moeten voldoen.

6.46

Grief III van de man en grief I van de vrouw falen. Grief V van de man slaagt.

De woning in Zwitserland

6.47

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw een bedrag van CHF 104.500,- aan de man moet voldoen in het kader van de verrekening van de waarde van de woning in Zwitserland, alsmede dat de man een bedrag van CHF 900,- aan de vrouw moet voldoen in verband met verrekening van een saldo op een 'en/of' rekening van partijen bij [K], waarvan het saldo ten goede van de man is gekomen. De vrouw heeft de woning in Zwitserland in juni 2007 verkocht voor een bedrag van CHF 209.000,-.

6.48

De man stelt in grief IV dat de woning in Zwitserland een beleggingsobject is als bedoeld in artikel 13 lid 8 van de huwelijkse voorwaarden en dat de vrouw, door de woning zonder zijn instemming te verkopen, de in de voorwaarden genoemde boete heeft verbeurd. Volgens de man geldt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ook wanneer de woning niet tegen een lager bedrag dan het bedrag van de investering is verkocht.

6.49

In de eerste alinea van artikel 13 lid 8 van de huwelijkse voorwaarden (zie overweging 5.1.1.) wordt gesproken van voor belegging bestemde vermogensbestanddelen 'die ten tijde van de verrekening per saldo niet minimaal de totaalkosten van de investering bedragen'. In de derde alinea van dat artikel - waarin de door de man bedoelde boeteclausule staat - wordt gesproken van vervreemding van 'deze vermogensbestanddelen'. Daarmee wordt naar 's hofs oordeel verwezen naar de in de eerste alinea bedoelde vermogensbestanddelen. Een redelijke uitleg is dan dat is bedoeld een boete te stellen op het vervreemden van voor belegging bestemde vermogensbestanddelen, wanneer bij die vervreemding niet minimaal de totaalkosten van de investering wordt verkregen. De man heeft niet voldoende aangevoerd om aan te nemen dat partijen van een andere bedoeling zijn uitgegaan. Nu niet is gesteld of gebleken dat de woning in Zwitserland minder dan de totale investering heeft opgebracht is de vrouw geen boete aan de man verschuldigd.

6.50

De grief IV van de man faalt.

6.51

De man stelt in grief VI dat de rechtbank de waarde van de woning in Zwitserland ten onrechte heeft bepaald op CHF 209.000,-.

Volgens de man is de rechtbank ten onrechte uitgegaan van de door de vrouw in juni 2007 verkregen verkoopprijs minus de verkoopkosten. Volgens de man was de waarde van de woning op de peildatum CHF 323.000,-. Verder bestrijdt de man dat met verkoopkosten rekening moet worden gehouden.

6.52

De grief treft in zoverre doel dat, zoals de man stelt, de waarde van de onderhavige woning in de verrekening moet worden betrokken tegen de waarde per de peildatum van

12 december 2006. Dat kan de man echter niet baten. Hij heeft de door hem genoemde verkoopwaarde van € 323.000,- ontleend aan vraagprijzen die betrekking hebben op andere woningen. Hij heeft echter, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet voldoende onderbouwd dat het daarbij om vergelijkbare woningen gaat. De man heeft voorts geen taxatierapport overgelegd van de waarde per 12 december 2006. Bij gebreke van andere concrete gegevens omtrent de waarde van de woning per de peildatum, komt het redelijk voor om uit te gaan van de bij verkoop verkregen verkoopsom minus de aan de verkoop verbonden kosten, mede nu die verkoop betrekkelijk kort na de peildatum heeft plaatsgevonden. De feitelijk gerealiseerde opbrengst geeft naar 's hof oordeel een reëel beeld van de waarde van de woning op de peildatum, mede nu de man niet, althans niet voldoende onderbouwd, heeft gesteld dat de door de vrouw opgevoerde kosten, geen kosten zijn die aan een verkoop van onroerend goed in Zwitserland verbonden plegen te zijn.

6.53

Grief VI van de man faalt

6.54

De vrouw stelt in grief II dat de rechtbank haar ten onrechte heeft veroordeeld om per saldo aan de man CHF 103.600,- (CHF 104.500,-, - CHF 900,-, zie overweging 6.47) te voldoen zonder daarbij een wisselkoers vast te stellen. Volgens de vrouw leidt zij nu een koersverlies. Zij betoogt dat moet worden uitgegaan van een koers van € 1,- = CHF 1,48, zodat zij in Euro's per saldo € 70.260,59 aan de man moet voldoen.

6.55

Het hof overweegt als volgt.

Bij een verrekening als de onderhavige dient te worden vastgesteld welke vermogensbestanddelen ieder van partijen op de peildatum heeft en welke geldswaarde deze vermogensbestanddelen op die peildatum vertegenwoordigen. Wanneer de ene echtgenoot vermogensbestanddelen heeft/behoudt die op de peildatum een hogere geldswaarde vertegenwoordigen dan de geldswaarde van de vermogensbestanddelen die de ander heeft/behoudt, dient het verschil in waarde bij helfte te worden verrekend. Daarbij past een verrekening waarbij de vaststelling van de waarden in dezelfde valuta plaatsvind.

Het merendeel van de vermogensbestanddelen van partijen is tegen euro's in de verrekening betrokken. Het komt het hof daarom dan redelijk voor om ook de waarde van de woning in Zwitserland in euro's in de verrekening te betrekken. Hetgeen de man daartegen aanvoert is niet voldoende om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

6.56

De man heeft tegen de door de vrouw genoemde koers geen bezwaar gemaakt. Op basis van die koers heeft de vrouw berekend dat zij, na verrekening van het bedrag van CHF 900,- dat de man aan haar verschuldigd is in verband met het saldo op een rekening in Zwitserland dat hij heeft behouden, een bedrag van € 70.260,59 aan de man verschuldigd is. Het hof zal haar daarin volgen.

6.57

Grief II van de vrouw slaagt.

De huurpenningen verkregen uit verhuur van het pand aan de [a-straat]

6.58

De rechtbank heeft, onbestreden in hoger beroep, voorop gesteld dat het pand vanaf de peildatum 12 december 2006 (en daarvoor) tot aan de levering op 7 december 2009 eigendom was van de vrouw en dat zij daarom ook aanspraak kan maken op eventuele huurinkomsten. De rechtbank heeft voorts, eveneens onbestreden in hoger beroep, bepaald dat het saldo dat op de derdenrekening van de voormalig advocaat van de man,

mr. Scherpenhuysen, staat aan de vrouw toekomt. Het gaat daarbij om een bedrag van

€ 35.958,80 aan ontvangen huurinkomsten minus een bedrag van € 10.061,81 aan betaalde kosten. Het hof zal daarom ook daarvan uitgaan.

6.59

De vrouw stelt in grief III dat de rechtbank met voornoemde beslissingen ten onrechte voorbij is gegaan aan haar stellingen dat veel meer huur ontvangen had moeten worden en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een duidelijk overzicht ontbreekt van de huurovereenkomsten per unit vanaf 12 december 2006 tot 7 december 2009.

De vrouw wenst dat de man de ontbrekende huurinkomsten aan haar zal vergoeden omdat zij door toedoen van hem te weinig huur heeft ontvangen.

6.60

De man bestrijdt het door de vrouw gestelde. Hij meent verder dat hetgeen de vrouw met haar grieven aan de orde stelt buiten het bestek van de onderhavige procedure valt.

6.61

De grieven van de vrouw betreffen inkomsten uit verhuur van een, toen nog, in eigendom aan haar toebehorend pand over de periode na de peildatum. Het gaat dan ook om om inkomsten die op de peildatum van 12 december 2006 niet aanwezig waren en dus niet op grond van de huwelijkse voorwaarden voor verrekening in aanmerking komen. Het hof is daarom van oordeel dat hetgeen de vrouw in haar grieven aan de orde stelt buiten het bestek van deze procedure valt en daarom buiten behandeling moet blijven.

6.62

Grief III van de vrouw faalt

De inhoud van de kluis

6.63

De vrouw stelt in grief IV onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij aan de man een bedrag van € 5.720,40 moet betalen in verband met de inhoud van de kluis die zich in de woning aan de [b-straat] bevond. De vrouw voert daartoe aan dat de man deze kluis in december 2006 heeft meegenomen en dat zij niet over de inhoud daarvan beschikt.

6.64

De man betoogt dat hij de kluis niet heeft kunnen leeghalen omdat de vrouw hem direct de toegang tot de woning heeft ontzegd en daarbij de sloten van de woning heeft vervangen.

6.65

Het hof overweegt als volgt.

Het betreft hier een vordering van de man, zodat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op hem de last rust om te bewijzen dat de vrouw de inhoud van de kluis onder zich heeft genomen. Het hof is van oordeel dat de man dat, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft aangetoond. De omstandigheden dat de vrouw hem op enig moment de toegang tot de woning heeft ontzegd en de sloten heeft vervangen, zijn niet voldoende om aan te ontlenen dat de vrouw de inhoud van de kluis tot zich heeft genomen. Dit geldt te meer nu de man bij de mondelinge behandeling van deze zaak heeft verklaard dat hij ook na de peildatum nog enige tijd in de woning heeft verbleven.

De vordering van de man dient dan ook te worden afgewezen.

6.66

Grief IV van de vrouw slaagt.

De inboedel

6.67

De vrouw stelt in grief V dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij in verband met de verdeling van inboedelgoederen een bedrag van € 2.500,- aan de man moet betalen.

De vrouw erkent dat zij de inboedel die nog in de woning aan de [b-straat] aanwezig was bij de verkoop van die woning heeft meeverkocht voor een bedrag van € 5.000,-. Volgens haar had de man echter voordien al tenminste de helft van de inboedel uit de woning gehaald. De vrouw is van mening dat een dubbeltelling zal plaatsvinden wanneer zij de helft van de verkoopopbrengst van haar aandeel in de boedel moet verrekenen met de man.

6.68

De man bestrijdt het door de vrouw gestelde.

6.69

Vaststaat dat de vrouw voor de inboedel in de woning aan de [b-straat] een bedrag van € 5.000,- heeft verkregen. Om welke inboedelgoederen het daarbij ging heeft zij niet gespecificeerd. Ter zake van de goederen die de man volgens haar heeft meegenomen heeft zij niet aangegeven of en zo ja welke verkoopwaarde deze goederen op de peildatum hadden. Het door de vrouw gestelde is daarom niet voldoende om aan te ontlenen dat, indien de man inboedelgoederen mocht hebben verkregen, die goederen een dusdanig waarde vertegenwoordigen dat verrekening bij helfte van de verkoopopbrengst van de verkochte inboedelgoederen achterwege behoort te blijven.

6.70

Grief V van de vrouw faalt.

Dwangsom

6.71

De vrouw stelt in grief VII dat de man niet heeft voldaan aan de door de rechtbank gegeven veroordeling om aan haar bankafschriften betreffende de rekeningen bij de [c-bank] bank en bij de [d-bank] te verstrekken en om aan haar de helft van de op die rekeningen aanwezige saldi te doen toekomen. De vrouw wenst dat aan die veroordeling een dwangsom zal worden verbonden.

6.72

De man heeft inmiddels de bedoelde bankafschriften aan de vrouw verstrekt, zodat daarvoor geen dwangsom meer nodig is. Verder heeft de vrouw niet voldoende aangedragen om te oordelen dat de man, nadat in de onderhavige procedures zal zijn beslist, niet zal voldoen aan de gegeven veroordeling om de helft van de op die rekeningen aanwezige saldi aan de vrouw te doen toekomen. Het hof ziet daarom geen aanleiding om aan genoemde veroordeling van de man een dwangsom te verbinden.

6.73

Grief VII van de vrouw faalt.

Belastingschulden

6.74

De vrouw stelt in grief VIII dat voor de verrekening van de belastingschulden ten onrechte is uitgegaan van schulden tot een bedrag van € 62.775,-.

6.75

De vrouw voert daartoe aan dat de rechtbank rekening had moeten houden met heffingsrente en extra kosten die na de peildatum van 12 december 2006 door de vrouw aan de fiscus verschuldigd zijn geworden. Het hof gaat daaraan voorbij omdat het in deze gaat om vorderingen van de belastingdienst die over de periode tot en met de peildatum verschuldigd zijn geworden. Na de peildatum opgekomen kosten, veroorzaakt door te late betaling van die vorderingen, dienen voor rekening van de aangeslagene te blijven, evenals nadien opgekomen heffingsrente.

6.76

De vrouw stelt verder dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met inkomstenbelasting (ad € 20.580,-) die de vrouw nog moet voldoen in verband met de in haar onderneming opgebouwde FOR .

Het hof zal geen rekening houden met de hiervoor bedoelde fiscale claim omdat de vrouw die claim niet met een aanslag heeft gestaafd en niet bekend is tegen welk tarief de hoogte van de verschuldigde belasting berekend behoort te worden. Daarbij komt dat de vrouw haar onderneming geruime tijd geleden heeft gestaakt en er redelijkerwijs een aanslag had behoren te zijn.

6.77

Grief VIII van de vrouw faalt.

6.78

Grief IX van de vrouw heeft geen zelfstandige betekenis en wordt, bij gebrek aan belang, door het hof buiten behandeling gelaten.

Opheffing beslagen (grief X)

7. De vrouw heeft in hoger beroep verzocht om de man te veroordelen om na afgifte van de in deze procedure te geven beschikking over te gaan tot opheffing van de door hem gelegde beslagen op vermogensbestanddelen van de vrouw, zulks op straffe van een dwangsom.

7.1

De vrouw heeft echter geen gronden aangevoerd waaruit blijkt dat de door de man gelegde beslagen niet in stand behoren te worden gelaten. Reeds hierom is de vordering van de vrouw niet toewijsbaar.

7.2

Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

Recapitulatie

7.3

Het hof zal de in de beschikking van de rechtbank onder 19. weergegeven recapitulatie opnieuw opstellen met in achtneming van het vorenoverwogene. Die opstelling komt dan te luiden:

De vrouw moet aan de man betalen:

- onderneming vrouw 99.000,00

- aanvulling op waarde [c-straat] 7.500,00

- [a-straat] 43.000,00

- [b-straat] 13.427,50

- inboedel 2.500,00

- polissen 13.022,91

- bankrekeningen 719,22

sub totaal 179.169,63

- voor de woning in Zwitserland, na verrekening van

hetgeen de man aan de vrouw verschuldigd is terzake

van het saldo van de op naam van beide partijen

gestelde rekening bij [K] van CHF 900,- , 70.260,59

totaal € 249.430,22.

De man dient aan de vrouw te betalen:

- onderneming man 108.000,00

- de geldopname van € 232.400,- 116.200,00

- kosten [c-straat] 7.532,92

- huur [a-straat] 25.896,99

- polissen 5.724,92

- bankrekeningen in euro’s 1.698,21

- belastingschulden 31.387,50

- [K] bankrekening is hierboven verrekend 0,-

totaal € 296.440,54

De man zal per saldo aan de vrouw een bedrag van (€ 296.440,54 - € 249.430,22 =)

€ 47.010,32 moeten betalen. De man heeft niet bestreden de vordering van de vrouw om voornoemd bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 april 2013. Het hof zal de man tot betaling daarvan veroordelen.

8 De slotsom

In de beide zaken

8.1

Het hof zal de beslissingen in het dictum van de beschikking van 26 april 2013 onder 1. en 2. vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoen als na te melden. De beschikking zal voor het overige worden bekrachtigd.

8.2

Nu partijen gewezen echtelieden zijn en dit geschil de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijkse relatie betreft zal het hof de kosten van het geding in beide instanties compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

9 De beslissing

In beide zaken

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 26 april 2013, voor zover het de in het dictum onder 1. en 2. gegeven beslissingen betreft

en in zoverre opnieuw rechtdoende

veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoende een bedrag van € 47.010,32, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 april 2013 tot aan de dag van voldoening;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van

26 april 2013 voor het overige;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W. Breemhaar, A.W. Beversluis en G.K. Schipmölder en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2014.