Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10005

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
200.145.655-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming erkenning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.145.655/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18 / 139464 / FA RK 13-455)

beschikking van de familiekamer van 18 december 2014

inzake

[verzoekster],

wonende te [A],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. Atema, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[verweerder],

wonende te [B],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F. Gosselaar, kantoorhoudend te Winschoten.

Als belanghebbende is verder aangemerkt:



mr. J. Dijkman in haar hoedanigheid van bijzondere curator,

kantoorhoudende te Paterswolde,
verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 januari 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, waarvan de inhoud partijen bekend is.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 april 2014, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 21 januari 2014.

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de aan de man verleende vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige

[de minderjarige1], geboren [in] 2011 in de gemeente [C] (verder te noemen: [de minderjarige1]).

2.2

De man heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3

De bijzondere curator heeft op 19 juni 2014 een verweerschrift ingediend en daarin geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van de moeder in hoger beroep met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.4

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder:
- een journaalbericht van mr. Atema van 7 mei 2014 met bijlagen, ingekomen op

8 mei 2014;
- een brief van mr. Atema van 13 mei 2014 met bijlagen;
- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) van

2 juni 2014, ingekomen op 3 juni 2014;
- een journaalbericht van de bijzondere curator van 1 juli 2014 met bijlage, ingekomen

op 2 juli 2014;
- een journaalbericht van mr. Atema van 19 augustus 2014 met bijlagen, ingekomen

op 20 augustus 2014;

- een brief van mr. Gosselaar van 13 november 2014 waarin hij aangeeft dat hij de man ter zitting van het hof als raadsman zal begeleiden.

2.5

De mondelinge behandeling stond gepland op 1 september 2014. Ter zitting is de behandeling van de zaak toen aangehouden omdat de man verhinderd was wegens ziekte.

2.6

De mondelinge behandeling is op 17 november 2014 voortgezet. Verschenen zijn partijen met hun advocaten, de bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) in het kader van zijn adviserende taak, vertegenwoordigd door mevrouw [D].

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie tussen partijen is [de minderjarige1] geboren. [de minderjarige1] verblijft bij de moeder, die alleen het gezag heeft over hem.

3.2

De man heeft op 26 februari 2013 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank waarin onder meer is verzocht om hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [de minderjarige1].

3.3

Bij beschikking van 26 februari 2013 heeft de rechtbank mr. J. Dijkman als bijzondere curator van [de minderjarige1] benoemd.

3.4

Na de behandeling ter terechtzitting op 7 mei 2013 - waar de moeder verweer heeft gevoerd - heeft de rechtbank bij tussenbeschikking van 4 juni 2013 een raadsonderzoek gelast.

3.5

De raad heeft op 9 september 2013 rapport uitgebracht, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 24 september 2013, en daarin onder meer, voor zover hier van belang, geadviseerd om het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige1], toe te wijzen.

3.6

Na verdere behandeling ter zitting op 26 november 2013, heeft de rechtbank in de bestreden beschikking, overeenkomstig het advies van de raad, de man vervangende toestemming verleend om [de minderjarige1] te erkennen, waarbij het verzoek om die beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is afgewezen.

4 De standpunten van partijen

4.1

De moeder stelt dat de verhouding tussen haar en de man zeer verstoord is, dat zij geen enkel vertrouwen in hem heeft en bang voor hem is. Door de erkenning zal de moeder, zo stelt zij, geconfronteerd worden met de man en dat zal gevolgen hebben voor haar gezondheid, hetgeen zijn weerslag zal hebben op [de minderjarige1]. De rechtbank heeft volgens de moeder onvoldoende rekening gehouden met haar belangen.

4.2

De man stelt dat het in het belang van [de minderjarige1] is dat wordt vastgesteld dat de man zijn vader is. De erkenning heeft volgens de man niets te maken met contacten tussen hem en de moeder en of de moeder al dan niet in hem vertrouwen heeft.

4.3

De bijzondere curator is van mening dat door de rechtbank een zorgvuldige afweging is gemaakt en zij kan zich met de uitkomst daarvan verenigen. De door de moeder aangevoerde argumenten, waaronder haar angst voor de man, zijn volgens de bijzondere curator meegewogen door de rechtbank en in het advies van de raad, maar terecht niet doorslaggevend geacht. De bijzondere curator is van mening dat vooralsnog voldoende vast is komen te staan dat de erkenning de belangen van de moeder en [de minderjarige1] bij een ongestoorde verhouding met elkaar niet in de weg zal staan.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:204 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter vervangende toestemming tot erkenning verlenen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de kinderen of de belangen van de kinderen niet zal schaden, en de man de verwekker is van de kinderen.

5.2

In de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming komt het daarbij aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de erkenner bij totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van het kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind geschaad zouden worden als de toestemming zou worden verleend. Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake, indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s zijn dat het kind wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling.

5.3

Niet in geschil is dat de man de verwekker is van [de minderjarige1]. Hij wil [de minderjarige1] graag erkennen opdat vast wordt gelegd dat hij de vader van [de minderjarige1] is. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de man en [de minderjarige1] er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Een zekere emotionele weerstand bij de moeder is onvoldoende om de hier bedoelde vervangende toestemming te weigeren. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken, indien duidelijk wordt dat de weerstand van de moeder negatieve gevolgen voor de positie van [de minderjarige1] met zich brengt.

5.4

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat erkenning van [de minderjarige1] door de man de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige1] en/of de belangen van [de minderjarige1] zal schaden. Dat bij de moeder angst bestaat voor de man maakt dat niet anders. De erkenning als zodanig leidt niet tot contacten tussen de moeder en de man of tussen [de minderjarige1] en de man. De moeder blijkt goed in staat om haar angsten van de vader niet over te brengen op [de minderjarige1]. Zij maakt een adequate en veerkrachtige indruk en er zijn geen aanwijzingen dat zij ten gevolge van erkenning haar taken ten opzichte van [de minderjarige1] niet kan vervullen of dat dit haar band met [de minderjarige1] schaadt. Over de door de man verzochte omgangsregeling dient in dit verband nog te worden beslist door de rechtbank, waarbij inmiddels al een tweetal proefcontacten hebben plaatsgevonden. Ondanks haar angst voor de man heeft de moeder haar medewerking aan deze proefcontacten verleend.

5.5

Het hof is dan ook met de raad en de bijzondere curator van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige1] is dat zijn juridische status in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie en dat het verzoek van de vader hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning door hem van [de minderjarige1] dient te worden toegewezen.

5.6

Hierbij overweegt het hof dat hij de angsten van de moeder voor de vader aannemelijk acht. De moeder heeft zich hiervoor ook onder behandeling gesteld. Het hof geeft de man mee dat hij deze angsten, ook in het kader van een eventuele toekomstige omgangsregeling, serieus moet nemen en moet proberen de angsten van de moeder weg te nemen voor zover hij daartoe in staat is. Door de angsten te ontkennen of te bagatelliseren, zoals hij nu doet, zal hij de weerstand van de moeder tegen omgang van de man met [de minderjarige1] voeden hetgeen zowel [de minderjarige1] als de moeder en de man niet ten goede zal komen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 21 januari 2014.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. G.M. van der Meer en mr. D.J. Buijs, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 december 2014, in bijzijn van de griffier.