Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:10004

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
200.150.671-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.150.671/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/130384/ FA RK 13-1869)

beschikking van de familiekamer van 18 december 2014

inzake

[verzoeker],

wonende te [A],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de moeder],

wonend op een geheim adres,

hierna te noemen: de moeder,

2. Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudend te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ.

3. [de pleegouders]

wonende te [B],

hierna te noemen: de (eerdere) pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 maart 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 juni 2014, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, kosten rechtens.

2.2

De raad heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

2.3

Ter griffie van het hof is op 11 november 2014 een brief van 11 november 2014 van BJZ met bijlagen binnengekomen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 21 november 2014 plaatsgevonden. De zaken met zaaknummers 200.150.668 en 200.150.671 zijn daarbij gelijktijdig behandeld. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en namens de raad de heer [C]. Namens BJZ zijn verschenen mevrouw mr. [D] en de heer [E]. Voorts is de pleegmoeder van de minderjarige verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

[de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1]), geboren [in] 2005 te [A], staat sinds 8 november 2006 onder toezicht en is uit huis geplaatst op 15 juli 2009. Het broertje van [de minderjarige1], [de minderjarige2], is in december 2009 uit huis geplaatst.

3.2

[de minderjarige1] heeft van mei 2012 tot 13 oktober 2014 in een netwerkpleeggezin, te weten de familie [de pleegouders], gewoond. Thans woont [de minderjarige1] op zorgboerderij [F] te [G].

3.3

In zijn inleidend verzoekschrift heeft de raad verzocht de ouders te ontheffen van het gezag over [de minderjarige1]. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ouders ontheven van het gezag over [de minderjarige1] en BJZ tot voogd benoemd.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.2

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel -door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

4.3

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan.

4.4

De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat hij onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] te vervullen. Hij is van mening dat [de minderjarige1] (gefaseerd) bij hem teruggeplaatst kan worden, mede gelet op de resultaten van het civielrechtelijk onderzoek van 10 juli 2012.

4.5

De raad heeft ter zitting aangevoerd dat, alhoewel de situatie ten aanzien van [de minderjarige1] anders is dan die van [de minderjarige2] en gebleken is dat [de minderjarige1] thans niet meer in het netwerkpleeggezin woont, de door de rechtbank uitgesproken ontheffing van het gezag in het belang van beide minderjarigen moet worden geacht. Volgens de raad is er sprake van chronische instabiliteit van de ouders en is het de vader, ondanks zijn goede intenties, ook niet gegeven om daadwerkelijk en structureel zorg te dragen voor het opvoeden en verzorgen van de minderjarigen.

4.6

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting acht het hof voldoende aannemelijk dat de vader ongeschikt en onmachtig is als opvoeder. Rondom de opvoedingsomgeving van [de minderjarige1] zijn jarenlang, vanaf kort na haar geboorte veel zorgen geweest. Bij beide ouders is sprake van een belast verleden en psychische problematiek, gepaard gaande met agressie, impulsiviteit en instabiliteit. Ondanks jarenlange intensieve hulpverlening (zoals [H], [I] en [J]) bleken de ouders niet in staat om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een duidelijke en gestructureerde omgeving te bieden. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn daarom in 2009 uit huis geplaatst. Er is in de afgelopen jaren meerdere malen gewerkt aan terugplaatsing, maar het is de ouders niet gelukt om zich aan de met de hulpverlening gemaakte afspraken te houden. Zo is op basis van een NIFP-onderzoek naar beide ouders (in juni 2010) geadviseerd om [de minderjarige1] te plaatsen bij vader (en op termijn ook [de minderjarige2]). Na een korte thuisplaatsing bij vader, is [de minderjarige1] wederom in een pleeggezin geplaatst omdat bij vader opnieuw sprake was van instabiliteit in de leefsituatie, onder meer vanwege verondersteld middelengebruik. Ter zitting heeft de gezinsvoogd nog toegelicht dat de plaatsing van [de minderjarige1] bij [K] geen ''proefplaatsing'' betrof om te bezien of [de minderjarige1] weer bij vader kon gaan wonen. Op dat moment was vader al niet meer in beeld als mogelijke opvoeder van [de minderjarige1]. Vader is daarvoor op lange termijn te weinig betrouwbaar, terwijl [de minderjarige1], vanwege haar bijzondere kwetsbaarheid, juist duidelijkheid en structuur nodig heeft.

4.7

[de minderjarige1] heeft van mei 2012 tot 13 oktober 2014 in het netwerkpleeggezin gewoond. Zij heeft daar, met tevens de hulp van instanties, een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Ter zitting heeft de pleegmoeder van [de minderjarige1] aangegeven dat zij uiteindelijk welbewust de keuze hebben gemaakt om de zorg voor [de minderjarige1] over te dragen. Zij heeft toegelicht dat de zorg voor [de minderjarige1] een te grote druk op het gezin legde, met name vanwege de ernstige problematiek van [de minderjarige1]. Deze problematiek komt voort uit de bij haar gediagnosticeerde reactieve hechtingsstoornis, welke in haar jonge jaren is ontstaan. Zij heeft hierdoor een erg sterke behoefte aan positieve aandacht en/of bevestiging en zoekt overal extreem de grenzen op, wat veel van haar omgeving vergt. Schrijnend is dat [de minderjarige1] in haar leven gewend is geraakt aan afwijzing en deze dus ook telkens opzoekt, omdat het haar een gevoel van veiligheid lijkt te geven. Daarnaast worstelt [de minderjarige1] met loyaliteitsgevoelens jegens haar vader. Vader heeft moeite om te accepteren dat zij niet bij hem woont en 'trekt' daarom aan haar. Het hof is er, mede gelet op de toelichting ter zitting, van overtuigd dat binnen het netwerkpleeggezin zeer weloverwogen en zorgvuldig is gezocht naar de best passende vervolgplek voor [de minderjarige1]. Gebleken is dat [de minderjarige1] zich, na een periode van wennen, relatief makkelijk heeft aangepast in weer een nieuwe omgeving, hetgeen -hoe triest ook- kenmerkend kan zijn voor kinderen met een reactieve hechtingsstoornis. [de minderjarige1] lijkt het, samen met de andere kinderen, naar haar zin te hebben bij zorgboerderij [F] en heeft er veel plezier in om de daar aanwezige dieren te verzorgen. Daarnaast bestaat voor haar ook de ruimte om eigen dingen te doen. Eens per maand logeert ze bij haar eerdere pleegouders, waar zij haar eigen kamer houdt. Het hof acht het van groot belang dat de positieve ontwikkelingen van [de minderjarige1], die in de afgelopen jaren zijn ingezet, worden voortgezet en acht het derhalve in haar belang om op een plek te verblijven waar haar veel duidelijkheid en structuur wordt geboden.

4.8

Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat het recht van [de minderjarige1] op duidelijkheid over haar toekomstperspectief, dat niet bij haar vader ligt, zwaarder dient te wegen dan het belang van de vader bij behoud van het gezag. Ouders zijn, gezien de gebeurtenissen in het verleden en de inzet van vele hulpverleningstrajecten, niet in staat gebleken om [de minderjarige1] een duidelijke en gestructureerde omgeving te bieden. Ook onder de huidige omstandigheden zijn afspraken door de vader herhaaldelijk niet nagekomen, zoals bijvoorbeeld bij omgangsmomenten. De spanning en onrust die de verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing telkens met zich brengen, acht het hof niet in het belang van [de minderjarige1]. Vast staat dat de ouders heel veel geven om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en dat het zeer te waarderen is dat de vader [de minderjarige1] altijd wil helpen, maar dat de gezinsgeschiedenis niet terug te draaien is. Vooruitkijkend dient de ontwikkeling en het perspectief van de minderjarigen voorrang te krijgen en veilig gesteld te worden.

4.9

Het hof is - evenals de rechtbank - van oordeel dat de voogdij over [de minderjarige1] dient te worden opgedragen aan BJZ, die als neutrale partij haar belang in het vizier kan houden en kan behartigen. Het hof hecht er voorts nog aan op te merken dat de vader altijd de (biologische) vader zal blijven en dat deze beschikking dat niet anders maakt. Het belang van [de minderjarige1] verlangt echter dat thans de gezagssituatie in overeenstemming wordt gebracht met haar feitelijke verblijfssituatie.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de beschikking, voor zover bestreden, bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 12 maart 2014, locatie Leeuwarden, voor zover door de vader bestreden.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Foppen, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. H. Lenters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 december 2014 in bijzijn van de griffier.