Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA3063

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
21-004972-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:BY4036, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vrijspraak meineed oud-rechter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004972-12

Uitspraak d.d.: 13 juni 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 november 2012 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld voor wat betreft de vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 mei 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.A. Franken, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Omdat de rechtbank juiste beslissingen heeft genomen, zal het hof – met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, nu de benadeelde partijen zich niet in hoger beroep hebben gevoegd, en voorts voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - het bestreden vonnis bevestigen. De aan die beslissingen ten grondslag gelegde motivering is evenwel niet in al haar onderdelen juist. Daarom zal het hof de motivering van de rechtbank terzijde stellen. In plaats daarvan overweegt het hof als volgt.

Motivering van de vrijspraken

Het hof verwijst voor een beschrijving van de achtergrond van deze zaak alsmede voor een weergave van ter zake doende feiten en omstandigheden naar het vonnis van de rechtbank. Na vonniswijzing door de rechtbank is – voor zover voor de beoordeling van de bewijsvraag van belang - aan het dossier toegevoegd een proces-verbaal van verhoor van de raadsheer-commissaris van 23 mei 2013 inhoudende de verklaring van [getuige 1].

In de procedure in hoger beroep heeft het hof te oordelen over kort gezegd de volgende tenlastegelegde feiten.

1. Meineed voor wat betreft de volgende uitspraak (op 8 oktober 2004 afgelegd en op 12 mei 2006 onder ede bevestigd):

‘Ik betwist met klem dat ik met mr. [naam 1] of met andere advocaten in de Chipshol-zaak heb getelefoneerd voorafgaande aan het pleidooi. Hetgeen mr. [naam 1] zojuist heeft verklaard, is pertinent onjuist. Het is juist dat mr. [naam 1] heeft gesproken met mevrouw [naam 2] over het pleidooi in de Chipshol-zaak, maar ik heb hem nooit teruggebeld.’

2. Meineed voor wat betreft de volgende uitspraak (onder ede gedaan op 4 november 2010 nadat [verdachte] was gevraagd naar zijn privécontacten met [medeverdachte])

‘Over mijn relatie tot hem kan ik verder zeggen dat het een goede vriendelijke collega is. Sinds ik hem ken ben ik één keer op zijn verjaardag geweest. Verder komen we niet bij elkaar over de vloer.’

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van meineed dient eerst te worden vastgesteld wat de feitelijke toedracht is waarover men in de verondersteld meinedige verklaring heeft verklaard. Alleen dan kan namelijk worden gezegd dat een andersluidende verklaring in strijd met de waarheid is afgelegd. Daar waar in het civiele recht een bepaalde toedracht onder meer als vaststaand kan worden aangenomen indien daarvoor wettig bewijs is en tegenbewijs ontbreekt, dient in het strafrecht een bepaalde toedracht niet alleen wettig maar ook overtuigend te worden bewezen. Anders gezegd: om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dient het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen ook de overtuiging te hebben dat een bepaalde toedracht zich buiten redelijke twijfel heeft voorgedaan. Dat kan tot gevolg hebben dat de civiele rechter over een feitencomplex anders oordeelt dan de strafrechter.

Concreet betekent dat in onderhavige zaak:

a. dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit eerst buiten redelijke twijfel als vaststaand moet kunnen worden aangenomen dat [verdachte] met [naam 1] of andere advocaten heeft gebeld en

b. dat ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit eerst buiten redelijke twijfel als vaststaand moet kunnen worden aangenomen dat [verdachte] meer dan één of twee keer privé bij [medeverdachte] over de vloer is gekomen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Ad a.

Dat [verdachte] met [naam 1] heeft gebeld zou kunnen volgen uit de verklaring van [naam 1], uit de verklaring van [naam 1]s toenmalige secretaresse [getuige 4] en uit de brief die [naam 1] daags na het beweerde telefoongesprek aan de toenmalige president van de Haagse rechtbank schreef. Tegenover deze bewijsmiddelen staan de ontkenning van [verdachte] dat een telefoongesprek heeft plaatsgevonden, de verklaringen dat het geen praktijk was dat rechters met advocaten belden en de omstandigheid dat de verklaring van [naam 1] op cruciale punten wordt weersproken door verklaringen van andere getuigen. Zo biedt het dossier voor telefonische contacten met andere advocaten geen enkel aanknopingspunt. Daarbij komt het volgende. Wanneer [naam 1] zou moeten worden gevolgd in zijn stelling dat [verdachte] tijdens het telefonisch onderhoud gezegd zou hebben dat zijn zaak geen kans maakte, ziet het hof niet in waarom [naam 1] daarvan in zijn brief geen melding heeft gemaakt en evenmin waarom [naam 1] in dat geval geen verzoek tot wraking heeft ingediend. Bovendien heeft [naam 1] pas later deze inhoud aan het telefoongesprek gegeven, terwijl hij aanvankelijk een veel beperktere inhoud aan het telefoongesprek gaf. Daarnaast stelt het hof vast dat [getuige 4] en [naam 1] verschillend hebben verklaard over de wijze waarop het telefoongesprek heeft plaatsgevonden. Ten slotte valt niet uit te sluiten dat het telefoongesprek functioneel aan [verdachte] is toegeschreven, terwijl slechts sprake is geweest van een telefoongesprek tussen [naam 1] en een medewerker van [verdachte] die namens deze laatste mededelingen in de richting van [naam 1] heeft gedaan.

Vooropstaat dat er onvoldoende wettig bewijs bestaat voor de stelling dat [verdachte] met andere advocaten dan [naam 1] heeft gebeld. Anders dan de rechtbank, maar met de advocaat-generaal, is het hof daarentegen van oordeel dat voor de lezing dat [verdachte] met [naam 1] heeft gebeld voldoende wettige bewijsmiddelen aanwezig zijn. Het hof acht echter, gelet op het vorenstaande, onvoldoende aanknopingspunten voorhanden en teveel contra-indicaties aanwezig om die lezing meer waarschijnlijk te achten dan die van [verdachte], laat staan om te concluderen dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [verdachte] met [naam 1] heeft getelefoneerd.

Nu de feitelijke toedracht reeds niet kan worden vastgesteld, kan niet tot het oordeel worden gekomen dat [verdachte] daarover in strijd met de waarheid heeft verklaard, laat staan dat hij dat opzettelijk heeft gedaan. Daarom spreekt het hof [verdachte], evenals de rechtbank, vrij van het in zijn zaak onder 1 tenlastegelegde feit.

Ad b.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit zijn voldoende wettige bewijsmiddelen voorhanden op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat [verdachte] meer dan één of twee keer bij [medeverdachte] privé over de vloer is gekomen. Naast de verklaring van [getuige 2] (de voormalige echtgenote van [medeverdachte]) zijn dat de verklaring van

[getuige 3] (de echtgenote van een voormalige collega van [verdachte] en [medeverdachte]) en enkele telefoontaps die steun zouden kunnen bieden aan de verklaring van [getuige 2].

Tegenover deze bewijsmiddelen staan echter de ontkennende verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] en de verklaring van [getuige 1] (de dochter van [getuige 2] en stiefdochter van [medeverdachte]) die een bevestiging inhoudt van die beide ontkennende verklaringen. Daarbij komt dat [getuige 2] zich in haar verklaringen niet consequent zeker heeft getoond over het aantal malen dat [medeverdachte] bij [verdachte] over de vloer zou zijn gekomen, terwijl zij in haar verklaringen ook geen onderscheid maakt tussen collegiale contacten van [medeverdachte] met meer collega’s en privé-contacten waarbij uitsluitend [verdachte] aanwezig was. Het hof betrekt hierbij ook nog dat [medeverdachte] en [verdachte] niet gezamenlijk zitting hadden in de Haarlemse rechtbank, zodat de verklaring van [getuige 2] dat [verdachte] na laat geworden zittingen met [medeverdachte] meekwam ook niet zonder meer voor de hand ligt. Daarnaast stelt het hof vast dat [getuige 3] niet uit eigen waarneming verklaart over het aantal malen dat [verdachte] bij [medeverdachte] over de vloer zou zijn gekomen, maar slechts over sociale contacten tussen beiden in (breder) rechtbankverband. Ten slotte volgt uit het dossier dat [medeverdachte] en [verdachte] destijds werkzaam waren bij een rechtbank waarin alle leden elkaar kenden, de onderlinge verhoudingen niet alleen collegiaal, maar ook in meer of mindere mate vriendschappelijk waren en men in wisselende samenstellingen van rechters en hun partners sociale activiteiten ontplooide. Uit de verklaringen van als getuige gehoorde rechters die daar destijds werkzaam waren volgt echter niet eenduidig dat [medeverdachte] en [verdachte] daar gezamenlijk aan meededen, laat staan dat zij privé vaker bij elkaar over de vloer kwamen dan de keren waarover zij hebben verklaard.

Het hof kan ook ten aanzien van dit tenlastegelegde feit slechts vaststellen dat onvoldoende helderheid bestaat over de feitelijke toedracht en meer in het bijzonder over de frequentie waarin [verdachte] bij [medeverdachte] over de vloer kwam. Het dossier biedt grond voor een alternatieve duiding van de toedracht en die duiding kan zeker niet als minder waarschijnlijk worden aangemerkt dan het door het openbaar ministerie geschetste scenario.

Nu de feitelijke toedracht niet kan worden vastgesteld, kan ook ter zake dit feit niet tot het oordeel gekomen worden dat [verdachte] daarover in strijd met de waarheid heeft verklaard, laat staan dat hij dat opzettelijk heeft gedaan. Daarom spreekt het hof [verdachte], evenals de rechtbank, ook van dit feit vrij.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep – met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en voorts voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr H. Abbink en mr R.H. Koning, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr R. Robroek, griffier,

en op 13 juni 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.