Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA3035

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
BK 12/00022 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is enkel in geschil de vraag of de Inspecteur voor de jaren 2004 en 2005 bij het opleggen van de aanslagen terecht is afgeweken van de aangifte door het pand niet te accepteren als eigen woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1382
FutD 2013-1562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummers 12/00022 en 12/00023

uitspraakdatum: 11 juni 2013

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 december 2011, nummers AWB 09/742 en 11/8, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.093 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.286. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 286.

1.2 Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.487 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.212. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 328.

1.3 Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslagen en, naar het Hof begrijpt, de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.4 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 23 december 2011 ongegrond verklaard en tevens het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over schadevergoeding.

1.5 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.

1.6 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2013 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende bijgestaan door haar gemachtigde A. Namens de Inspecteur zijn verschenen B en C.

1.8 Partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.

1.9 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is geboren op 10 februari 1944 en is klinisch psychologe en psychotherapeute. Sinds 1987 geniet zij een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met een visuele handicap. Belanghebbende is ongehuwd. Zij heeft, tezamen met D in 1984 een zoon gekregen.

2.2 Tot 1999 was belanghebbende eigenaresse van het pand aan de a-straat 15 te Z. Zij heeft dit pand in 1999 in eigendom overgedragen aan D. Nadat aanvankelijk D interesse heeft getoond in het pand aan de b-straat 30 te Z (hierna: het pand), heeft belanghebbende in 1999 dit pand in eigendom verkregen. Zij heeft dit pand in haar aangiften inkomstenbelasting 2004 en 2005 vermeld als eigen woning. Het buurpand, b-straat 28, alsmede enige nabij aan de achterzijde aangrenzende panden zijn in eigendom bij D.

2.3 Na een bij D uitgevoerd boekenonderzoek heeft de Inspecteur zich bij de behandeling van de aangiften IB 2004 en 2005 van belanghebbende op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet in het pand woont. Op basis hiervan heeft de Inspecteur de volgende correcties toegepast:

Box 1 2004 2005

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 30.576 € 30.784

Geen saldo eigen woning -/- € 806 € 1.014

€ 29.770 € 29.770

Minder persoonsgebonden aftrek -/- € 3.677 € 3.283

Vastgesteld inkomen uit werk en woning € 26.093 € 26.487

Box 3

Aangegeven belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 0 € 657

Correctie banktegoeden € 17.820 € 5.063

Correctie pand b-straat 30 € 203.593 € 253.793

Correctie schuld pand b-straat 30 (-/- drempel) € 19.989 € 19.989

Heffingvrij vermogen € 19.252

Grondslag sparen en beleggen € 182.172 € 238.867

Correctie voordeel uit sparen en beleggen (4%) € 7.286 € 9.555

Vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 7.286 € 10.212

2.4 Tot de stukken van het geding behoort een proces verbaal van ambtshandeling van verbalisant E, van 12 december 2008, waarin aangaande de adressen b-straat 24, 28 en 30 het volgende is verklaard:

“(…) Ik, verbalisant, ben onder meer betrokken geweest bij de doorzoeking van het pand b-straat 28 te Z. Tijdens de doorzoeking heb ik kort en zakelijk weergegeven met betrekking tot de algemene indruk omtrent het gebruik van het pand, onder meer het volgende gezien:

De benedenverdieping en het souterrain van het pand b-straat 28 te Z is door de heer D als praktijkruimte en administratieruimte in gebruik. De bovenverdieping leek als woonruimte in gebruik. In één ruimte van de bovenverdieping stond een (boeken)kast waarin persoonlijke zaken zoals fotoboeken, opgeborgen waren. In deze ruimte stond verder een rond (salon)tafeltje, bank en stoelen; In een andere ruimte op de bovenverdieping stond een opgemaakt bed met daarop een roze doorgestikte sprei; in de ruimtes op de bovenverdieping waren televisies en geluidsapparatuur aanwezig. In een ruimte op de bovenverdieping was een collectie miniatuurauto’s uitgestald en een kast met daarin een grote hoeveelheid bordspelen. De bordspelen leken veelvuldig gebruikt. In één van de ruimtes op de bovenverdieping was een keukenblok geplaatst en in dezelfde ruimte een bad. Op het keukenblok stonden onder andere een pan met daarin een restje soep en vuile borden. (…)”

2.5 Tot de stukken van het geding behoort een overzicht van het energie- en waterverbruik van het pand alsmede van het pand b-straat 28 te Z.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is enkel in geschil de vraag of de Inspecteur voor de jaren 2004 en 2005 bij het opleggen van de aanslagen terecht is afgeweken van de aangifte door het pand niet te accepteren als eigen woning.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt gemotiveerd dat het pand haar eigen woning is. Daarbij doet belanghebbende ook een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en stelt dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag en in de daaropvolgende procedure in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Belanghebbende heeft verzocht om een onderzoek ter plaatse door het Hof.

3.3 De Inspecteur beantwoordt de onder 3.1 bedoelde vraag bevestigend. De Inspecteur accepteert het pand niet als eigen woning van belanghebbende en wijst in dit kader op het onder 2.3. genoemde boekenonderzoek, het proces-verbaal genoemd in 2.4 en op het extreem laag verbruik van de nutsvoorzieningen. Voorts stelt de Inspecteur gemotiveerd dat de persoonlijke situatie van belanghebbende wonen in het pand in de weg staat.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur en tot vaststelling van de aanslagen IB/PVV 2004 en 2005 conform de aangiften.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 In artikel 3.111, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2004 en 2005, hierna Wet IB 2001) is de definitie van het begrip 'eigen woning' opgenomen:

“In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder eigen woning: een gebouw, (…), voorzover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan

tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van:

a. eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering hen grotendeels aangaat;

b. een recht van vruchtgebruik, een recht van bewoning of een recht van gebruik dat de belastingplichtige krachtens erfrecht heeft verkregen, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige de voordelen geniet en de kosten en lasten op hem drukken.”

4.2 De definitie van de eigen woning in artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001 is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1998-1999, 26 727, nr. 3, artikel 3.6.2) als volgt toegelicht:

“Een eigen woning moet de belastingplichtige of personen die tot zijn huishouden behoren ‘anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staan’. Met dit begrip wordt gedoeld op een voor duurzaam eigen gebruik bestemde woning welke overeenkomstig deze bestemming de belastingplichtige ter beschikking staat en niet in vrij opleverbare staat is te verkopen dan nadat de belastingplichtige op een andere wijze in zijn woonbehoefte heeft voorzien. Per belastingplichtige kan slechts één woning voor hem als centrale levensplaats dienen. Een belastingplichtige die bijvoorbeeld in het kader van zijn werk een pied à terre aanhoudt in zijn directe werkomgeving, heeft voor de toepassing van deze regeling maar één eigen woning”.

4.3 Uit deze bepaling volgt dat vereist is voor toepassing van artikel 3.111 Wet IB 2001, zoals door belanghebbende voorgestaan, dat het pand belanghebbende in onderhavige jaren anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Voorts brengt deze bepaling mee dat belanghebbende in onderhavige jaren niet tevens over een andere woning beschikt, die voor haar als centrale levensplaats dient.

4.4 Tussen partijen in niet in geschil dat belanghebbende de eigenaresse is van het pand, dat het pand ongesplitst is en dat het gehele pand aan belanghebbende anders dan tijdelijk ter beschikking staat. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende niet gehuwd noch geregistreerd partner is. Evenmin is in geschil dat in het pand geen gezinsleden van belanghebbende wonen. Voorts staat tussen partijen vast dat het pand niet verhuurd wordt noch anderszins (tijdelijk) aan derden ter beschikking wordt gesteld.

4.5 Naar het oordeel van het Hof kan hetgeen de Inspecteur heeft gesteld rondom het extreem lage verbruik van gas, water en elektra, wat daar overigens van zij, enkel relevant zijn voor een oordeel omtrent de (duur van de) aanwezigheid van belanghebbende in het pand. Belanghebbende ontkent niet in de onderhavige jaren veel afwezig te zijn geweest en stelt dat haar levensstijl een laag verbruik van gas, water en licht met zich brengt. Anders dan de Inspecteur kennelijk meent kan een (extreem) laag verbruik van gas, water en licht niet zonder meer tot het oordeel leiden dat het pand niet de eigen woning van belanghebbende is als bedoeld in 3.111 Wet IB 2001. Hiertoe is, naar het oordeel van het Hof, eveneens vereist dat de Inspecteur, bij betwisting daarvan door belanghebbende, aannemelijk maakt dat belanghebbende feitelijk elders haar hoofdverblijf houdt.

4.6 In het licht van het onder 4.3 gestelde heeft de Inspecteur in de stukken en desgevraagd ter zitting gesteld dat belanghebbende in het pand van D aan de b-straat 28 woont en heeft daartoe aangedragen dat het pand aan de b-straat 28 hoge verbruikscijfers van gas, water en licht heeft. Voorts heeft de Inspecteur gesteld dat het - gezien de relatie van belanghebbende met D - voor de hand ligt dat belanghebbende daar woont. De Inspecteur heeft in dat kader verwezen naar de onder 2.4 opgenomen verklaring en naar correspondentie (een brief met dagtekening 21 december 2001) waarin belanghebbende aan de school van haar zoon een brief stuurt en daarin als haar adres vermeldt b-straat 28-30 alsmede enkele brieven van D betreffende belanghebbende met een andersluidende adressering. Belanghebbende heeft de stelling van de Inspecteur gemotiveerd weersproken, en heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij in het pand woont diverse verklaringen in het geding gebracht.

4.7 Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met al hetgeen hij heeft aangedragen onvoldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende elders, haar hoofdverblijf houdt. De stelling van de Inspecteur dat er hieromtrent een ‘vermoeden van bewijs’ dient te worden aangenomen, volgt het Hof niet, reeds niet omdat de blote stelling van de Inspecteur dat tussen belanghebbende en D in de onderhavige jaren een concubinaatsverhouding bestaat, door hem niet, althans onvoldoende, aannemelijk is gemaakt, terwijl zonder een dergelijke samenwoning, het lage gebruik van energie en water niet zonder meer het vermoeden rechtvaardigt dat belanghebbende in het pand niet haar hoofdverblijf had. Nu niet is gebleken van een andere woning die belanghebbende in eigendom heeft, huurt, of ter zake waarvan belanghebbende anderszins rechthebbende is, kan met hetgeen de Inspecteur heeft aangedragen niet aannemelijk worden geacht dat belanghebbende het pand niet als woning in de zin van 3.111 Wet IB tot haar beschikking heeft.

4.8 Het onder 4.7 gegeven oordeel leidt er toe dat het Hof van oordeel is dat het pand als de eigen woning van belanghebbende dient te worden aangemerkt. De overige stellingen van belanghebbende behoeven gezien dit oordeel geen bespreking meer.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Proceskosten

Het Hof stelt de proceskosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, die belanghebbende - in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep - heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 437 (1 punt ? wegingsfactor 1 ? € 437) voor de kosten in eerste aanleg en € 472 (1 punt ? wegingsfactor 1 ? € 472) in hoger beroep, ofwel in totaal op € 909.

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voorzover daarin de beroepen ongegrond zijn verklaard,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag IB/PVV 2004 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.949 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil,

– vermindert de aanslag IB/PVV 2005 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.417 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 657,

– vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 909,

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 41 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 230 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, voorzitter, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 11 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (E. Polak)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 juni 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.