Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA2815

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
200.089.561-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Post-interlocutoir. Bewijs niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.089.561/01

(zaaknummer rechtbank Assen 67207/ HA ZA 08-275)

arrest van de tweede kamer van 11 juni 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.M. Jansen, kantoorhoudend te Roden, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.P. Wempe, kantoorhoudend te Drachten, die ook heeft gepleit.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 augustus 2011 hier over.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 26 september 2011; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.2 Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord,

- het gehouden pleidooi waarbij door mr. Jansen voornoemd een pleitnotitie is overgelegd.

1.3 Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

1.4 De vordering in hoger beroep van [appellant] luidt:

"(…) voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij arrest:

I. te vernietigen de vonnissen van de Rechtbank Assen van 30 juli 2008 en 31 maart 2010, gewezen onder zaak- en rolnummer 67207/HA ZA 08-275, waarvan beroep;

II. opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellant als eiser in vrijwaring en gedaagde in reconventie in eerste aanleg alsnog toe te wijzen en de vorderingen van geïntimeerde als gedaagde en eiser in reconventie in eerste aanleg alsnog af te wijzen;

III. geïntimeerde te veroordelen in het nasalaris advocaat zijdens appellant, zijnde een bedrag van € 131,--, standaard forfaitair bepaald;

IV. geïntimeerde te veroordelen hetgeen door appellant reeds krachtens genoemd vonnis van 31 maart 2010 aan hem is voldaan aan appellant terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum der betaling tot die der algehele voldoening;

V. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de beide instanties, waaronder de dagvaardingskosten, het griffierecht en het salaris van de (proces)advocaat van appellant, standaard forfaitair te bepalen volgens het gebruikelijke tarief.".

2. De verdere beoordeling

2.1 Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.3. van genoemd vonnis van 31 maart 2010 is, behoudens ten aanzien van de vaststelling waartegen grief 2 is gericht, geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot grief 2 zal worden overwogen.

2.2 Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep als niet dan wel onvoldoende weersproken zijn komen vast te staan, luiden:

2.2.1 [appellant] is eigenaar geweest van de eenmanszaak [X]. De onderneming hield zich bezig met een groothandel in speelgoed. [geïntimeerde] is per 15 juni 2005 bij [appellant] in dienst getreden.

2.2.2 Partijen zijn per 1 november 2005 een vennootschap onder firma, [X] v.o.f., (hierna: de v.o.f) aangegaan. De v.o.f. is in het handelsregister ingeschreven. Partijen hebben hun vennootschapsovereenkomst niet schriftelijk vastgelegd. In het uittreksel uit het handelsregister van 24 januari 2008 is vermeld dat de v.o.f. op 31 januari 2007 is ontbonden.

2.2.3 De firma [Y] heeft [appellant] gedagvaard voor de rechtbank Assen tot betaling van het bedrag van € 5.374,54 plus rente en buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank Assen heeft bij vonnis van 17 december 2008 de vordering van [Y] - nagenoeg geheel - toegewezen.

3. De beslissing in eerste aanleg

3.1 De rechtbank heeft in het vonnis van 31 maart 2010 in conventie afgewezen de vorderingen van [appellant] om [geïntimeerde] te veroordelen aan hem te voldoen de helft van hetgeen hij ingevolge de hiervoor onder 2.2.3. bedoelde procedure aan [Y] schuldig zal blijken te zijn en om [geïntimeerde] te veroordelen aan hem te voldoen een bedrag van € 3.755,--, terzake van een belastingschuld van de v.o.f..

De rechtbank heeft in voornoemd vonnis in reconventie de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 22.003,41, te vermeerderen met wettelijke rente, toegewezen tot een bedrag van € 15.500,--, te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank heeft verder de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te verplichten aan hem stukken behorende tot de administratie van de v.o.f. over te leggen, onder verbeurte van een dwangsom, grotendeels toegewezen en de zaak wat betreft de loonvordering van [geïntimeerde] verwezen naar de sector kanton van de rechtbank Assen. Het door [geïntimeerde] meer of anders gevorderde is afgewezen.

[appellant] is in conventie en in reconventie veroordeeld in de kosten van het geding.

4. De beoordeling

Met betrekking tot de vorderingen (in conventie) van [appellant] op [geïntimeerde] (grief 1 tot en met 5).

4.1 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] gehouden is om aan [appellant] te vergoeden de helft van de bedragen die [appellant] stelt ter voldoening van schulden van de ontbonden v.o.f. uit privé middelen te hebben voldaan aan [Y] en aan de belastingdienst.

4.2 Het hof overweegt als volgt.

Vennoten van een vennootschap onder firma zijn jegens derden hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de v.o.f. (artikel 18 KvK).

In het geval één van de vennoten van de v.o.f. uit privé middelen (opeisbare) schulden van de v.o.f. voldoet, kan deze vennoot regres nemen op de andere vennoot wanneer is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:10 BW. Dat betekent dat de vennoot die de schulden heeft betaald zal moeten stellen en bewijzen dat hij de schulden heeft gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem in de onderlinge verhouding tussen de vennoten aangaat.

In het geval de v.o.f. is ontbonden zullen echter de zaken van de v.o.f. moeten worden vereffend, opdat daarna zal kunnen worden beoordeeld wat in de onderlinge verhouding tussen gewezen vennoten ieders aandeel in het vermogen van de ontbonden v.o.f. is.

4.3 [appellant] heeft zijn onderhavige vorderingen ingesteld nadat de v.o.f. van partijen was ontbonden. Verder staat als niet dan wel onvoldoende weersproken tussen partijen vast dat de zaken van die v.o.f. niet zijn vereffend en dat geen eindbalans is opgemaakt van de schulden en bezittingen van de v.o.f. waaruit kan blijken waartoe elk der vennoten, met inachtneming van ieders inbreng, gerechtigd of gehouden is.

4.4 [appellant] stelt in grief 3 dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, desondanks uit de door hem overgelegde jaarstukken, althans uit de administratie van de v.o.f., voldoende blijkt dat hij vorderingen op [geïntimeerde] heeft.

De door [appellant] overgelegde jaarstukken betreffen een balans van de eenmanszaak van [appellant] over het boekjaar 2005, balansen van de v.o.f. over de boekjaren 2005, 2006 en 2007 en winst- en verliesrekeningen van de v.o.f. over de boekjaren 2005, 2006 en 2007. Het gaat daarbij om door [appellant] zelf opgestelde stukken, waarvan de inhoud door [geïntimeerde] gemotiveerd is betwist. [appellant] heeft geen bescheiden overgelegd die de juistheid van de jaarstukken onderbouwen. Reeds om die reden moet aan het door [appellant] gestelde worden voorbijgegaan.

Het had op de weg van [appellant] gelegen zijn stelling deugdelijk, bijvoorbeeld met door een accountant gecontroleerde jaarstukken, te onderbouwen. Nu hij dat heeft nagelaten is het hof van oordeel dat het door [appellant] gestelde niet voldoende is om hem toe te laten tot bewijs. Het hof passeert daarom het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod van [appellant].

Daar komt nog bij dat niet helder is wat [appellant] voor ogen heeft. Voor zover hij beoogd heeft een voorwaardelijke eisvermeerdering in te stellen strekkende tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van wat [appellant] meer heeft voldaan dan zijn inbrengverplichting (mvg 2 en 4), vindt dit zowel processueel als materieel geen steun in het recht.

Grief 3 faalt.

4.5 Het voorgaande leidt ertoe dat, ook indien er, ondanks de betwisting door [geïntimeerde], veronderstellenderwijs van zou worden uitgegaan dat [appellant] uit privé-middelen heeft voldaan hetgeen de (ontbonden) v.o.f. aan [Y] en de belastingdienst verschuldigd was, de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar zijn.

4.6 Het voorgaande leidt er verder toe dat de rechtbank in het vonnis van 30 juli 2008 terecht informatie heeft verlangd over de vereffening van de zaken van [X] V.O.F, zodat grief 1 faalt.

Het belang bij de behandeling van de grieven 2, 4 en 5 is door het vorenoverwogene komen te ontvallen, zodat het hof deze grieven onbesproken zal laten.

Met betrekking tot de beslissing van de rechtbank dat [appellant] € 15.500,-- aan [geïntimeerde] moet betalen (grief 6).

4.7 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vragen of [geïntimeerde] in 2006 tot een bedrag van € 15.500,-- schulden van de eenmanszaak van [appellant] heeft voldaan en zo ja, of [appellant] gehouden is dat bedrag aan [geïntimeerde] te vergoeden.

4.8 [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn vordering gesteld dat met [appellant] is afgesproken dat het bedrag van € 15.500,-- zou worden aangemerkt als een lening en dat [appellant] in privé dat bedrag aan hem zou terugbetalen. Volgens hem blijkt dat ook uit een e-mail van [appellant] aan hem van 19 mei 2006.

[geïntimeerde] bestrijdt dat de eenmanszaak, inclusief schulden, in [X] v.o.f. is ingebracht. Volgens hem zijn de schulden van de éénmanszaak van [appellant], van [appellant] privé gebleven.

4.9 [appellant] betoogt dat, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, de eenmanszaak, inclusief schulden, in [X] v.o.f. is ingebracht en dat de eventuele betalingen van [geïntimeerde] als inbreng moeten worden gekwalificeerd. [appellant] betwist dat is afgesproken om de bedoelde betalingen als een lening aan te merken.

4.10 Het hof is van oordeel dat aan de inhoud van de e- mail van 19 mei 2006 niet kan worden ontleend dat partijen hebben afgesproken dat het onderhavige bedrag van € 15.500,-- als een door [geïntimeerde] verstrekte lening aan [appellant] zal worden aangemerkt en/of dat [appellant] genoemd bedrag aan [geïntimeerde] zou terugbetalen. Uit die e-mail blijkt slechts dat partijen in onderhandeling waren over, onder meer, ieders inbreng in de opgerichte v.o.f. en dat [appellant] in verband daarmee als optie noemt om de onderhavige betalingen door [geïntimeerde] als lening aan te merken.

Nu [geïntimeerde] in hoger beroep geen bewijs heeft aangeboden van zijn stelling dat sprake is van een tussen [geïntimeerde] en [appellant] gesloten overeenkomst van geldlening, gaat het hof ervan uit dat een dergelijke overeenkomst niet is gesloten.

4.11 Voor zover [geïntimeerde] zich er mede op beroept dat [appellant] de door hem betaalde bedragen aan hem moet vergoeden omdat hij onverschuldigd schulden van de eenmanszaak van [appellant] heeft voldaan en deze schulden - aldus [geïntimeerde] - niet in [X] v.o.f. zijn ingebracht, treft dat geen doel.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.12 [geïntimeerde] heeft tijdens het gehouden pleidooi verklaard dat hij uit privé-middelen bedragen op de rekening van [X] v.o.f. heeft gestort en dat de v.o.f. de bedragen die hij thans vordert heeft voldaan aan schuldeisers van de éénmanszaak van [appellant]. Deze verklaring vindt ook steun in het door [geïntimeerde] als productie 6 bij de conclusie van antwoord in vrijwaring tevens conclusie van eis in reconventie gevoegd overzicht waarin naast de beschrijving "totaal betaalde inleg in [adresX]", achter de nummers 24, 25, 26 de bedragen staan die [geïntimeerde] thans vordert. Het moet er daarom voor worden gehouden dat [geïntimeerde] het onderhavige totaal bedrag heeft ingebracht in [X] v.o.f. en dat niet [geïntimeerde] maar de v.o.f de onderhavige schulden heeft voldaan. De inbreng door [geïntimeerde] zal in het kader van de vereffening en verdeling van de zaken van de v.o.f. moeten worden meegenomen. Nu de vereffening niet heeft plaatsgehad en voor afzonderlijke afrekening van ingebrachte zaken geen plaats is, dient de onderhavige vordering van [geïntimeerde] te worden afgewezen.

4.13 Grief 6 slaagt.

5. De slotsom

5.1 Het hof zal het vonnis van de rechtbank van 30 juli 2008 bekrachtigen. Het vonnis van 31 maart 2010 zal wat betreft de daarin in conventie gegeven beslissingen eveneens worden bekrachtigd, met uitzondering van de daarin gegeven proceskostenveroordeling. De in dat vonnis in reconventie gegeven veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 15.500,--, te vermeerderen met wettelijke rente zal worden vernietigd en het hof zal, opnieuw rechtdoende, de betreffende vordering van [geïntimeerde] afwijzen. Voor het overige zullen de in reconventie gegeven beslissingen worden bekrachtigd, met uitzondering van de daarin gegeven proceskostenveroordeling.

5.2 Het hof ziet in de omstandigheid dat partijen over en weer (grotendeels) in het ongelijk zijn gesteld aanleiding om de kosten van de procedure in eerste aanleg, zowel in conventie als in reconventie, te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Grief 7 slaagt derhalve in zoverre.

5.3 Het hof zal voorts om voornoemde reden eveneens de kosten van de procedure in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.4 [appellant] heeft terugbetaling gevorderd van al hetgeen hij ter voldoening aan het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Deze vordering is niet door [geïntimeerde] weersproken en is mede daarom toewijsbaar voor zover het betalingen betreft die betrekking hebben op de in dat vonnis gegeven veroordelingen van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 15.500,-- te vermeerderen met wettelijke rente, en de proceskosten.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van 30 juli 2008;

vernietigt het vonnis van 31 maart 2010 voor zover [appellant] daarin, in reconventie, is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 15.500,--, te vermeerderen met wettelijke rente en voor zover [appellant] daarin zowel in conventie als in reconventie is veroordeeld in de kosten van de procedure;

in zoverre opnieuw rechtdoende

wijst af de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 15.500,-- , te vermeerderen met wettelijke rente;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt;

bekrachtigt het vonnis van 31 maart 2010 voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te vergoeden al hetgeen [appellant] heeft voldaan ter voldoening aan de in het vonnis van 31 maart 2010 gegeven veroordelingen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 15.500,--, te vermeerderen met wettelijke rente, en de proceskosten en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, L. Janse en H.M. Fahner is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 juni 2013.