Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA2174

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
200.107.901/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. Rechtbank heeft het bewijs van een overeenkomst van geldlening terecht geleverd geacht. De verklaring van de partijgetuige wordt voldoende ondersteund door de overige bewijsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.107.901/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 112208 / HA ZA 09-760)

arrest van de eerste kamer van 4 juni 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. F. Bakker, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. N. Entzinger, kantoorhoudende te Groningen.

1. Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven de vonnissen uitgesproken op 20 januari 2010, 27 oktober 2010 en 15 februari 2012 door de rechtbank Groningen, sector civielrecht (hierna: de rechtbank).

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 10 mei 2012 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het eindvonnis van 15 februari 2012. Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- akte na selectie voor cna d.d. 17 juli 2012;

- de memorie van grieven d.d. 23 oktober 2012;

- de memorie van antwoord d.d. 26 februari 2013.

2.2 Ten slotte hebben partijen de stukken overlegd voor het wijzen van arrest. In het dossier van [appellant] ontbreken ten onrechte de door [geïntimeerde] in eerste aanleg in het geding gebrachte producties.

2.3 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

2.4 De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"(…) te vernietigen het vonnis gewezen tussen partijen op 15 februari 2012 door de rechtbank Groningen, sector civielrecht en opnieuw recht doende zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, bij arrest de vordering van geïntimeerde af te wijzen door haar daarin niet-ontvankelijk te verklaren dan wel te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties alsmede haar arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren."

2.5 [geïntimeerde] heeft geconcludeerd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties.

3. De feiten

3.1 Het hof gaat uit van de navolgende feiten.

3.2 Partijen hebben enige tijd een relatie met elkaar gehad, welke relatie is geëindigd begin 2008.

3.3 Per brief d.d. 8 juni 2009 heeft de advocaat van [geïntimeerde] [appellant] in gebreke gesteld:

"(…) Cliënte heeft aan u op 18 januari 2006 een geldlening verstrekt ter waarde van

€ 5000,-. U heeft ten tijde van het afsluiten van deze lening met cliënte afgesproken maandelijks € 100,- aan cliënte te voldoen ter aflossing. Hiertoe bent u echter niet toe overgegaan. Van november 2006 tot en met augustus 2007 heeft u aan cliënt een totaalbedrag van € 525,- voldaan. Na augustus 2007 bent u echter geheel gestopt te betalen. Dit brengt mee dat u nog € 4.475,- aan cliënte dient te betalen.

Cliënt heeft u meerdere malen verzocht voor afbetaling van de lening zorg te dragen. Nu u hiertoe niet bent overgegaan, verzoek ik - en voor zover nodig sommeer - u ten laatste male om over te gaan tot betaling van € 4.475,- (…)"

3.4 [appellant] is niet tot betaling overgegaan.

4. De procedure in eerste aanleg

4.1 [geïntimeerde] heeft gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 4.475,00 als (restant)hoofdsom op grond van een overeenkomst van geldlening, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2009. Tevens heeft [geïntimeerde] buitengerechtelijke kosten ad

€ 671,25 gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van de dagvaarding.

4.2 [appellant] heeft verweer gevoerd.

4.3 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 27 oktober 2010 [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat zij op 18 januari 2006 een bedrag van € 5.000,- aan [appellant] heeft geleend.

4.4 Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [geïntimeerde] twee getuigen voorgebracht: [getuige 1], medewerker van de Rabobank en zichzelf als partij-getuige.

4.5 De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat [geïntimeerde] geslaagd is in de bewijslevering en heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag € 4.475,-, vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 22 juni 2009. Voorts heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure. De buitengerechtelijke kosten zijn door de rechtbank afgewezen.

5. De beoordeling in hoger beroep

5.1 [appellant] heeft drie grieven opgeworpen.

5.2 Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] zijn betwisting van de juistheid van de stellingen van [geïntimeerde] met betrekking tot de afspraken over de aflossing van de lening en de door [appellant] gedane aflossingen onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat kan worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [geïntimeerde]: hiertoe heeft de rechtbank acht geslagen op het door [geïntimeerde] overgelegd bankafschrift d.d. 14 december 2006, waaruit blijkt dat op 4 december 2006 een bedrag van € 50,- op het bankrekeningnummer van [geïntimeerde] is bijgeschreven, afkomstig van [appellant], met als omschrijving "mnd dec" en voorts op de volgende passages in de getuigenverklaringen:

[getuige 1]:

"Ik ben cliënt-adviseur bij de Rabobank. Momenteel in Stadskanaal maar in 2006 in Bellingwolde. Ik ken mevrouw [geïntimeerde] en ben op de hoogte van de bewijsopdracht die haar door de rechtbank is opgedragen in verband met een conflict tussen haar en de heer [appellant].

Over de bewuste transactie in 2006 kan ik het volgende verklaren. Mevrouw [geïntimeerde] is samen met haar toenmalige partner de heer [appellant] bij mij gekomen omdat zij een lening aan [appellant] wilde verstrekken. (…) Omdat het om een groot bedrag ging, het ging op 5000 euro, kon zij dat bedrag niet zelf pinnen. Ik heb een pasje van de Rabobank dat de opname van grote bedragen wel toestaat. Met dat pasje heb ik voor [geïntimeerde] het bedrag van 5000 euro gepind van haar rekening en het geld aan haar overhandigd. (…)

[appellant] was bij deze transactie aanwezig. Ik heb gezien dat [geïntimeerde] het bedrag daarna in een envelop deed en vervolgens aan [appellant] overhandigde. (…)

Mr. Veurman houdt mij voor productie 1 van de dagvaarding. Ik bevestig dat dit een uitdraai uit mijn agenda is. (…)"

[geïntimeerde]:

"[appellant] en ik zijn samen naar de Rabobank gegaan. Dat was op 18 januari 2006. omdat ik niet gemachtigd was om een bedrag van EUR 5.000,00 ineens van mijn rekening op te nemen had ik een afspraak gemaakt met de heer [getuige 1] van de Rabobank. Hij heeft op mijn verzoek toen EUR 5.000,00 van mijn rekening gepind en in contanten aan mij gegeven. Ik heb dat bedrag vervolgens aan [appellant] overhandigd. (…)

Mondeling spraken wij af dat [appellant] mij het geld zou terugbetalen in maandelijkse termijnen van EUR 100,00. Omdat [appellant] een uitkering genoot en dit bedrag in feite voor hem te hoog was, hebben we kort daarna de aflossingstermijn verlaagd tot EUR 50,00 per maand. [appellant] heeft een paar keer dit bedrag aan mij voldaan, maar is na ongeveer vier maanden daarmee gestopt. Sindsdien heb ik geen aflossing meer van [appellant] ontvangen."

5.3 Blijkens de toelichting op de grief is [appellant] van mening dat er tussen partijen nimmer sprake geweest van een overeenkomst tot geldlening. Voorts stelt [appellant] dat - ingevolge het bepaalde in art. 164 lid 2 Rv - [geïntimeerde] niet is geslaagd in de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht. Uit de getuigenverklaring van de heer [getuige 1] kan namelijk niet worden afgeleid dat sprake zou zijn van een geldleningsovereenkomst tussen partijen, nu [getuige 1] uit eigen waarneming niets kan verklaren over de lening en de terugbetalingsregeling tussen partijen. Tevens betwist [appellant] dat zijn betaling op 4 december 2006 een aflossing zou zijn op de geldlening: hij stelt dat dit bedrag het terugbetalen van boodschappen betrof.

5.4 [geïntimeerde] stelt dat zij wel degelijk in de bewijslevering is geslaagd gelet op voornoemde passages. [getuige 1] heeft als onafhankelijke partij een verklaring onder ede afgelegd. Volgens [geïntimeerde] heeft [getuige 1] geen enkel belang bij het afleggen van een verklaring die niet gelijk is aan de waarheid. Voorts verwijst [geïntimeerde] naar een bankafschrift dat zij in eerste aanleg bij akte van 2 november 2011 in het geding heeft gebracht en haar productie 1 bij de inleidende dagvaarding waarin een uitdraai van de agenda van [getuige 1] met de toelichting: "inz. "lening" vriend [appellant]" is opgenomen.

5.5 Alhoewel [geïntimeerde] van haar kant geen grieven heeft ontwikkeld, brengt de devolutieve werking van het hoger beroep mee dat het hof gehouden is te oordelen over de juistheid van de bewijslastverdeling. Hetzelfde geldt indien de rechtbank zich uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft uitgelaten over de gevolgen van de bewijslevering. Het hof dient dan na te gaan of dat oordeel juist is (HR 30 maart 2012, NJ 2012, 582).

5.6 De vordering van [geïntimeerde] berust op de stelling dat er een overeenkomst van geldlening tussen partijen tot stand is gekomen. Nu [appellant] een en ander gemotiveerd heeft betwist, rust krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast ter zake op [geïntimeerde]. De rechtbank heeft [geïntimeerde] derhalve op goede gronden belast met het bewijs.

5.7 Het hof overweegt ten aanzien van de bewijswaardering door de rechtbank als volgt. Voorop moet worden gesteld dat de getuige [geïntimeerde] een partijgetuige is in de zin van art. 164 lid 2 Rv. Hetgeen door [geïntimeerde] is verklaard, kan derhalve geen bewijs in haar voordeel opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij die partijverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592).

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] in het bewijs van haar stelling is geslaagd. Het hof oordeelt dat, in onderling verband met de overgelegde agenda-uitdraai van [getuige 1], de verklaring van getuige [getuige 1] voldoende ondersteuning biedt voor het betoog van [geïntimeerde]s dat er een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. De overeenkomst van geldlening komt in beginsel tot stand door overhandiging van geld. Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] komt naar voren dat in zijn bijzijn [geïntimeerde] een bedrag van € 5.000,- aan [appellant] heeft gegeven. Het hof gaat derhalve voorbij aan de stelling van [appellant] dat [getuige 1] uit eigen waarneming niets kan verklaren over de verstrekte lening aan [appellant]. Aan een getuigenverklaring kan immers ook betekenis toekomen voor zover het gaat om verklaringen omtrent de indrukken die bij de getuige zijn ontstaan naar aanleiding van de gebeurtenissen die in zijn verklaring aan de orde komen (HR 21 december 2001, NJ 2002, 60). Daarbij is vooral van belang dat [appellant] geen alternatieve verklaring heeft gegeven voor het feit dat [geïntimeerde] hem € 5000,- ter hand heeft gesteld. Mitsdien acht het hof met de rechtbank het bestaan van de geldleenovereenkomst voldoende bewezen op grond van de afgelegde getuigenverklaringen en de daarbij behorende bescheiden. Aan het later overgelegde bankafschrift komt in dezen slechts beperkte (aanvullende) bewijswaarde toe. Gelet op het voorgaande staat de door [geïntimeerde] gestelde overeenkomst van geldlening vast.

5.8 De eerste grief faalt.

5.9 Met grief II komt [appellant] op tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 4.475,-, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 22 juni 2009 tot de dag van de volledige betaling. Grief II heeft blijkens haar toelichting geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.

5.11 Grief III richt zich tegen de kostenveroordeling in eerste aanleg. De rechtbank heeft [appellant], gelet op het vorenoverwogene, terecht als de in het ongelijk te stellen partij aangemerkt en op goede gronden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg. De derde grief treft derhalve evenmin doel.

slotsom

5.12 Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (geliquideerd salaris advocaat 1 punt, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep d.d. 15 februari 2012;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 291,- aan verschotten en op € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, J.H. [geïntimeerde] en A.M. Koene, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 4 juni 2013 in bijzijn van de griffier.