Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA1972

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
21-002091-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBASS:2012:BY3995, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een houdstermaatschappij die aandelen in een thuiszorgorganisatie had overgenomen wegens witwassen. De aandelen waren door oplichting verworven en vervolgens aan een derde verkocht. Met betrekking tot de opbrengst wordt witwassen bewezen geacht. Om verhaalsmogelijkheden van derden (met name de rechtsperoon die door oplichting werd bewogen tot overdracht van de aandelen) niet te bemoeilijken wordt geen straf of maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002091-13

Uitspraak d.d.: 4 juni 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 23 november 2012 in de strafzaak tegen

[verdachte],

gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 14, 15, 17 en 21 mei 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het verdachte tenlastegelegde tot een geldboete van

€ 150.000,-- alsmede tot verbeurdverklaring van het gehele vermogen van [verdachte], met dien verstande dat de geldboete afgetrokken dient te worden van de verbeurdverklaring.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachtes raadsvrouw, mr. J.A. van den Bosch, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 11 januari 2002 tot en met 13 februari 2009, te [plaats] en/of [plaats], althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, (de opbrengst van) aandelen, te weten aandelen [B.V.3], heeft verworven (door middel van een koopovereenkomst d.d. 20 december 2001 tussen Stichting De Thuiszorg Icare en [verdachte], welke aandelen door [verdachte] zijn verworven voor NLG 1,-), voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet (door die betreffende aandelen van [B.V.3] op 28 november 2003 voor EUR 8.450.000,- aan [bedrijf] te verkopen), althans van (de opbrengst van) aandelen [B.V.3] gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat (de opbrengst van) bovenomschreven aandelen -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Overweging ten aanzien van het bewijs

1. Witwassen

Aan verdachte [verdachte] is tenlastegelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de aandelen [B.V.3] (hierna: [B.V.3]). Hiertoe dient allereerst te worden beoordeeld of deze aandelen afkomstig waren uit enig misdrijf. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

1.1. Feitelijke gang van zaken

In 1999 hebben de Raad van Commissarissen en de Raad van Bestuur van De Stichting Thuiszorg Icare (hierna: De Stichting) besloten om zich meer te richten op de publiekrechtelijke taken van de zorg en minder op de commerciële activiteiten. Dit heeft er toe geleid dat is besloten om de commerciële activiteiten te beëindigen en onderdelen binnen De Stichting die commerciële activiteiten uitvoeren af te stoten.

Medeverdachte [medeverdachte 1] was voorzitter van het tweehoofdige bestuur van De Stichting en had in 2000/begin 2001 het voornemen om de aandelen van [B.V.3], een onderneming binnen De Stichting die op commerciële basis zorg verleende, door middel van een management buy-out over te nemen (D2-088). Dit voornemen heeft hij kenbaar gemaakt aan de voorzitter van de Raad van Commissarissen, de heer [getuige 2] (D2-070). Deze heeft hem medegedeeld dat als [verdachte] door middel van een management buy-out [B.V.3] wenste over te nemen, hij zijn werkzaamheden voor De Stichting zou moeten neerleggen in verband met de zogenoemde ‘twee-pettenproblematiek’ (2-G02-01). Uit de verklaring van [getuige 2] kan worden opgemaakt dat hij de mening was toegedaan dat de functie van voorzitter van de Raad van Bestuur van De Stichting niet samenging met die van belanghebbende/ overnamepartij van [B.V.3].

Op 1 april 2001 heeft [medeverdachte 1] nog namens De Stichting een service-overeenkomst met [B.V.3] in de persoon van de directrice, mevrouw [naam] gesloten, waarin overeengekomen werd dat [B..V.3] met ingang van 2001 voor het verlenen van diensten 87.5% zou ontvangen van het tarief dat De Stichting voor een lopend jaar was overeengekomen met het zorgkantoor en was goedgekeurd door het CTG.

In het voorjaar van 2001 heeft [medeverdachte 1] besloten toch voor De Stichting te blijven werken en van zijn plan tot overname af te zien. Dit heeft [medeverdachte 1] op 31 mei 2001 aan de voorzitter van de Raad van Commissarissen, de heer [getuige 2] meegedeeld: “Ik heb nog eens goed nagedacht over het wel of niet in dit stadium opstappen bij Icare. Mijn besluit is dat ik blijf en dat ik de komende jaren mij blijf inzetten voor de organisatie” (D2-080).

Een aantal dagen later, op 5 juni 2001 heeft de Raad van Bestuur aan de Raad van Commissarissen een notitie aangeboden over de definitieve ontvlechting en vervreemding van [B.V.3]. De directie van [B.V.3], in de persoon van directrice [naam], geeft aan de onderneming te willen voortzetten op basis van een management buy-out (D2-001).

De Raad van Commissarissen is op 18 juni 2001 op basis van de beleidsnota: “definitieve ontvlechting en vervreemding” akkoord gegaan met deze ontvlechting (D2-097 en D2-061). Uit het aanvaarde voorstel in de nota volgt dat:

“6. Verdere procedure:

de RvC verleent de RvB goedkeuring tot het afstoten / privatiseren van de ondernemingen [B.V.3]/SBTN en TZW (het hof begrijpt: ITW);

de RvB stelt vast onder welke voorwaarden beide ondernemingen afgestoten/geprivatiseerd kunnen worden.”

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft [naam] hiervan op 25 juni 2001 op de hoogte gesteld (D2-062).

Tot de gedingstukken behoort een memo d.d. 26 juni 2001 van [naam], directrice van [B.V.3], waarin ondermeer vermeld is: “[verdachte], naar aanleiding van het gesprek met [naam] d.d. 18 juni jl. En ons gesprek d.d. 20 juni heb ik voor mijzelf het een en ander op een rijtje gezet en ben tot de volgende conclusie gekomen”. In dit memo wordt vervolgens omschreven hoe de aandelen verdeeld kunnen worden tussen [medeverdachte 1] en [naam]. [medeverdachte 1] 75% en [naam] 25%, of ieder 50%, maar in ieder geval zou elk 50% van de zeggenschap moeten hebben.

Op 12 oktober 2001 is [verdachte] opgericht, waarvan [naam] enig aandeelhouder en bestuurder is. [naam] heeft verklaard dat [verdachte] is opgericht om de aandelen van [B.V.3] onder te brengen (V5-07).

Uit de notitie van het onderhandelingsresultaat met betrekking tot de verkoop van de aandelen van [B.V.3] aan [verdachte] d.d. 31 oktober 2001, afkomstig van de heer [naam], manager Financieel Economische Zaken van De Stichting, volgt dat [verdachte] en [B.V.8] in de persoon van de heer [naam], het volgende zijn overeengekomen:

- waardebepaling aandeel [B.V.3] NLG 1,--;

- [B.V.3] zal met De Stichting tot een overeenkomst van vijf jaar tot levering/overneming van zorg komen. De goodwill zal gelet op de door [acc.kantoor 1] opgestelde halfjaarcijfers op nihil gesteld worden (D2-004).

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting is af te leiden dat de prijs voor de aandelen [B.V.3] tot stand is gekomen door onderhandelingen tussen aan de ene kant mevrouw [naam], (de aandeelhouder en bestuurder van [verdachte] en de heer [naam] (fiscaal jurist en haar administrateur), namens de koper verdachte [verdachte] en aan de andere kant de heer [naam], directeur [B.V.4] en medeverdachte [medeverdachte 1], ondersteund door medewerkers van [acc.kantoor 1], waaronder de heer [naam], namens de verkoper [B.V.8] Op basis van historische gegevens (de balansgegevens over de eerste helft van 2001) zijn partijen uiteindelijk tot een overnameprijs van NLG 1,-- gekomen. Daarbij is tevens afgesproken dat een schuld ten bedrage van NLG 852.500,-- door [verdachte] zal worden overgenomen.

Tot de gedingstukken behoort voorts een door [naam] opgemaakte concept optieovereenkomst d.d. 22 november 2001 tussen [medeverdachte 1] en [naam]. Hierin wordt door [naam] aan verdachte en zijn vrouw, mevrouw [vrouw medeverdachte 1], in haar hoedanigheid van enig statutair directeur van “[naam]”, een onherroepelijk recht tot koop en verkrijging van 75% van de geplaatste aandelen in het kapitaal van [verdachte] aangeboden (D2-044).

Uit een schrijven van [naam] d.d. 7 december 2001 gericht aan [naam] volgt dat de statuten van [B.V.3] gewijzigd dienen te worden in verband met het instellen van een Raad van Commissarissen (D2-083).

Uit een brief d.d. 14 december 2001 van [naam] aan [notariskantoor] volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] en [naam] zelf als commissarissen werden voorgesteld (D2-085). Een kopie van deze brief is met begeleidend schrijven door [naam] op 14 december 2001 aan medeverdachte [medeverdachte 1] en [naam] gestuurd (D2-084) .

Op de computer van [naam] zijn ondermeer 2 concept-optieovereenkomsten aangetroffen. Twee waarin aan medeverdachte [medeverdachte 1] het optierecht van 75% op de aandelen [B.V.3] wordt verleend. Dit document heeft als wijzigingsdatum 19 december 2001 en als dagtekening 20 december 2001 (D2-124 en D2-125).

Op 20 december 2001 heeft de overname van de aandelen [B.V.3] door verdachte [verdachte] plaatsgevonden, met overname van een schuld van NLG 852.500,-- (D2-006).

Reeds in 2001 hebben contacten plaatsgevonden over de verkoop van [verdachte] aan derden, waaronder [bedrijf]. Dit volgt ondermeer uit de tot de gedingstukken behorende offerte/opdrachtbevestiging d.d. 19 december 2001 inzake acquisitie [B.V.3] ten behoeve van [verdachte], afkomstig van [naam] en gericht aan [bedrijf]. Hierin beschrijft [naam] dat vanuit de markt is gebleken dat er interesse is voor het kopen van [B.V.3]. Begin 2002 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] samen met [bedrijf] contact gehad met [bedrijf], in de persoon van de heer [naam], over de verkoop van de aandelen [B.V.3] (2-G4-01). Deze besprekingen hebben echter niet geresulteerd in de verkoop van de aandelen.

Uit de toelichting op de balans van “[naam]” over het jaar 2003 volgt voorts dat “[naam]” op dezelfde datum, te weten 20 december 2001, het economisch eigendom van 73,78% van het geplaatste aandelenkapitaal in [verdachte] heeft gekregen (D2-054). In dit verband wijst het hof voorts op een concept optie-overeenkomst die op de computer van [naam] is aangetroffen waaruit blijkt dat een verlaging van het optierecht van 75% naar 73,68% heeft plaatsgevonden (D2-128). Uit D2-018 volgt dat deze verlaging betrekking had op de verkoop van 5% van de aandelen [verdachte] aan [bedrijf]

In dit kader wijst het hof tot slot op een memo afkomstig van [naam] gericht aan medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 25 juni 2003 (D2-048). Hieruit volgt dat [naam] aan [medeverdachte 1] meedeelt dat [naam] (het hof begrijpt: [naam]), met nadruk en klem aangeraden heeft, gezien de risico’s, niet eerder geld uit [verdachte] te halen dan dat [medeverdachte 1] niet meer bij De Stichting werkzaam is.

In 2003 zijn diezelfde aandelen [B.V.3] door [verdachte] verkocht aan [bedrijf] voor een bedrag van ruim 8 miljoen euro.

1.3. Beoordeling grondfeit oplichting

Uit de hierboven weergegeven feitelijke gang van zaken acht het hof het bestaan van de optie-overeenkomst tussen medeverdachte [medeverdachte 1], dan wel een aan hem gelieerde vennootschap, en [naam], in haar hoedanigheid van enig statutair directeur van [verdachte], bewezen. Het hof wijst in dit verband nog op de verklaring van [naam], werkzaam bij [bedrijf], die verklaard heeft dat de heer [naam], de echtgenoot van mevrouw [naam], hem in een gesprek op 18 mei 2006 heeft toevertrouwd dat [medeverdachte 1] een optierecht heeft op het grootste gedeelte van de aandelen [verdachte] (2-G-18-01). Illustratief is ook de verklaring van de heer [naam], werkzaam bij [bedrijf]. inhoudende dat de heer [naam] hem toevertrouwd heeft dat [medeverdachte 1] een belang heeft in [verdachte] en dat dit onderdeel uitmaakte van de deal rond de aankoop van het bedrijf [B.V.3]; een kwestie van: “take it or leave it” (2-G21-01).

Reeds voordat de aandelenoverdracht [B.V.3] aan [verdachte] op 20 december 2001 heeft plaatsgevonden had [medeverdachte 1] aldus een belang in [B.V.3] en derhalve een belang bij verwerving door [verdachte] van de aandelen [B.V.3] tegen zo gunstig mogelijke condities.

[Medeverdachte 1] heeft dit belang tegenover de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen verzwegen en heeft desondanks namens De Stichting de overname van [B.V.3] begeleid hetgeen geresulteerd heeft in de overname door [verdachte] van de aandelen [B.V.3].

Het hof neemt in dit verband in aanmerking het bepaalde in artikel 7 lid 2 van de Statuten van De Stichting, welk artikel bepaalt:

“De Raad van Commissarissen vertegenwoordigt de stichting in gevallen waarin naar zijn oordeel sprake is van tegenstrijdig belang tussen een lid of meerdere leden van de Raad van Bestuur en de Stichting.”

Van zogenoemd ‘tegenstrijdig belang’ is sprake als een persoonlijk belang van een bestuurder tegenstrijdig is met een belang van de – in dit geval – De Stichting. Alsdan geldt dat dit belang zodanig van invloed kan zijn geweest op de besluitvorming van de betrokken bestuurder dat hij zich niet in staat had mogen achten het belang van de – in dit geval – De Stichting met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen.

Uit het feit dat de wet met betrekking tot een stichting niet voorziet in een statutair verplichte tegenstrijdigbelangregeling en er in de statuten van De Stichting niettemin kennelijk bewust voor is gekozen om een tegenstrijdigbelangregeling te incorporeren, inhoudende een toekenning van besluitvormingsbevoegdheid in situaties van tegenstrijdig belang aan een daartoe ingerichte Raad van Commissarissen, volgt dat De Stichting in gevallen van tegenstrijdig belang tussen De Stichting en haar bestuur dan wel haar individuele bestuurders, de Raad van Commissarissen zeggenschap casu quo vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft willen toekennen in situaties als de onderhavige.

Hieruit kan naar het oordeel van het hof genoegzaam worden afgeleid dat wetenschap bij de Raad van Commissarissen/(de voltallige) Raad van Bestuur van het bestaan van de in de toekomst te finaliseren en in rechte uit te oefenen optie-overeenkomst van medeverdachte [medeverdachte 1], op basis van de Statuten reeds voldoende aanleiding zou zijn geweest om verdachte bij de totstandkoming van de onderhavige transactie van iedere besluitvorming - zoals die ondermeer op 18 juni 2001 aan medeverdachte [medeverdachte 1] is toegekend - uit te sluiten. Bij deze wetenschap had de Raad van Commissarissen immers uit hoofde van haar eigen statutaire bevoegdheid de onderhandelingen aangaande de bepaling van de waarde van de aandelen [B.V.3] moeten aangaan en zelf moeten besluiten onder welke condities de ontvlechting gestalte zou krijgen. Daarmee is naar het oordeel van het hof gegeven - mede indachtig de verklaring van [getuige 2] aangaande de zgn. ‘twee-pettenproblematiek’ - dat de Raad van Commissarissen geen goedkeuring zou hebben gegeven de besluitvorming aangaande de condities waaronder de ontvlechting van [B.V.3] zou moeten plaatsvinden aan medeverdachte [medeverdachte] over te laten en evenmin goedkeuring hebben verleend tot de overdracht van de aandelen [B.V.3] voor NLG 1,-- (of welke andere prijs dan ook).

Het hof is dan ook van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte 1] mitsdien door het verzwijgen van het financiële belang dat hij had in de kopende vennootschap, verdachte [verdachte], De Stichting heeft bewogen tot afgifte van de aandelen [B.V.3] (voor een bedrag van NLG 1,--). Dat medeverdachte [medeverdachte 1] daarbij gehandeld heeft met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling volgt uit het financiële belang dat hij zich verschaft heeft in [verdachte] door het sluiten van een optie-overeenkomst met [naam].

Het hof is evenwel van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat de prijs van NLG 1,-- geen reële prijs was. Mede in het licht bezien van de omstandigheid dat waardebepaling niet los gezien kan worden van de intentie waarmee tot overdracht besloten wordt; in onderhavig geval heeft de Raad van Commissarissen besloten om [B.V.3] af te stoten door middel van een management buy-out. De condities – onder meer de prijsbepaling - waaronder de aandelenoverdracht gestalte krijgt in een geval als het onderhavige, kunnen dientengevolge aanzienlijk verschillen van een situatie waarbij een commerciële partij de aandelen overneemt. Naar het oordeel van het hof is voorts niet komen vast te staan dat medeverdachte [medeverdachte 1] bij de waardebepaling van de aandelen [B.V.3] waardeverhogende factoren niet dan wel onvoldoende betrokken heeft of heeft laten betrekken door De Stichting onvoldoende te wijzen op de stijging van het CTG-tarief, de stijging van de productieomvang zorguren van [B.V.3], de verlaging/kwijtschelding/sanering van de schuld, dan wel de positieve marktontwikkeling voor [B.V.3].

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat medeverdachte [medeverdachte 1] de Raad van Commissarissen / Raad van Bestuur listiglijk en bedrieglijk heeft voorgehouden dan wel in strijd met de werkelijkheid de indruk heeft gewekt dat hij de belangen van De Stichting zou behartigen bij de verkoop van de aandelen aan verdachte, [verdachte], en heeft verzwegen een financieel belang te hebben, (al dan niet middellijk en al dan niet door middel van opties) in de kopende vennootschap [verdachte] waardoor hij De Stichting heeft bewogen tot afgifte van de aandelen [B.V.3] voor de prijs van NLG 1,--.

1.4. Beoordeling tenlastegelegde witwassen

Uitgangspunt is - ingevolge recente jurisprudentie van de Hoge Raad – dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Alsdan geldt dat, waar het om het ‘voorhanden’ hebben van een goed betreft, een vervolghandeling moet hebben plaatsgevonden, ingegeven door de wens om de herkomst van het goed te verbergen of te verhullen.

Het hof heeft bewezen verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting door het verzwijgen van het financiële belang dat hij had in de kopende vennootschap, [verdachte] Hierdoor heeft hij De Stichting bewogen tot afgifte van de aandelen [B.V.3] (voor een bedrag van NLG 1,--). [Naam] was op de hoogte van het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] bij het aangaan van de optie-overeenkomst nog voorzitter van de Raad van Bestuur van De Stichting was. Dit getuige ook een bepaling in de concept optie-overeenkomst (document D2-044) waarin een tegenstrijdig belang erkend wordt, zij het vanuit de positie bezien van medeverdachte [medeverdachte 1] jegens [verdachte]. Het is een feit van algemene bekendheid dat in dergelijke gevallen de bestuurder niet zelf bevoegd is de onderhandelingen te voeren en handelingen te verrichten die de vennootschap binden. Ook het hierboven geciteerde memo van [naam] d.d. 25 juni 2003 (D2-048) biedt steun voor de stelling dat [naam] van een en ander op de hoogte was.

Gedragingen van en wetenschap bij [naam] kunnen gelet op haar positie als enig statutair directeur van [verdachte] laatstgenoemde ook toegerekend worden. Gelet op de betrokkenheid en rol van [naam] bij de overdracht van de aandelen [B.V.3] aan [verdachte], is het hof van oordeel dat het verwerven van de aandelen [B.V.3] door de verkoop van deze aandelen aan [verdachte] d.d. 20 december 2001, zo nauw verbonden is met de bewezenverklaarde oplichting, dat deze handeling - anders dan de advocaat-generaal stelt - niet als een witwashandeling aangemerkt kan worden.

In 2003 zijn diezelfde aandelen [B.V.3] door [verdachte] verkocht aan [bedrijf] voor een bedrag van ruim 8 miljoen euro. Het hof is dan ook van oordeel dat [verdachte] door de verkoop van de aandelen [B.V.3] aan [bedrijf], zich schuldig heeft gemaakt aan het verwerven en voorhanden hebben van de opbrengst van de aandelen [B.V.3]. Uit een e-mailbericht van de heer [naam] van [bedrijf] aan onder meer zijn collega [naam], d.d.12 februari 2004, volgt dat een deel van het bedrag dat afkomstig is uit voornoemde verkoop, te weten € 6.100.000,--, is geplaatst bij [bedrijf] op een termijndeposito (D2-105).

Van de gedingstukken maakt onderdeel uit document D2-30, zijnde een ondertekende overeenkomst tot geldlening van een totaalbedrag van € 665.000,-- d.d. 2 maart 2007 tussen medeverdachte [medeverdachte 1] (schuldenaar) en verdachte, [verdachte] (schuldeiser). Dit bedrag betreft de totaalsom van 4 geldleningen die verdachte, [verdachte], onder gunstige condities (lage rente en uitgestelde aflossing) verstrekt heeft aan medeverdachte [medeverdachte] op respectievelijk 20 september 2005 (€ 450.000,--), 5 januari 2006 (€ 20.000,--), 6 januari 2006 (€ 95.000,--) en op 1 augustus 2006 (€ 100.000,--).

Door het beschikbaar stellen van de geldleningen aan medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verdachte, het mogelijk gemaakt dat [medeverdachte 1] reeds voordat de optieovereenkomst werd geëffectueerd, de beschikking kreeg over (een deel van) de opbrengst welke werd verkregen uit hoofde van de verkoop van de aandelen [B.V.3] door verdachte [verdachte] aan ]bedrijf]. [naam] heeft aldus als statutair directeur van verdachte [verdachte] voorts (een deel van) de opbrengst van de aandelen [B.V.3] overgedragen, hetgeen aan [verdachte] kan worden toegerekend.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zij op tijdstippen in de periode van 11 januari 2002 tot en met 13 februari 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen de opbrengst van aandelen, te weten de aandelen [B.V.3], heeft verworven en voorhanden gehad door die betreffende aandelen van [B.V.3] op 28 november 2003 voor EUR 8.450.000,-- aan [bedrijf] te verkopen en (deze vervolgens) heeft overgedragen, terwijl zij wist dat de opbrengst van bovenomschreven aandelen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Oplegging van straf of maatregel

[Verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de aandelen [B.V.3].

Statutair bestuurder en enig aandeelhouder [naam] wist dat De Stichting in 2001 tot de afgifte van de aandelen [B.V.3] aan [verdachte] was bewogen doordat de voorzitter van de Raad van Bestuur van De Stichting, medeverdachte [medeverdachte 1], aan de Raad van Bestuur en Raad van Commissarissen verzwegen had een financieel belang (te weten een optie-overeenkomst op de aandelen [B.V.3]) in [B.V.3] te hebben.

Nadat de aandelen [B.V.3] vervolgens in 2003 aan [bedrijf] zijn verkocht heeft [verdachte] de opbrengst van de aandelen voorhanden gehad en vervolgens geldleningen verstrekt aan [medeverdachte] uit hoofde van diens aanspraak op 75% van de aandelen en derhalve van 75% van de uitkeerbare winst van de vennootschap [verdachte].

De advocaat-generaal heeft een geldboete van € 150.000,-- gevorderd en de verbeurdverklaring gevorderd ex artikel 33 Wetboek van Strafrecht van vrijwel het volledige bedrag waarop indertijd ex art. 94a van het Wetboek van Strafvordering beslag is gelegd. Het betreft de tegoeden op de rekeningnummers [nummer] en [nummer] van [bedrijf] van rekeningnummers [nummer] en [nummer] van de Rabobank. De geldboete dient naar het oordeel van de advocaat-generaal van de verbeurdverklaring worden afgetrokken.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verbeurdverklaring om twee redenen onrechtmatig en niet passend is:

1. de verbeurdverklaring is nadrukkelijk niet bestemd om in grote en complexe zaken, waar de – met meer waarborgen omklede – ontnemingsprocedure de aangewezen weg is, als verkapte ontnemingsmethode te worden gebruikt;

2. de verbeurdverklaring is een bijkomende straf, die passend moet zijn in relatie tot de ernst van het strafbare feit. Nu de advocaat-generaal zich op het standpunt heeft gesteld dat een passende geldboete € 150.000,-- bedraagt, kan verbeurdverklaring van ruim het 30-voudige in geen enkel opzicht passen worden geacht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn ingevolge artikel 33a lid 1 onder a. en f. van het Wetboek van Strafrecht, voorwerpen of zakelijke rechten op voorwerpen, die aan een veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feite zijn verkregen. Onder voorwerpen worden ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel verstaan alle zaken en vermogensrecht.

Het hof is – anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat geen rechtsregel er zich tegen verzet om in de onderhavige zaak als bijkomende straf de verbeurdverklaring van het gehele vermogen van [verdachte] op te leggen. Het hof heeft immers bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van de aandelen [B.V.3]. Ook de vruchten daarvan mogen worden verbeurdverklaard.

Het hof zal hier echter op de volgende gronden, niet toe overgaan.

Gelet op de ontnemingsprocedure die in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] aanhangig is en de civielrechtelijke procedures die tegen [verdachte] lopen, acht het hof het niet wenselijk om het (gehele) vermogen van [verdachte] verbeurd te verklaren omdat dit bedrag vervolgens de Staat toekomt en derhalve vermindering/bemoeilijking van de verhaalsmogelijkheden van De Stichting tot gevolg zal hebben.

Vorenstaande is voor het hof eveneens reden om af te zien van het opleggen van een geldboete van € 150.000,--.

Gelet hierop acht het hof het aangewezen te bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen, griffier,

en op 4 juni 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.