Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA1943

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
24-002112-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBASS:2010:BM6319, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgfraude.

De voormalig bestuurder van een thuiszorginstelling wordt veroordeeld voor het meermalen plegen van oplichting (belang: NLG 1,3 mln en overdracht aandelen) en witwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Locatie Leeuwarden

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-002112-12

Uitspraak d.d.: 4 juni 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 1 juni 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1949],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4 december 2012, 14, 15, 16, 17 en 21 mei 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier en een half jaar ter zake het verdachte onder de feiten 1 tot en met 7 tenlastegelegde en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente en toekenning van de proceskosten.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, dr. mr. D.V.A. Brouwer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1A.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode 3 oktober 2001 tot en met 5 april 2002, te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats], althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Stichting De Thuiszorg Icare heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld, te weten het laten vervallen van de aan Stichting De Thuiszorg Icare toekomende huisvestingsbijdrage van ongeveer NLG 1.500.000,-- althans enig geldbedrag, hebbende verdachte en/of zijn, verdachtes mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid opzettelijk bedoelde huisvestingsbijdrage

- niet gemeld bij de Raad van Bestuur en/of Raad van Commissarissen van Stichting De Thuiszorg Icare, en/of

- niet laten verwerken in de administratie/boekhouding van Stichting De Thuiszorg Icare,

terwijl deze huisvestingsbijdrage door verdachte, als lid/voorzitter van de Raad van Bestuur van Stichting De Thuiszorg Icare is gerealiseerd in het kader van de onderhandelingen met Eurocommerce Robex Groep B.V. over de huur van het pand “[naam]” voor Stichting De Thuiszorg Icare,

waardoor Stichting De Thuiszorg Icare werd bewogen tot bovenomschreven teniet doen van genoemde inschuld;

EN/OF

1B.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 december tot en met 1 mei 2007, te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats], althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer NLG 1.500.000,--, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2002 tot en met 5 april 2002, te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats], althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Stichting De Thuiszorg Icare en/of [houdstermaatschappij]., heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of tot het aangaan van een schuld, te weten de verkoop en/of overdracht van de aandelen van Icare Thuiszorgwinkels B.V. voor een bedrag van EUR 589.914,28, hebbende verdachte en/of verdachtes mededader(s) met vorenomschreven oogmerk listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, opzettelijk aan Stichting de Thuiszorg Icare en/of [houdstermaatschappij] een onjuiste voorstelling van zaken gegeven betreffende de waarde van die aandelen, bestaande die listige kunstgrepen hierin dat verdachte en/of zijn mededaders aan de Raad van Commissarissen van Stichting de Thuiszorg Icare in strijd met de waarheid voor te houden dat er nog een vordering (van [B.V. 5]) ten bedrage van NLG 2.100.000,- / EUR 952.938,45 was en de prijs van EUR 589.914,28 / NLG 1.299.999,82 een goede en/of reële prijs zou zijn, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben verzwegen dat deze claim was vastgesteld op een bedrag van NLG 500.000,- / EUR 226.890,11;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 21 maart 2002, te [plaats], althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een zogenaamde “overname-overeenkomst door middel van overdracht van de aandelen in Icare Thuiszorg Winkels B.V.” - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt/doen opmaken of vervalst/doen vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk in die overeenkomst opgenomen/doen opnemen dat sprake is van een vordering van [B.V. 5] groot EUR 952.938,45 / NLG 2.099.999,88, terwijl deze vordering in werkelijkheid was vastgesteld op een bedrag van NLG 500.000,-- / EUR 226.890,11, althans een lager bedrag, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2002 tot en met 13 februari 2009, te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats], althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten (een gedeelte van) de huisvestingsbijdrage en/of het ten onrechte verrekende deel van de vordering van de [B.V. 5] via Icare Thuiszorgwinkels B.V., heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of van bovenomschreven voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat deze gelden – onmiddellijk of middellijk – waren verkregen door middel van oplichting en/of valsheid in geschrift althans afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode 1 april 2001 tot en met 1 februari 2002, te [plaats], en/of [plaats], althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Stichting De Thuiszorg Icare heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of het aangaan van een schuld, te weten de verkoop van aandelen [B.V. 3] voor de prijs van NLG 1,--, in elk geval enig goed,

hebbende verdachte en/of zijn, verdachtes mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid opzettelijk - aan de Raad van Commissarissen van Stichting De Thuiszorg Icare en/of de Raad van Bestuur van Stichting De Thuiszorg Icare medegedeeld en/of voorgehouden en/of in strijd met de werkelijkheid de indruk gewekt

* dat hij, verdachte, als lid/voorzitter van de Raad van Bestuur van Stichting De Thuiszorg Icare enkel de belangen van Stichting De Thuiszorg Icare zal behartigen bij de verkoop van bedoelde aandelen aan [medeverdachte 2], en/of

* dat de bovengenoemde aandelen vertegenwoordigen een waarde van (niet meer dan) NLG 1,- en/of dat de waarde van die aandelen laag is en/of

- aan de Raad van Commissarissen van Stichting De Thuiszorg Icare en/of de Raad van Bestuur van Stichting De Thuiszorg Icare verzwegen dat hij, verdachte, financieel belang heeft, dan wel zal hebben in de kopende vennootschap, te weten [medeverdachte 2]. en/of

- waardeverhogende factoren niet, dan wel onvoldoende betrokken of laten betrekken bij het bepalen van de waarde van de betreffende aandelen, immers heeft (hebben) verdachte en/of zijn mededader(s) (onder meer) aan de Raad van Commissarissen en/of de Raad van Bestuur van Stichting De Thuiszorg Icare niet en/of/althans onvoldoende gewezen op

* de stijging van het CTG-tarief en/of de procentuele stijging van het CTG-tarief welk door Stichting De Thuiszorg Icare aan [B.V. 3] zou worden betaald per geleverd zorguur, en/of

* de stijging van de productieomvang zorguren van [B.V. 3], dit mede op basis van een nieuw (service)contract tussen Stichting De Thuiszorg Icare en [B.V. 3], en/of

* de voorgestelde en/of afgesproken verlaging en/of kwijtschelding en/of sanering van een aanzienlijk deel van de achtergestelde schuld van [B.V. 3] aan Stichting De Thuiszorg Icare en/of het aanzuiveren van het negatief vermogen van [B.V. 3] door Stichting De Thuiszorg Icare, en/of

* de positieve marktontwikkelingen voor [B.V. 3],

welke factor(en) waardeverhogende invloed zou(den) hebben gehad op de waarde van de aandelen van [B.V. 3]

en/of/althans

- aan de Raad van Commissarissen van Stichting De Thuiszorg Icare en/of de Raad van Bestuur van Stichting De Thuiszorg Icare een onjuiste voorstelling van zaken gegeven betreffende de waarde van die aandelen, door in strijd met de waarheid te doen voorkomen dat sprake was van een verliespost en/of dat de prijs van NLG 1,- een goede en reële prijs was;

5.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 2 februari 2002 tot en met 13 februari 2009, te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats], althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer (rechts )perso(o)n(en), althans alleen, (de opbrengst van) aandelen, te weten aandelen [B.V. 3] heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van de aandelen [B.V. 3] gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat (de opbrengst van) bovenomschreven aandelen

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren van oplichting, althans afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

6.

hij in of omstreeks de periode van 4 februari 2002 tot en met 13 februari 2009, te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats], althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van EUR 150.000,--, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, door een cheque, afkomstig van [bedrijf] te [plaats] en gedateerd 9 mei 2000, ter waarde van dat geldbedrag te innen, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geldbedrag afkomstig was van enig misdrijf;

7.

hij op of omstreeks 4 februari 2002 en/of op of omstreeks 19 augustus 2002 te [plaats] en/of (elders) in Nederland,

(telkens) opzettelijk een bij de Belastingdienst voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

- een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2000 en/of

- een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2001

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst te [plaats] ingeleverde aangiftebiljet inkomstenbelasting over genoemd(e) ja(a)r(en) een te laag bedrag aan inkomsten, althans inkomen opgegeven, althans een te laag belastbaar bedrag, terwijl dat/die feit(en) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweer nietigheid van de dagvaarding (feit 3)

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 3 met betrekking tot het onderdeel “het ten onrechte verrekende deel van de vordering van de [B.V. 5]” op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het voor de verdediging onduidelijk is wat bedoeld wordt met het verrekende deel alsmede wat het ten onrechte verrekende deel zou zijn.

Het hof acht de tenlastelegging, anders dan de raadsman stelt, in dit opzicht duidelijk. Evident is dat de steller van de tenlastelegging doelt op de verlaging van de aanvankelijke [B.V. 5] claim van NLG 2.100.000,-- als gevolg van de in februari 2002 tussen de heer [naam] en verdachte gesloten overeenkomst, inhoudende dat aan [B.V. 5] een schadevergoeding zal worden betaald van NLG 500.000,--. De aanvankelijke claim ad NLG 2.100.000,-- is in de ogen van de opsteller van de tenlastelegging ten onrechte in zijn geheel in mindering gebracht op de waarde van de aandelen ITW. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het onderdeel “het ten onrechte verrekende deel”, hoewel enigszins ongelukkig geredigeerd, er niet toe leidt dat onder de gegeven omstandigheden niet is voldaan aan de eisen die op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan de inhoud van de dagvaarding worden gesteld.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dienaangaande.

Voor een goed begrip van de feiten is het volgende van belang. Verdachte was (tezamen met mevrouw [getuige 1]) lid van de Raad van Bestuur van de Stichting Icare (nader te noemen: De Stichting). De Stichting kende ook een Raad van Commissarissen. De Stichting was de enig aandeelhouder in [houdstermaatschappij], die op haar beurt weer enig aandeelhouder was van Icare Thuiszorgwinkels BV en [B.V. 3]. Als (enig) bestuurder van [houdstermaatschappij] trad op de secretaris van de Raad van Bestuur van De Stichting, de heer [naam]. Uit de hierboven omschreven structuur en uit getuigenverklaringen blijkt dat het beleid van [houdstermaatschappij] werd bepaald binnen De Stichting.

Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 1A en 1B en 3 (ten dele: huisvestingsbijdrage)

1. Oplichting feit 1A

Aan verdachte [verdachte] is onder feit 1A tenlastegelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan oplichting van Stichting De Thuiszorg Icare (hierna: De Stichting) door – kort gezegd – een huisvestingsbijdrage in de vorm van een inschuld teniet te laten doen door De Stichting, door deze niet te melden bij de Raad van Bestuur en/of de Raad van Commissarissen van De Stichting en deze niet te laten verwerken in de boekhouding van De Stichting.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

1.1. Feitelijke gang van zaken

Het hof sluit zich op grond van het strafdossier met codenaam “Zorg” en het verhandelde ter terechtzitting grotendeels aan bij de overwegingen van de rechtbank voor zover betrekking hebbende op de weergave van de feitelijke gang van zaken, zoals opgenomen op pagina 6 tot en met 10 van het vonnis waarvan beroep.

Uit de hieronder vermelde tot de gedingstukken behorende documenten blijkt ten aanzien van het pand [adres] te [plaats] het volgende.

In juni 2001 heeft de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van De Stichting besloten om Icare Thuiszorgwinkels B.V. (hierna: ITW) door middel van een management buy-out af te stoten. Directeur van ITW is medeverdachte [medeverdachte 1]. ITW is gevestigd in het pand [adres] te [plaats], welk pand ITW in eigendom toebehoort.

Door De Stichting, vertegenwoordigd door haar Raad van Bestuur, bij monde van de voorzitter, verdachte [verdachte], is in 2001 opdracht gegeven aan het makelaarskantoor [makelaarskantoor] om ten behoeve van de management buy-out het pand aan de [adres] te taxeren. Ing. [naam], makelaar/taxateur o.g., werkzaam voor genoemd kantoor, heeft op 16 oktober 2001 een taxatierapport uitgebracht (D3-022). De taxateur heeft de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik, per 16 oktober 2001 vastgesteld op NLG 1.680.000,-- en de executiewaarde vrij van huur en gebruik op NLG 1.470.000,--.

Tot de gedingstukken behoren een tweetal documenten, beide gedateerd 3 oktober 2001, afkomstig van de commercieel directeur van de Eurocommerce Robex Groep B.V. (hierna: Eurocommerce), de heer [naam], en gericht aan De Stichting, ter attentie van de heer [verdachte] (D3-019 en D3-006). Volgens de inhoud van die brieven zijn ze een vervolg op eerdere contacten tussen Eurocommerce en verdachte [verdachte]. De brieven hebben betrekking op de door verdachte [verdachte], namens De Stichting, gestelde uitgangspunten met betrekking tot de huur door De Stichting van Eurocommerce van de in aanbouw zijnde kantoorvilla “[naam]”, gelegen in het [adres] te [plaats]. De beide brieven zijn wat inhoud betreft gelijkluidend, behoudens op het onderdeel van “de huisvestingsbijdrage” op de derde bladzijde.

De in het dossier onder bijlage D3-019 opgenomen brief bevat op bladzijde 3 de volgende passage:

“Huisvestingsbijdrage: Indien Icare gebruik maakt van bovenstaande huisvestingsmogelijkheid binnen kantoorgebouw “[naam]”, stelt Eurocommerce een financiële compensatie beschikbaar ten bedrage van

f 1.300.000. Deze compensatie wordt betaalbaar gesteld per 1 september 2002 en kan vrij door Icare worden besteed”.

Deze passage ontbreekt in de voor het overige gelijkluidende brief, die is opgenomen in het dossier onder bijlage D3-006.

Tot de gedingstukken behoort voorts een brief d.d. 16 oktober 2001 (D3-023), afkomstig van Eurocommerce in de persoon van de heer [naam], gericht aan de heer [naam] (het hof begrijpt: [verdachte]), waarin de volgende passage is opgenomen:

“Hierbij bevestigen wij de inhoud van onze bespreking van 15 oktober j.l. (…)

In verband met de huur van kantoorgebouw “[naam]”, te [plaats] hebben Eurocommerce en Icare Thuiszorgwinkels B.V. de intentie te komen tot verwerving van het kantoor en bedrijfscomplex gelegen aan de [adres] te [plaats]. De uitgangspunten zijn als volgt:

(…)

De koopprijs voor het object bedraagt f 3.288.888,-- (zegge: driemiljoentweehonderdachtentachtigduizendachthonderdachtentachtig gulden), excl. BTW, v.o.n.. (…)

Icare Thuiszorgwinkels B.V. of een door haar aan te wijzen koper verplicht zich om het bedrijfscomplex van Eurocommerce terug te kopen en wel op uiterlijk 1 april 2002. De terugkoopprijs bedraagt f 3.288.888,-- (zegge: driemiljoentweehonderdachtentachtigduizendachthonderdachtentachtig gulden) excl. BTW, kosten koper, welke koopprijs alsdan wordt verminderd met een bedrag van f 1.500.000,-- (zegge eenmiljoenvijfhonderdduizend gulden), excl BTW.”

De heer [naam] is als getuige door Belastingdienst/FIOD-ECD gehoord (bijlage 3-G05-02). Hij heeft daarbij aangaande vorenstaande onder meer het volgende verklaard:

“Het initiatief tot de transactie tussen Icare Thuiszorgwinkels B.V. (als verkoper) en Eurocommerce met betrekking tot de [adres] te [plaats] is genomen door de Stichting Thuiszorg Icare. De heer [verdachte] trad op namens Icare.

In het stuk, door u genummerd D3-019, staat op pagina 3 vermeld dat er door Eurocommerce een huisvestingsbijdrage van f 1.300.000,- zou worden betaald aan Stichting Thuiszorg Icare. Dit had te maken met de verhuur door Eurocommerce van het pand [naam] aan Stichting Thuiszorg Icare. Dit stuk is door mij opgemaakt en vervolgens opgestuurd ter beoordeling aan de heer [verdachte] van Icare. De heer [verdachte] moet toen kennelijk met het voorstel zijn gekomen om de huisvestingsbijdrage op een andere wijze te regelen. Hij moet toen zijn gekomen met het definitieve voorstel om het pand [adres] te [plaats] in de onderhandelingen te betrekken. De heer [verdachte] kwam toen kennelijk met het volgende voorstel.

Eurocommerce moest het pand [adres] te [plaats] kopen voor een prijs van f 3.000.000 en binnen een half jaar weer verkopen aan Icare Thuiszorgwinkels B.V. of een door Icare Thuiszorgwinkels aan te wijzen koper. De verkoopprijs van Eurocommerce werd destijds meteen vastgesteld op f 3.288.888 verminderd met een bedrag van f 1.500.000.

Daarna is door mij, op verzoek van [verdachte], een nieuwe brief gedateerd 3 oktober 2001 opgemaakt, door u genummerd D3-006. In deze brief is de passage op pagina 3 betreffende de huisvestingsbijdrage weggelaten. Eurocommerce is hier in meegegaan omdat Eurocommerce hier financieel niets te kort kwam. Daar kwam nog bij dat Eurocommerce maar één belang had en dat was de verhuur van het kantoorpand [naam]. In eerste instantie was het de bedoeling om de huisvestingsbijdrage te betalen via de verhuur van het pand [naam] aan Stichting Thuiszorg Icare. Door de kosten voor de huisvestingsbijdrage te laten vervallen en dit bedrag te verdisconteren in de te dure inkoop van het pand [adres] leed Eurocommerce per saldo geen financiële schade. Het voordeel voor Icare betreffende deze transactie komt kennelijk niet ten goede aan Stichting Thuiszorg Icare maar aan de koper van het pand [adres] te [plaats]”

Ter terechtzitting van het hof heeft de getuige [naam] deze verklaring op hoofdpunten bevestigd. Zo heeft [naam] verklaard zeker te weten dat hij met verdachte [verdachte] over de huisvestingsbijdrage heeft gesproken. [naam] heeft verklaard dat Eurocommerce aanvankelijk een voorstel heeft gedaan om een huisvestingsbijdrage toe te kennen, maar dat in een alternatief voorstel de huisvestingsbijdrage volledig of ten dele kwam te vervallen omdat vanuit Icare het voorstel kwam om het pand aan de [adres] te kopen. [naam] heeft verklaard dat hij denkt dat dit initiatief van verdachte [verdachte] kwam. [naam] heeft voorts verklaard dat hij zich kan herinneren dat de huisvestingsbijdrage aan “[naam]” versleuteld werd in een hogere aankoopprijs van het pand [adres].

Uit het verslag van de bijeenkomst van 30 oktober 2001 tussen de Raad van Bestuur van De Stichting, in de persoon van verdachte [verdachte] en ITW in de persoon van medeverdachte [medeverdachte 1] (D3-062), volgt dat partijen toen in overleg met een vertegenwoordiger van [acc.kantoor 1] het concept-rapport van [acc.kantoor 1] inzake het financiële overzicht januari–juni 2001 betreffende ITW hebben vastgesteld, hetgeen zou dienen als document voor de waardebepaling van de aandelen van ITW B.V. door [acc.kantoor 2], sluitend met een eigen vermogen van NLG 1.304.000,--. Partijen zijn blijkens het gespreksverslag op 30 oktober 2001 overeengekomen dat (dit) eigen vermogen nog gecorrigeerd diende te worden in verband met de taxatiewaarde van het pand [adres] te [plaats]. De boekwaarde van het pand zou in het rapport namelijk NLG 66.000,-- te hoog zijn bepaald.

De waarde van de aandelen (overnamebalans 30 juni 2001) wordt door [acc.kantoor 2] op 9 november 2001 gewaardeerd op een bedrag tussen NLG 2.500.000,-- en NLG 3.000.000,-- (D3-010). Het eigen vermogen per 30 juni 2001 bedraagt NLG 1.304.000,--.

Uit het verslag van de bijeenkomst op 14 november 2001 tussen de Raad van Bestuur van De Stichting en ITW (D3-062) volgt dat partijen overeen gekomen zijn dat de waarde van de aandelen ITW vastgesteld moet worden op NLG 1.300.000,--. Deze verlaging ten opzichte van de prijswaardering door [acc.kantoor 2] houdt verband met de omstandigheid dat in het rapport van voornoemd bureau naar het oordeel van partijen van een foutieve veronderstelling aangaande een te behalen inkoopvoordeel is uitgegaan.

Tot de gedingstukken behoort voorts een brief d.d. 23 november (D3-031), afkomstig van de heer [naam] van Eurocommerce, gericht aan Icare Thuiszorgwinkels B.V. ter attentie van de heer [medeverdachte 1], waarin de volgende passage is opgenomen:

“Met begeleidende brief d.d. 20 november 2001 zonden wij u ondermeer de huurovereenkomst en koopovereenkomst voor bovengenoemd pand. Van deze overeenkomsten maakt onverbrekelijk onderdeel uit de verkoop van het pand door Eurocommerce Robex Groep B.V. aan [B.V. 1] De koopsom ad NLG 1.462.499,-- exclusief B.T.W. is gebaseerd op mijn fax aan de heer [naam] d.d. 9 november 2001, referentie 0729/GS/mk, waarvan u bijgaand een afschrift aantreft. Op voorwaarde dat de huurovereenkomsten voor de [adres] en kantoorgebouw “[naam]” te [plaats], die reeds in uw bezit zijn, worden getekend bevestigt Eurocommerce Robex Groep B.V. het pand [adres] te [plaats] terug te leveren aan [B.V. 1] overeenkomstig de bepalingen van de conceptovereenkomst d.d. 2 november 2001, referentie 97605/we/ges, welke u en ons op 22 november 2001 door de heer [naam] van notariskantoor [notariskantoor] is toegezonden.”

De betreffende fax d.d. 9 november 2001 bevindt zich eveneens onder de stukken (D3-030).

Uit de koopovereenkomst van eind november 2001 (D3-001) tussen medeverdachte [medeverdachte 1] handelend als directeur van ITW en een vertegenwoordiger van Eurocommerce blijkt dat het pand [adres] te [plaats] door ITW aan Eurocommerce is verkocht voor NLG 3.000.000,--. Met ingang van de leveringsdatum heeft Eurocommerce volgens die overeenkomst het verkochte pand verhuurd aan ITW tegen een aanvangshuurprijs van NLG 296.000,-- per jaar. Bij notariële akte van 11 december 2001 (D3-002) heeft de levering van het pand plaatsgevonden.

Op 21 maart 2002 heeft de management buy-out plaatsgevonden waarbij de aandelen van ITW aan [B.V. 1] werden overgedragen. Medeverdachte [medeverdachte 1] is 100% aandeelhouder in deze vennootschap.

Bij notariële akte van 12 april 2002 (D3-005) is het pand [adres] te [plaats] door Eurocommerce overgedragen aan [B.V. 6], vertegenwoordigd door haar directeur, medeverdachte [medeverdachte 1], tegen een koopsom van € 663.653,11. [B.V. 6] neemt volgens deze notariële akte de lopende huurovereenkomst over.

1.2. Beoordeling

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte [verdachte] geen betrokkenheid heeft gehad bij het bewerkstelligen van een verband tussen de huur van het pand “[naam]” en de verkoop en latere terugkoop van het pand aan de [adres]. De verdediging ontkent dat [verdachte] in enig stadium met [naam] van Eurocommerce over een huisvestingsbijdrage heeft gesproken en stelt dat [verdachte] geen wetenschap had van het bestaan van de huisvestingsbijdrage.

Dat verdachte contact heeft gehad met [naam] over de huur van het pand “[naam]” wordt niet door de verdediging betwist. Dit blijkt ook genoegzaam uit het dossier, waaronder uit de verklaring van [getuige 1] (“Door [verdachte] is destijds de huisvesting in [plaats] geregeld met Eurocommerce). Voor het hof is er geen enkele aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 3] waar het gaat om de bereidheid van Eurocommerce een huisvestingsbijdrage aan De Stichting te bieden. De verklaring vindt steun in de aangetroffen brieven afkomstig van Eurocommerce, waarin het onderhandelingsresultaat met betrekking tot de huur van het pand “[naam]” is neergelegd (D3-006 en D3-019) en de bijgaande begeleidende brief en fax (D3-20 en D3-21) die expliciet gericht zijn aan verdachte. De stelling van de verdediging dat verdachte niet op de hoogte zou zijn geweest van het voorstel van Eurocommerce om bij de huur van “[naam]” een huisvestingsbijdrage aan De Stichting te voldoen, sterker nog dat [verdachte] in het geheel geen wetenschap heeft gehad van de huisvestingsbijdrage, acht het hof dan ook ongeloofwaardig. Het hof wijst erop dat in (de bijlage van) de brief van 5 oktober 2001 (D3-021) wordt gesproken over een huisvestingsbijdrage van fl. 1.500.000,--.

Gelet op vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, gaat het hof er allereerst – anders dan de verdediging - van uit dat er tussen De Stichting, vertegenwoordigd door verdachte [verdachte], en Eurocommerce, vertegenwoordigd door [naam], na overleg overeenstemming was bereikt over de verhuur van de in aanbouw zijnde kantoorvilla “[naam]”, mede inhoudende dat Eurocommerce bereid was een huisvestingsbijdrage van (ten minste) NLG 1.300.000,-- aan De Stichting te leveren. Deze – door de verdediging betwiste – bereidheid van Eurocommerce valt ook af te leiden uit de bereidheid van Eurocommerce om een bedrag van dezelfde orde van grootte te ‘versleutelen’ in de aankoop van het pand aan de [adres] in [plaats].

Op grond van de inhoud van de hierboven omschreven brief van 3 oktober 2001 (zonder passage over de huisvestingsbijdrage) – in onderling verband bezien met de verklaring van [getuige 3], gaat het hof er vervolgens van uit dat op verzoek van verdachte [verdachte] de hierboven bedoelde afspraken (die al bestonden tussen Eurocommerce en De Stichting) zijn gewijzigd, in die zin dat de huisvestingsbijdrage, die op grond van deze afspraken ten goede moest komen aan De Stichting, is komen te vervallen en dat in plaats daarvan ervoor is gekozen om Eurocommerce het al eerdergenoemde pand aan de [adres] te [plaats], dat op dat moment nog in eigendom was bij ITW, te laten kopen voor een bedrag dat om en nabij NLG 1.500.000,-- boven de getaxeerde waarde zou zijn. Deze nieuwe overeenkomst hield tevens in de verplichting voor Eurocommerce om het pand binnen een half jaar weer te verkopen aan ITW of een door ITW aan te wijzen koper, waarbij de toekomstige verkoopprijs al op dat moment werd vastgesteld op NLG 3.288.888,-- minus een bedrag van NLG 1.500.000,--. Aan dit laatste is klaarblijkelijk op 12 april 2002 uitvoering gegeven door de levering van het pand [adres] te [plaats] door Eurocommerce aan [B.V. 6], een vennootschap die werd bestuurd door medeverdachte [medeverdachte 1], die op dat moment nog directeur van ITW was, met dien verstande dat de aankoopsom voor Eurocommerce op NLG 3.000.000,-- werd gesteld.

De bovenomschreven handelwijze van verdachte [verdachte] heeft ertoe heeft geleid dat een substantieel bedrag dat voor De Stichting bestemd was terecht is gekomen in het vermogen van ITW, in een periode waarin reeds duidelijk was dat ITW niet binnen het Icare-concern zou blijven maar zou worden overgenomen door haar directeur, medeverdachte [medeverdachte 1]. Verdachte heeft de door Eurocommerce te betalen huisvestingsbijdrage – die hij, als voorzitter van de Raad van Bestuur, namens De Stichting in het kader van onderhandelingen over de huur van het pand “[naam]” voor De Stichting had gerealiseerd – niet gemeld bij (het collega lid van) de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen, of laten verwerken in de administratie/boekhouding van De Stichting. Hij heeft in de plaats daarvan in de administratie van De Stichting laten opnemen een huurovereenkomst waarin de afspraken over de in verband met de huur overeengekomen huisvestingsbijdrage niet waren opgenomen.

Deze constructie is naar het oordeel van het hof aan te merken als het aanwenden van listige kunstgrepen, waardoor De Stichting bewogen werd tot het tenietdoen van een inschuld.

Indien verdachte [verdachte] het recht op de huisvestingsbijdrage had gemeld bij De Stichting en/of het bij De Stichting administratief/boekhoudkundig had laten verwerken, had het teniet gaan van de vordering op Eurocommerce immers moeten worden verantwoord in die administratie/boekhouding. Op grond van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] kan naar het oordeel van het hof aangenomen worden dat als deze kwestie bekend was geworden bij (de andere leden van) de Raad van Bestuur en/of de Raad van Commissarissen, deze niet akkoord gegaan zouden zijn met het teniet doen gaan van voornoemde inschuld. Met name in het licht bezien van de omstandigheid dat ITW zou worden afgestoten en de huisvestingsbijdrage alsdan niet meer aan De Stichting of een dochter B.V. zou toebehoren.

Het hof acht op grond van vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

2. Witwassen feit 1B en feit 3 (ten dele)

Aan verdachte [verdachte] is onder feit 1B tenlastegelegd dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ongeveer NLG 1.500.000,--, en onder feit 3 dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het witwassen van (een gedeelte van) de huisvestingsbijdrage.

Voor de feitelijke gang van zaken verwijst het hof naar de onder 1.1. geschetste weergave.

2.2. Beoordeling

Uitgangspunt is - ingevolge recente jurisprudentie van de Hoge Raad – dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp en die gedraging derhalve niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Alsdan geldt dat, waar het het ‘voorhanden’ hebben van een goed betreft, een vervolghandeling moet hebben plaatsgevonden, ingegeven door de wens om de herkomst van het goed te verbergen of te verhullen.

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting door het teniet doen gaan van een inschuld (grondfeit), te weten door het versleutelen van de huisvestingsbijdrage in de verkoopprijs van het pand [adres], zoals in de koopovereenkomst tot uitdrukking is gebracht. Het enkele versleutelen van dit bedrag is naar het oordeel van het hof zo nauw verbonden met de bewezenverklaarde oplichting dat deze handeling niet als een witwashandeling aangemerkt kan worden - nog daargelaten dat de tenlastelegging niet ziet op de periode waarin dit heeft plaatsgevonden, namelijk vóór 14 december 2001.

Uit de geschetste feitelijke gang van zaken volgt dat verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] op het moment van het vaststellen van de waarde van de aandelen van ITW op 14 november 2001 wisten dat het pand [adres] voor NLG 3.000.000,-- verkocht zou worden en later door ITW of een door ITW aan te wijzen derde, voor voornoemd bedrag minus NLG 1.500.000 zou worden teruggekocht.

Desondanks wordt voornoemd bedrag van NLG 1.500.000,-- niet bij de bepaling van de prijs van de aandelen ITW betrokken (niet verdisconteerd in het eigen vermogen van ITW). Bij het bepalen van de waarde van de aandelen op NLG 1.300.000,-- is immers ten aanzien van het eigen vermogen uitgegaan van een waarde van onroerend goed (conform taxatiewaarde) van NLG 1.747.000,--. Uit het verslag van de bespreking tussen [verdachte] en [medeverdachte] op 30 oktober 2001 volgt bovendien dat zij overeengekomen zijn daarop nog een waardeverlagende correctie van NLG 66.000,-- toe te passen, nu de boekwaarde te hoog was.

De Raad van Commissarissen is echter op 13 december 2001 akkoord gegaan met de waardebepaling van NLG 1.300.000,-- voor de aandelen ITW, waarbij leidend is de waardebepaling door [acc.kantoor 2] (overnamebalans per 30 juni 2001). Een waardebepaling waarbij ten aanzien van het eigen vermogen dus geen rekening is gehouden met het bedrag van NLG 1.500.000,--. Verdachte [verdachte] heeft verzuimd van vorenstaande melding te maken aan de Raad van Commissarissen dan wel collega’s van de Raad van Bestuur van De Stichting. Daardoor heeft de Raad van Commissarissen ingestemd met een prijsvaststelling van de aandelen ITW zonder hiervan weet te hebben.

Een en ander heeft zich in de periode voorafgaande aan 14 december 2001 afgespeeld, te weten in (eind)oktober-, november- en begin december 2001.

Op 21 maart 2002 heeft vervolgens de overdracht van de aandelen ITW aan [B.V. 1] plaatsgevonden. Op dat moment hebben zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1], gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wetenschap van het feit dat bij de waardering van de aandelen ten onrechte geen rekening is gehouden met een hoger eigen vermogen van NLG 1.500.000,--. van ITW. [B.V. 1], waarvan medeverdachte [medeverdachte 1] 100% aandeelhouder is, verwerft alsdan de aandelen ITW en medeverdachte [medeverdachte 1] krijgt mitsdien op dat moment - indirect – de beschikking over het geldbedrag van NLG 1.500.000,--. Het hof is van oordeel dat verdachte zich aldus tezamen en in vereniging met een ander, heeft schuldig gemaakt aan witwassen, te weten het overdragen van voormeld bedrag dat uit misdrijf afkomstig was. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat door de overdracht van de aandelen ITW het niet langer mogelijk was voor De Stichting (en/of de met haar verbonden houdstermaatschappij) controle uit te oefenen op de financiën van ITW. Door die overdracht werd het voor de Stichting welhaast onmogelijk om op het spoor te komen van de huisvestingsbijdrage, laat staan daarover te beschikken.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof in het kader van het verwijt dat verdachte onder 3. wordt gemaakt, verwezen naar twee pagina’s uit het requisitoir van de officier van justitie waaruit zou volgen dat [verdachte] de huisvestingsbijdrage naar zich toe heeft gehaald (lees: heeft witgewassen). Het hof stelt vast dat deze – gestelde – financiële geldstromen zich voorts hebben voorgedaan in de onder feit 1b tenlastegelegde periode, zij het dat onder feit 1b aan verdachte het witwassen van een geldbedrag wordt verweten. Het hof vat het standpunt van de advocaat-generaal zo op dat deze gestelde financiële geldstromen ten aanzien van beide feiten aangemerkt zouden kunnen worden als witwashandelingen.

Ter onderbouwing van zijn standpunt, stelt de advocaat-generaal dat uit de verklaring van [naam] volgt dat hij van medeverdachte [medeverdachte 1] gehoord zou hebben dat hij in staat was gesteld de aandelen ITW (later: B.V. 7]) goedkoper te kopen dan de feitelijke marktwaarde en dat hij ([medeverdachte 1]) daarvoor aan [verdachte] een bedrag van NLG 1.300.000,-- moest betalen. Dit bedrag diende hij dan terug te betalen binnen drie jaar. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de financiële geldstromen als door de officier van justitie uiteengezet, overeenkomen met het bedrag waarover [naam] heeft verklaard.

Het hof overweegt dienaangaande dat de informatie uit het dossier alsmede de informatie die is aangereikt door het openbaar ministerie en door de raadsman van verdachte onvoldoende volledig is om op grond daarvan te kunnen aannemen dat de betalingen tussen de B.V.’s en verdachte als privé persoon met [B.V. 1] ongerechtvaardigd zijn en/of als witwassen zijn aan te merken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1B verweten gedraging van witwassen in de periode van 14 december 2001 tot en met 21 maart 2002. De in de tenlastelegging genoemde periode eindigende op 1 mei 2007 zal tot voornoemde periode worden bekort.

Het hof is voorts van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte ten aanzien van het omgezette bedrag dat gemoeid ging met de huisvestingsbijdrage in de tenlastegelegde periode van 1 april 2002 tot en met 13 februari 2009, zoals (ten dele) tenlastegelegd onder feit 3, nog witwashandelingen heeft gepleegd zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 2 en 3, ten dele ([B.V. 5]claim)

Aan verdachte [verdachte] wordt onder feit 2 primair verweten dat hij vóór de aandelenoverdracht van ITW die plaatsvond op 21 maart 2002, voor de Raad van Commissarissen heeft verzwegen dat op 7 februari 2002 reeds overeenstemming was bereikt over de omvang van de [B.V. 5]-claim (NLG 500.000,--), welke bedrag substantieel lager was dan het bedrag dat in verband met die claim bij overeenkomst van 14 november 2001 in mindering was gebracht op de verkoopprijs van de aandelen ITW (NLG 2.100.000,--). Het verwijt dat verdachte gemaakt wordt is dat hij zich dientengevolge schuldig heeft gemaakt aan oplichting van De Stichting en aan het witwassen van het te veel verrekende deel.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof sluit zich op grond van het strafdossier met codenaam “Zorg” en het verhandelde ter terechtzitting aan bij de bewijsmotivering als door de rechtbank op pagina’s 10 tot en met 13 van het vonnis waarvan beroep is overwogen ten aanzien van het onder twee primair en subsidiair tenlastegelegde, inhoudende:

“ Uit het verslag van de bijeenkomst tussen de Raad van Bestuur van De Stichting en de directie van ITW inzake de verkoop van aandelen van 14 november 2001 (D3-062, blz. 1854), waarbij aanwezig waren verdachte, handelend namens [B.V.3], voorzitter van de Raad van Bestuur Icare, medeverdachte [medeverdachte 1], directeur ITW, [naam], manager Financieel Economische Zaken en [naam], [acc.kantoor 1], blijkt onder meer het volgende:

“4. Partijen (toevoeging rechtbank: [B.V.1] als koper en [houdstermaatschappij] (nader: [houdstermaatschappij]) als verkoper) komen overeen dat de verkoopprijs van de aandelen ITW f 1.300.000 zal bedragen.

5. Partijen komen overeen dat de verkoper [houdstermaatschappij] balansgaranties zal verstrekken uitgaande van de verklaring van volledigheid van de directie van ITW. Hiervan wordt de claim van [B.V.5] ad f 2.100.000 uitgesloten.

6. ITW is aansprakelijk voor eventuele betaling van een claim ad

f 2.100.000 voor welk bedrag Stichting de Thuiszorg Icare en ITW beiden zijn gedagvaard.”

Uit het verslag van de Raad van Commissarissen van 12 december 2001 (het hof begrijpt: 13 december 2001) (D3-016, blz. 1633) van De Stichting blijkt dat zij akkoord gaat met de verkoop van de aandelen ITW, waarbij de schadeclaim van [B.V.5] door ITW wordt overgenomen.

Uit het inhoudelijke verslag van de Raad van Commissarissen (D3-017, blz. 1638) blijkt dat de uitkomst van de taxatie van ITW door het bureau [acc.kantoor 2] als uitgangspunt voor het verkoopbedrag wordt genomen.

In dat verslag is onder meer het volgende vermeld:

“Een waarde van 3,5 miljoen gulden wordt alles wegende realistisch geacht. Een nog af te wikkelen schadeclaim van [B.V.5] op Icare/ITW bedraagt 2,1 miljoen gulden. De claim wordt in mindering gebracht op de vastgestelde waarde. Icare wordt gevrijwaard van alle financiële gevolgen die te maken hebben met onderhavige claim.

Onderhandelingen over de verkoopprijs hebben geresulteerd in een verkoopprijs van 1,3 miljoen gulden. Dit is het bedrag dat Icare verwerft voor de verkoop van de aandelen.”

Op grond van het voormelde is de rechtbank van oordeel dat, na instemming van de Raad van Commissarissen, al op 14 november 2001 tussen enerzijds [B.V.1] als koper en anderzijds [houdstermaatschappij] als verkoper is overeengekomen dat de aandelen van ITW zullen worden verkocht voor een bedrag van 1,3 miljoen gulden en dat ITW aansprakelijk is voor de mogelijke gevolgen van de claim van [houdstermaatschappij].

De afspraken zijn geformaliseerd in “de overname overeenkomst door middel van overdracht van de aandelen in Icare Thuiszorgwinkels B.V.” van 21 maart 2002 (D3-009, blz. 1541), waarbij partij zijn [B.V.1] als koper, [houdstermaatschappij] als verkoper, de Stichting, vertegenwoordigd door verdachte [verdachte] en ITW, vertegenwoordigd door haar directeur, medeverdachte [medeverdachte 1]. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“- verkoper in het kader van de verkoop van de aandelen door [acc.kanoor 2], een waardebepaling van de vennootschap (rechtbank: ITW) per 30 juni 2001 heeft laten uitvoeren, welke voor partijen uitgangspunt is geweest voor het vaststellen van de koopprijs;

- de waarde van de vennootschap per 30 juni 2001 door [acc. kantoor 2[ is berekend op (circa) € 1.588.230,76, uitgaande van de waardering op activabasis zoals nader is omschreven in dat rapport;

- de Stichting, de vennootschap en hun bestuurders gedagvaard zijn door [B.V.5] c.s. teneinde zich onder andere te weren tegen een vordering groot in hoofdsom € 952.938,45;

- partijen vervolgens hebben afgesproken dat de vennootschap de volledige draagplicht ten aanzien van deze vordering op zich neemt, welke om die reden op de bovengemelde waarde van de vennootschap in mindering is gebracht.

De koopprijs bedraagt € 589.914,28.”

De rechtbank kan de officier van justitie in het licht van hetgeen hierboven is weergegeven niet volgen in het verwijt dat hij verdachte [verdachte] onder feit 2 primair heeft tenlastegelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan meer in het bijzonder niet wettig en overtuigend worden bewezen dat hij (al dan niet samen met anderen) de Raad van Commissarissen van De Stichting toen deze in moest stemmen met de verkoop van de aandelen ITW, in strijd met de waarheid heeft voorgehouden dat de vordering van [B.V.5] nog altijd fl. 2,1 miljoen gulden bedroeg en daarbij heeft verzwegen dat deze claim was vastgesteld op een bedrag van fl. 500.000,--, en dat daarom de prijs van € 589.914,28 een goede en/of reële prijs zou zijn.

Weliswaar stelt de rechtbank vast dat verdachte [verdachte] in de maand februari 2002 betrokken is geweest bij onderhandelingen over het uiteindelijke bedrag aan te betalen schadevergoeding aan [B.V.5] als gevolg van de door die organisatie neergelegde claim, welke onderhandelingen uiteindelijk hebben geleid tot overeenstemming over een te betalen bedrag aan schade van fl. 500.000,--, maar vast staat dat deze onderhandelingen en de daaropvolgende afspraak over het te betalen bedrag aan schadevergoeding, geen invloed kunnen hebben gehad op de al in november 2001 tussen [B.V.1] en [houdstermaatschappij]gemaakte afspraken over de verkoopprijs van de aandelen ITW, aan welke afspraken, zoals uit het bovenstaande blijkt, in december 2001 door de Raad van Commissarissen goedkeuring is verleend. Dat de verkoopprijs van de aandelen fl. 1,3 miljoen zou moeten bedragen is, met andere woorden, reeds toen vastgesteld door partijen. Onderdeel van de gemaakte overeenkomst was verder dat de aansprakelijkheid voor de mogelijke financiële gevolgen van de vordering van [B.V.5], die eind 2001 nog altijd fl. 2,1 miljoen bedroeg, bij ITW kwam te liggen. De hoogte van het uiteindelijk aan [B.V.5] naar aanleiding van die claim te betalen bedrag stond op dat moment nog niet vast. Het ging immers slechts om een claim en dat gegeven was ook bij de Raad van Commissarissen bekend. Desondanks is er bij het vaststellen van de verkoopprijs voor gekozen om het volledige bedrag van de claim in mindering te brengen op de door de waardedeskundigen vastgestelde waarde van de aandelen ITW en de aansprakelijkheid voor de claim neer te leggen bij ITW, waardoor Icare (de Stichting/[houdstermaatschappij]) vanaf dat moment was gevrijwaard van alle financiële gevolgen van die claim. Hoewel het uit een oogpunt van een adequate informatievoorziening wellicht voor de hand had gelegen dat verdachte [verdachte] voor de overname van ITW door een rechtspersoon van medeverdachte [medeverdachte 1] de Raad van Commissarissen van De Stichting van de bereikte resultaten met betrekking tot de [B.V.5]-claim op de hoogte had gesteld, was dit van geen enkele invloed meer geweest. Dat verdachte [verdachte] één en ander kennelijk heeft nagelaten levert derhalve, anders dan de officier van justitie heeft gesteld, geen oplichting op.

Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank bewezen worden dat verdachte [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, zoals hem dat onder feit 2 subsidiair wordt verweten.

De overeenkomst van 21 maart 2002 bevat immers een correcte weergave van de afspraken die al in november 2001 tussen [B.V.1] en [houdstermaatschappij] zijn gemaakt over de verkoopprijs en de overname van de [B.V.5]-claim door ITW. De betreffende overeenkomst, in het bijzonder de daarin opgenomen prijs voor de aandelen ITW, is uit die afspraken voortgekomen. Meer of andere informatie hoefde de overeenkomst niet te bevatten. Dat verdachte [verdachte] daarin niet heeft opgenomen of heeft laten opnemen dat de claim inmiddels was vastgesteld op een bedrag van fl. 500.000,--, een gegeven dat, gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, van geen betekenis was voor de verkoopprijs van de aandelen, betekent dus niet dat de overeenkomst valselijk is opgemaakt.”

Het hof overweegt in aanvulling op vorenstaande nog het volgende.

Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen stelt het hof vast dat ongeacht welke informatie de Raad van Commissarissen nog zou hebben ontvangen die vóór het moment van goedkeuring van de afspraken tussen [B.V.1] en [houdstermaatschappij] nog van invloed zou kunnen zijn geweest op de verkoopprijs van de aandelen ITW., dergelijke informatie ná dat moment De Stichting niet meer kan ontheffen van de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst d.d. 14 november 2001. Hieruit volgt dat, door welke gedraging dan ook, de Raad van Commissarissen/De Stichting ten aanzien van de prijs waarvoor de aandelen ITW van de hand zijn gedaan in de tenlastegelegde periode niet meer ergens toe bewogen kon worden.

De verklaring van medebestuurslid van de Raad van Bestuur [getuige 1], inhoudende dat zij bij de wetenschap van het onderhandelingsresultaat (lees: door verdachte op 7 februari 2002 behaald) nooit akkoord gegaan zou zijn met de verkoop van de aandelen ITW voor de overeengekomen prijs, doet aan vorenstaand oordeel - anders dan door de advocaat-generaal bij requisitoir is gesteld - derhalve niet af.

De advocaat-generaal heeft bij requisitoir nog naar voren gebracht dat in de considerans van de overeenkomst - het hof begrijpt: overname-overeenkomst - van 21 maart 2002 opgenomen is dat partijen nog in onzekerheid verkeren over hun onderlinge rechtsbetrekking ter zake van de vordering van [B.V.5] en dat de vordering NLG

2.100.000,-- bedraagt. Dit terwijl [verdachte] op 7 februari 2002 al overeenstemming had bereikt over een definitieve hoogte van de claim van NLG 500.000,-- en tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] al overeenstemming was bereikt dat [medeverdachte 1] dan wel ITW het gehele risico van de claim zou dragen. Vorenstaande illustreert naar het oordeel van de advocaat-generaal dat [verdachte] door het verzwijgen van het onderhandelingsresultaat niet de belangen van De Stichting heeft behartigd.

Het hof constateert onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen dat de considerans blijkens de tekst beoogt weer te geven hoe destijds de prijs tot stand is gekomen en een correcte weergave behelst van de afspraken die in november 2001 tussen [B.V.1] en [houdstermaatschappij] zijn gemaakt van de destijds tot standgekomen verkoopprijs en de overname van de [B.V.5]-claim door ITW.

Het hof is op grond van de hiervoor vermelde overwegingen van oordeel dat verdachte [verdachte] moet worden vrijgesproken van het verwijt dat hem onder feit 2, primair en subsidiair, is tenlastegelegd. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het feit onder 3, voor zover dat feit betrekking heeft op witwassen met betrekking tot de vordering van de [B.V.5]. Niet bewezen kan immers worden dat er sprake is van een ten onrechte verrekend deel van de vordering van de [B.V.5] via ITW.

Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 4 en 5

1. Oplichting feit 4

Onder feit 4 wordt verdachte [verdachte] verweten De Stichting opgelicht te hebben in verband met de overdracht van de aandelen [B.V.3] (hierna: [B.V.3]) aan [medeverdachte 2].

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

1.1. Feitelijke gang van zaken

In 1999 hebben de Raad van Commissarissen en de Raad van Bestuur van De Stichting besloten om zich meer te richten op de publiekrechtelijke taken van de zorg en minder op de commerciële activiteiten. Dit heeft er toe geleid dat is besloten om de commerciële activiteiten te beëindigen en onderdelen binnen De Stichting die commerciële activiteiten uitvoeren af te stoten.

Verdachte [verdachte] was voorzitter van de tweehoofdige bestuur van De Stichting en had in 2000/begin 2001 het voornemen om de aandelen van [B.V.3], een onderneming binnen De Stichting die op commerciële basis zorg verleende (D2-088), door middel van een management buy-out over te nemen. Dit voornemen heeft hij kenbaar gemaakt aan de voorzitter van de Raad van Commissarissen, de heer [getuige 2] (D2-070). Deze heeft hem medegedeeld dat als [verdachte] door middel van een management buy-out [B.V.3] wenste over te nemen, hij zijn werkzaamheden voor De Stichting zou moeten neerleggen in verband met de zogenoemde ‘twee-pettenproblematiek’ (2-G02-01). Uit de verklaring van [getuige 2] kan worden opgemaakt dat hij de mening was toegedaan dat de functie van voorzitter van de Raad van Bestuur van De Stichting niet samenging met die van belanghebbende/ overnamepartij van [B.V.3].

Op 1 april 2001 heeft [verdachte] nog namens De Stichting een service-overeenkomst met [B.V.3] in de persoon van de directrice, mevrouw [naam] gesloten, waarin overeengekomen werd dat [B.V.3] met ingang van 2001 voor het verlenen van diensten 87.5% zou ontvangen van het tarief dat De Stichting voor een lopend jaar was overeengekomen met het zorgkantoor en was goedgekeurd door het CTG.

In het voorjaar van 2001 heeft [verdachte] besloten toch voor De Stichting te blijven werken en van zijn plan tot overname af te zien. Dit heeft [verdachte] op 31 mei 2001 aan de voorzitter van de Raad van Commissarissen, de heer [getuige 2] meegedeeld: “Ik heb nog eens goed nagedacht over het wel of niet in dit stadium opstappen bij Icare. Mijn besluit is dat ik blijf en dat ik de komende jaren mij blijf inzetten voor de organisatie” (D2-080).

Een aantal dagen later, op 5 juni 2001 heeft de Raad van Bestuur aan de Raad van Commissarissen een notitie aangeboden over de definitieve ontvlechting en vervreemding van [B.V.3]. De directie van [B.V.3], in de persoon van directrice [naam], geeft aan de onderneming te willen voortzetten op basis van een management buy-out (D2-001).

De Raad van Commissarissen is op 18 juni 2001 op basis van de beleidsnota: “definitieve ontvlechting en vervreemding” akkoord gegaan met deze ontvlechting (D2-097 en D2-061). Uit het aanvaarde voorstel in de nota volgt dat:

“ 6. Verdere procedure:

a) de RvC verleent de RvB goedkeuring tot het afstoten / privatiseren van de ondernemingen [B.V.3]/SBTN en TZW (het hof begrijpt: ITW);

b) de RvB stelt vast onder welke voorwaarden beide ondernemingen afgestoten / geprivatiseerd kunnen worden.”

Verdachte [verdachte] heeft [naam] hiervan op 25 juni 2001 op de hoogte gesteld (D2-062).

Tot de gedingstukken behoort een memo d.d. 26 juni 2001 van mevrouw [naam], directrice van [B.V.3], waarin ondermeer vermeld is: “[naam], naar aanleiding van het gesprek met [naam] d.d. 18 juni jl. en ons gesprek d.d. 20 juni heb ik voor mijzelf het een en ander op een rijtje gezet en ben tot de volgende conclusie gekomen”. In dit memo wordt vervolgens omschreven hoe de aandelen verdeeld kunnen worden tussen [verdachte] en [naam]. [verdachte] 75% en [naam] 25%, of ieder 50%, maar in ieder geval zou elk 50% van de zeggenschap moeten hebben.

Op 12 oktober 2001 is [medeverdachte 2] opgericht, waarvan [naam] enig aandeelhouder en bestuurder is. [naam] heeft verklaard dat [medeverdachte 2]. is opgericht om de aandelen van [B.V.3] onder te brengen (V5-07).

Uit de notitie van het onderhandelingsresultaat met betrekking tot de verkoop van de aandelen van [B.V.3] aan [medeverdachte 2] d.d. 31 oktober 2001, afkomstig van de heer [naam], manager Financieel Economische Zaken van De Stichting, volgt dat [medeverdachte 2] en [B.V.3] in de persoon van de heer [naam], het volgende zijn overeengekomen:

- waardebepaling aandeel [B.V.3] NLG 1,--;

- [B.V.3] zal met De Stichting tot een overeenkomst van vijf jaar tot levering/overneming van zorg komen. De goodwill zal gelet op de door [acc.kantoor 1] opgestelde halfjaarcijfers op nihil gesteld worden (D2-004).

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting is af te leiden dat de prijs voor de aandelen [B.V.3] tot stand is gekomen door onderhandelingen tussen aan de ene kant mevrouw [naam], (de aandeelhouder en bestuurder van [medeverdachte 2]) en de heer [naam] (fiscaal jurist en haar administrateur), namens de koper [medeverdachte 2] en aan de andere kant de heer [naam], directeur [B.V. 3] en verdachte [verdachte], ondersteund door medewerkers van [acc.kantoor 1], waaronder de heer [naam], namens de verkoper [B.V/.8]. Op basis van historische gegevens (de balansgegevens over de eerste helft van 2001) zijn partijen uiteindelijk tot een overnameprijs van NLG 1,-- gekomen. Daarbij is tevens afgesproken dat een schuld ten bedrage van NLG 852.500,-- door [medeverdachte 2] zal worden overgenomen.

Tot de gedingstukken behoort voorts een door [naam] opgemaakte concept optieovereenkomst d.d. 22 november 2001 tussen [verdachte] en [naam]. Hierin wordt door [naam] aan verdachte en zijn vrouw, mevrouw [vrouw verdachte], in haar hoedanigheid van enig statutair directeur van “[B.V.9]” een onherroepelijk recht tot koop en verkrijging van 75% van de geplaatste aandelen in het kapitaal van [medeverdachte 2] aangeboden (D2-044).

Uit een schrijven van [naam] d.d. 7 december 2001 gericht aan mevrouw [naam] volgt dat de statuten van [B.V.3] gewijzigd dienen te worden in verband met het instellen van een Raad van Commissarissen (D2-083).

Uit een brief d.d. 14 december 2001 van [naam] aan [notariskantoor] volgt dat verdachte en [naam] zelf als commissarissen werden voorgesteld (D2-085). Een kopie van deze brief is met begeleidend schrijven door [naam] op 14 december 2001 aan verdachte [verdachte] en [naam] gestuurd (D2-084).

Op de computer van [naam] zijn onder meer 2 concept-optieovereenkomsten aangetroffen. Twee waarin aan verdachte [verdachte] het optierecht van 75% op de aandelen [B.V.3] wordt verleend. Dit document heeft als wijzigingsdatum 19 december 2001 en als dagtekening 20 december 2001 (D2-124 en D2-125).

Op 20 december 2001 heeft de overname van de aandelen [B.V.3] door [medeverdachte 2] plaatsgevonden, met overname van een schuld van NLG 852.500,-- (D2-006).

Reeds in 2001 hebben contacten plaatsgevonden over de verkoop van [medeverdachte 2] aan derden, waaronder [uitzendbureau]. Dit volgt ondermeer uit de tot de gedingstukken behorende offerte/opdrachtbevestiging d.d. 19 december 2001 inzake acquisitie [B.V.3] t.b.v. [medeverdachte 2], afkomstig van mevrouw [naam] en gericht aan [naam]. Hierin beschrijft [naam] dat vanuit de markt is gebleken dat er interesse is voor het kopen van [B.V.3]. Begin 2002 heeft verdachte samen met [naam] contact met [uitzendbureau], in de persoon van de heer [naam], over de verkoop van de aandelen [B.V. 3) (2-G4-01). Deze besprekingen hebben echter niet geresulteerd in de verkoop van de aandelen.

Uit de toelichting op de balans van “[B.V.9]” over het jaar 2003 volgt voorts dat “[B.V.9]” op dezelfde datum, te weten 20 december 2001, het economisch eigendom van 73,78% van het geplaatste aandelenkapitaal in [medeverdachte 2] heeft gekregen (D2-054). In dit verband wijst het hof voorts op een concept optie-overeenkomst die op de computer van [naam] is aangetroffen waaruit blijkt dat een verlaging van het optierecht van 75% naar 73,68% heeft plaatsgevonden (D2-128). Uit D2-018 volgt dat deze verlaging betrekking had op de verkoop van 5% van de aandelen [medeverdachte 2] aan [naam].

In dit kader wijst het hof tot slot op een memo afkomstig van mevrouw [naam] gericht aan verdachte [verdachte] d.d. 25 juni 2003 (D2-048). Hieruit volgt dat [naam] aan verdachte meedeelt dat [naam] (het hof begrijpt: [naam]), met nadruk en klem aangeraden heeft, gezien de risico’s, niet eerder geld uit [medeverdachte 2] te halen dan dat [verdachte] niet meer bij De Stichting werkzaam is.

In 2003 zijn diezelfde aandelen [B.V.3] door [medeverdachte 2] verkocht aan [uitzendbureau] voor een bedrag van ruim 8 miljoen euro.

2.1. Beoordeling

Uit de hierboven weergegeven feitelijke gang van zaken acht het hof het bestaan van de optie-overeenkomst tussen verdachte [verdachte], dan wel een aan hem gelieerde vennootschap, en [naam], in haar hoedanigheid van enig statutair directeur van [medeverdachte 2], bewezen. Het hof wijst in dit verband nog op de verklaring van [naam], werkzaam bij [naam], die verklaard heeft dat de heer [naam], de echtgenoot van mevrouw [naam], hem in een gesprek op 18 mei 2006 heeft toevertrouwd dat [verdachte] een optierecht heeft op het grootste gedeelte van de aandelen [medeverdachte 2]. (2-G-18-01). Illustratief is ook de verklaring van de heer [naam], werkzaam bij [naam]., inhoudende dat de heer [naam] hem toevertrouwd heeft dat [verdachte] een belang heeft in [medeverdachte 2] en dat dit onderdeel uitmaakte van de deal rond de aankoop van het bedrijf [B.V.3]; een kwestie van: “take it or leave it” (2-G21-01).

Reeds voordat de aandelenoverdracht [B.V.3] aan [medeverdachte 2] op 20 december 2001 heeft plaatsgevonden, had [verdachte] aldus een belang in [B.V.3] en derhalve een belang bij verwerving door [medeverdachte 2] van de aandelen [B.V.3] tegen zo gunstig mogelijke condities.

[Verdachte] heeft dit belang tegenover de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen verzwegen en heeft desondanks namens De Stichting de overname van [B.V.3] begeleid hetgeen geresulteerd heeft in de overname door [medeverdachte 2] van de aandelen [B.V.3].

Het hof neemt in dit verband in aanmerking het bepaalde in artikel 7 lid 2 van de Statuten van De Stichting, welk artikel bepaalt:

“De Raad van Commissarissen vertegenwoordigt de stichting in gevallen waarin naar zijn oordeel sprake is van tegenstrijdig belang tussen een lid of meerdere leden van de Raad van Bestuur en de Stichting.”

Van zogenoemd ‘tegenstrijdig belang’ is sprake als een persoonlijk belang van een bestuurder tegenstrijdig is met een belang van – in dit geval – De Stichting. Alsdan geldt dat dit belang zodanig van invloed kan zijn geweest op de besluitvorming van de betrokken bestuurder dat hij zich niet in staat had mogen achten het belang van – in dit geval – De Stichting met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen.

Uit het feit dat de wet met betrekking tot een stichting niet voorziet in een statutair verplichte tegenstrijdigbelangregeling en er in de statuten van De Stichting niettemin kennelijk bewust voor is gekozen om een tegenstrijdigbelangregeling te incorporeren, inhoudende een toekenning van besluitvormingsbevoegdheid in situaties van tegenstrijdig belang aan een daartoe ingerichte Raad van Commissarissen, volgt dat De Stichting in gevallen van tegenstrijdig belang tussen De Stichting en haar bestuur dan wel haar individuele bestuurders, de Raad van Commissarissen zeggenschap casu quo vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft willen toekennen in situaties als de onderhavige.

Hieruit kan naar het oordeel van het hof genoegzaam worden afgeleid dat wetenschap bij de Raad van Commissarissen/(de voltallige) Raad van Bestuur van het bestaan van de in de toekomst te finaliseren en in rechte uit te oefenen optie-overeenkomst van verdachte, op basis van de Statuten reeds voldoende aanleiding zou zijn geweest om verdachte bij de totstandkoming van de onderhavige transactie van iedere besluitvorming - zoals die ondermeer op 18 juni 2001 aan verdachte is toegekend - uit te sluiten. Bij deze wetenschap had de Raad van Commissarissen immers uit hoofde van haar eigen statutaire bevoegdheid de onderhandelingen aangaande de bepaling van de waarde van de aandelen [B.V.3] moeten aangaan en zelf moeten besluiten onder welke condities de ontvlechting gestalte zou krijgen. Daarmee is naar het oordeel van het hof gegeven - mede indachtig de verklaring van [getuige 2] aangaande de zgn. ‘twee-pettenproblematiek’ - dat de Raad van Commissarissen geen goedkeuring zou hebben gegeven de besluitvorming aangaande de condities waaronder de ontvlechting van [B.V.3] zou moeten plaatsvinden aan verdachte over te laten en evenmin goedkeuring hebben verleend tot de overdracht van de aandelen [B.V.3] voor NLG 1,-- (of welke andere prijs dan ook).

Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte mitsdien door het verzwijgen van het financiële belang dat hij had in de kopende vennootschap [medeverdachte 2], De Stichting heeft bewogen tot afgifte van de aandelen [B.V.3] (voor een bedrag van NLG 1,--). Dat verdachte daarbij gehandeld heeft met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling volgt uit het financiële belang dat hij zich tezamen met [naam] door middel van een optie-overeenkomst heeft verschaft.

Het hof is evenwel van oordeel dat, op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, onvoldoende is komen vast te staan dat de prijs van NLG 1,-- geen reële prijs was. Mede in het licht bezien van de omstandigheid dat waardebepaling niet los gezien kan worden van de intentie waarmee tot overdracht besloten wordt; in onderhavig geval heeft de Raad van Commissarissen besloten om [B.V.3] af te stoten door middel van een management buy-out. De condities - onder meer de prijsbepaling – waaronder de aandelenoverdracht gestalte krijgt in een geval als het onderhavige, kunnen dientengevolge aanzienlijk verschillen van een situatie waarbij een commerciële partij de aandelen overneemt. Naar het oordeel van het hof is voorts niet komen vast te staan dat verdachte bij de waardebepaling van de aandelen [B.V.3] waardeverhogende factoren niet dan wel onvoldoende betrokken heeft of heeft laten betrekken door De Stichting onvoldoende te wijzen op de stijging van het CTG-tarief, de stijging van de productieomvang zorguren van [B.V.3], de verlaging/kwijtschelding/sanering van de schuld, dan wel de positieve marktontwikkeling voor [B.V.3].

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de Raad van Commissarissen / Raad van Bestuur listiglijk en bedrieglijk heeft voorgehouden dan wel in strijd met de werkelijkheid de indruk heeft gewekt dat hij de belangen van De Stichting zou behartigen bij de verkoop van de aandelen [B.V.3] aan [medeverdachte 2] en heeft verzwegen een financieel belang te hebben (al dan niet middellijk en al dan niet door middel van opties) in de kopende vennootschap [medeverdachte 2] waardoor hij De Stichting heeft bewogen tot afgifte van de aandelen [B.V.3] voor de prijs van NLG 1,--.

2. Witwassen feit 5

Onder feit 5 wordt verdachte [verdachte] verweten het witwassen van de opbrengst van de aandelen [B.V.3] die hij middels eerdergenoemde oplichting heeft verkregen.

Voor de feitelijke gang van zaken verwijst het hof naar de onder 1.1. geschetste weergave.

2.1. Beoordeling

Uit recente jurisprudentie van de Hoge Raad betreffende witwassen volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Die gedraging kan alsdan niet als witwassen worden gekwalificeerd. Alsdan geldt dat, waar het een ‘voorhanden’ hebben van een goed betreft, een vervolghandeling moet hebben plaatsgevonden, ingegeven door de wens om de herkomst van het goed te verbergen of te verhullen.

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting door De Stichting tot afgifte van de aandelen [B.V.3] aan [medeverdachte 2] te bewegen, nu hij verzwegen heeft over een recht tot optie op 75% van de aandelen in [medeverdachte 2] te beschikken. Verdachte [verdachte] kon door het uitoefenen van de optie-overeenkomst aanspraak maken op 75% van de aandelen en mitsdien alsdan in zijn hoedanigheid van aandeelhouder aanspraak maken op 75% van de uitkeerbare winst van de vennootschap [medeverdachte 2]. Het enkele voorhanden hebben/krijgen van het recht op levering van deze aandelen en indirect het recht op de uitkeerbare winst na effectuering van de optie-overeenkomst op het moment van overdracht van de aandelen [B.V.3] aan [medeverdachte 2] op 20 december 2001 is naar het oordeel van het hof zo nauw verbonden met de bewezenverklaarde oplichting, dat deze handeling niet aan te merken is als een witwashandeling. [medeverdachte 2] is immers opgericht met als doel om de aandelen [B.V.3] te houden.

In 2003 zijn de aandelen [B.V.3] door [medeverdachte 2] verkocht aan [uitzendbureau]. voor een bedrag van ruim 8 miljoen euro. Uit een e-mailbericht van de heer [naam] van [naam] aan onder meer zijn collega [naam], d.d.12 februari 2004, volgt dat er

€ 6.100.000,-- is gestald bij [naam], geplaatst op een termijndeposito. Dit bedrag is afkomstig uit de verkoop van de aandelen [B.V.3] aan [uitzendbureau] (D2-105). Uit het dossier volgt dat [verdachte] bemoeienis heeft gehad met de onderhandelingen met [uitzendbureau]

Op het moment van de overdracht van de aandelen [B.V.3] aan [uitzendbureau] heeft verdachte de opbrengst van de aandelen [B.V.3] beschikbaar gekregen, in die zin dat hij door het uitoefenen van de optie-overeenkomst aanspraak kon maken op 75% van de uitkeerbare winst van de vennootschap [medeverdachte 2]

Van de gedingstukken maakt voorts onderdeel uit document D2-30, zijnde een ondertekende overeenkomst tot geldlening van een totaalbedrag van € 665.000,-- d.d. 2 maart 2007 tussen verdachte [verdachte] (schuldenaar) en medeverdachte, [medeverdachte 2] (schuldeiser). Dit bedrag betreft de totaalsom van 4 geldleningen die [medeverdachte 2], onder gunstige condities (lage rente en uitgestelde aflossing) verstrekt heeft aan verdachte op respectievelijk 20 september 2005 (€ 450.000,--), 5 januari 2006 (€ 20.000,--), 6 januari 2006 (€ 95.000,--) en op 1 augustus 2006 (€ 100.000,--).

Door het beschikbaar stellen van de geldleningen heeft verdachte [verdachte], reeds voordat de optieovereenkomst werd geëffectueerd, (een deel van) de opbrengst welke werd verkregen uit hoofde van de verkoop van de aandelen [B.V.3] door medeverdachte [medeverdachte 2] aan [uitzendbureau], verworven. [Naam] droeg overigens wetenschap van het feit dat de aandelen [B.V.3] uit misdrijf afkomstig waren. [Naam] wist immers dat verdachte [verdachte] bij het aangaan van de optie-overeenkomst nog voorzitter van de Raad van Bestuur van De Stichting was. Het is een feit van algemene bekendheid dat in dergelijke gevallen de bestuurder niet zelf bevoegd is de onderhandelingen te voeren en handelingen te verrichten die de vennootschap binden. Ook het hierboven geciteerde memo van [naam] d.d. 25 juni 2003 (D2-048) biedt steun voor de stelling dat [naam] van een en ander op de hoogte was.

Verdachte heeft aldus een geldbedrag voorhanden gehad en verworven dat uit misdrijf afkomstig was en heeft zich dientengevolge aan – het medeplegen van - witwassen schuldig gemaakt.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 6

1. Witwassen

Verdachte wordt onder feit 6 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen door een cheque van € 150.000 te incasseren, zijnde een vergoeding die verdachte in privé zou hebben willen ontvangen in verband met de verkoop van de [naam]-portefeuille. Door de betaling van een deel van de opbrengst van de [naam]-portefeuille via een door een Zwitserse bank uitgeschreven cheque aan toonder te laten lopen, zou [verdachte] de criminele herkomst van het geld verzwegen hebben en zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen.

1.1. Feitelijke gang van zaken

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof sluit zich op grond van het strafdossier met codenaam “Zorg” en het verhandelde ter terechtzitting grotendeels aan bij de bewijsmotivering van de rechtbank, zoals opgenomen op pagina 16 en 17 van het vonnis waarvan beroep.

[Medeverdachte 3] heeft als getuige tegenover de FIOD en ten overstaan van het hof verklaard dat verdachte [verdachte] bij de verkoop van de panden die behoorden tot de zogeheten [naam]-portefeuille in privé en buiten het zicht van de formele kanalen een bedrag van NLG 5.000.000,-- wilde verdienen. [medeverdachte 3] heeft aangegeven dat zij vervolgens een bekende van haar, [naam], heeft benaderd om dit vorm te geven en dat [naam] vervolgens voorstelde om de gelden via een contact van hem in Zwitserland, [naam], te laten lopen. [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat verdachte [verdachte] na de verkoop van de eerste vier panden bij haar op kantoor is geweest en dat hij toen een deel van de winst in de vorm van twee of drie cheques aan toonder van haar zou hebben gekregen. Deze cheques had zij weer van [naam] gekregen.

Uit de stukken blijkt dat [naam] op 8 mei 2000 per faxbericht [bedrijf], een in Zwitserland gevestigde bank, een aantal betaalopdrachten heeft gegeven, waaronder de opdracht om een cheque aan toonder ter waarde van € 150.000,-- te verzenden aan [naam]. [naam] heeft tegenover de FIOD verklaard dat deze betaalopdrachten voortvloeiden uit de afspraken die tussen hem en [naam] waren gemaakt over de verdeling van de winst die was gemaakt op de verkoop van een aantal panden uit de [naam]-portefeuille. Volgens [naam] had [naam] nadrukkelijk om een cheque aan toonder gevraagd, maar wat de reden daarvan was of voor wie deze bestemd zou zijn kon [naam] niet zeggen.

De opdracht met betrekking tot de cheque is blijkens de stukken op 9 mei 2000 door [bedrijf] verwerkt en op dezelfde datum per koerier aan [naam] verzonden. Op 4 februari 2002 heeft [bedrijf] per faxbericht aan [naam] laten weten dat de betreffende cheque was verzilverd. Door wie dat is gebeurd vermeldt dit faxbericht niet. Nader onderzoek door de FIOD heeft evenmin uit kunnen wijzen wie deze cheque uiteindelijk geïnd heeft.

[naam] zelf heeft zich dienaangaande tegenover de FIOD op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting van het hof heeft hij ontkend een cheque in handen te hebben gehad en, nadat hij door het hof geconfronteerd werd met de begeleidende brief van [bedrijf], dat hij zich niet meer kan herinneren dat hij die cheque thuisgestuurd heeft gekregen. [naam] heeft het vermoeden geuit dat [medeverdachte 3] de cheque heeft gekregen maar kan zich niet meer herinneren wie haar die cheque heeft overhandigd. Voorts heeft hij verklaard dat hij vermoedt dat de zogenoemde onkostenvergoeding aan de zijde van medeverdachte [medeverdachte 3], alleen maar betrekking kan hebben op [verdachte].

1.2. Beoordeling

Het hof constateert dat feitelijk alleen uit de verklaring van [medeverdachte 3] kan worden opgemaakt dat verdachte [verdachte] een of meer cheques aan toonder zou hebben ontvangen. De verdediging heeft er evenwel terecht op gewezen dat van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 3] niet zonder meer kan worden uitgegaan. Het hof heeft [medeverdache 3] bij uitspraak van heden veroordeeld ter zake van oplichting en valsheid in geschrifte, waarbij een groot deel van haar verklaringen als ongeloofwaardig is aangemerkt. Ook als het hof wel van deze verklaringen zou uitgaan, moet echter worden vastgesteld dat daarmee nog niet het bewijs is geleverd voor de kern van hetgeen aan verdachte [verdachte] is tenlastegelegd, namelijk dat hij de betreffende cheque zou hebben geïnd. Zoals uit het voorgaande blijkt staat dat immers geenszins vast.

Ter terechtzitting heeft het hof verdachte document D1-141 voorgehouden. Hierop zijn handgeschreven aantekeningen met bedragen zichtbaar, waaronder de aantekening: ‘ONTV. 330.000’. Verdachte heeft verklaard dat het handschrift op dat van hem lijkt. Op grond van verschillende getuigenverklaringen en gelet op de verklaring die verdachte [verdachte] ter terechtzitting heeft afgelegd, kan naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat dit document van de hand van verdachte afkomstig is. De inhoud kan echter evenmin tot het bewijs bijdragen. Uit dit document kan immers hooguit worden afgeleid dat verdachte [verdachte] op enig moment en op enige wijze een bedrag van NLG 330.000,-- heeft ontvangen, maar niet dat dit de inning van de cheque van 9 mei 2000 betreft.

Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat voor het onder 6 tenlastegelegde geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 7

1. Aangifte inkomstenbelasting 2000 en 2001

Aan verdachte [verdachte] wordt verweten dat hij over de belastingjaren 2000 en 2001 opzettelijk de aangiften inkomstenbelasting onjuist of onvolledig heeft gedaan, waardoor er te weinig belasting zou zijn geheven. [verdachte] zou over het jaar 2000 een bedrag van NLG 1.099.956,-- hebben ontvangen uit de verkoop van (het grootste deel van) de panden uit de [naam]-portefeuille en deze bedragen niet opgenomen hebben in zijn aangifte Inkomstenbelasting 2000.

Met betrekking tot het jaar 2001 heeft de gestelde onjuiste aangifte betrekking op het niet opnemen in de aangifte van het optierecht op 75% op de aandelen [medeverdachte 2].

De verdediging heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte de bedoelde cheque daadwerkelijk heeft ontvangen of geïnd en dat derhalve geen sprake is van het onjuist of onvolledig indienen van de aangifte over het jaar 2000. Met betrekking tot het jaar 2001 heeft de verdediging aangevoerd dat, indien het hof aanneemt dat verdachte in 2001 een optieovereenkomst met [medeverdachte 2] is aangegaan, deze niet aan te merken is als inkomen in de zin van de Wet Inkomsten Belasting en voor zover het hof zou aannemen dat enig voordeel aan verdachte in 2001 privé zou zijn toegevloeid, de omvang daarvan niet vast te stellen is. Dat van enige bevoordeling sprake zou zijn die in de aangifte IB over 2001 zou moeten zijn opgenomen, kan dan ook naar het oordeel van de verdediging niet worden bewezen.

1.2. Beoordeling

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof sluit zich op grond van het strafdossier met codenaam “Zorg” en het verhandelde ter terechtzitting grotendeels aan bij de bewijsmotivering van de rechtbank, zoals opgenomen op pagina 17 en 18 van het vonnis waarvan beroep.

Aangifte 2000

Het over 2000 verzwegen bedrag aan inkomsten zou een bedrag van totaal NLG

1.099.956,-- betreffen. Dit bedrag is samengesteld uit een bedrag van NLG 250.000,--, zijnde een bedrag dat verdachte [verdachte] in contanten zou hebben ontvangen, een bedrag van NLG 519.400,--, zijnde een bedrag dat [verdachte] in contanten danwel in cheques zou hebben verkregen en tot slot een bedrag van € 150.000,-- (NLG 330.556,--), zijnde een bedrag dat [verdachte] in de vorm van een cheque zou hebben ontvangen.

De genoemde gelden zouden blijkens de processtukken verband houden met de opbrengst van de in het strafdossier zogenoemde [naam]-portefeuille. Het gaat om de verkoop van een aantal onroerende zaken die toebehoorden aan De Stichting. Deze onroerende zaken zijn door De Stichting afgestoten.

In het dossier bevinden zich bescheiden en verklaringen van getuigen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte [verdachte] gelden heeft verworven uit de verkoop van bedoelde onroerende zaken. Echter, de aanname dat verdachte [verdachte] bedoelde inkomsten heeft genoten is met name gebaseerd op de verklaringen van [medeverdachte 3], die als enige heeft verklaard dat zij daadwerkelijk gelden uit de [naam]-portefeuille aan verdachte [verdachte] heeft verstrekt. Zoals hiervoor reeds is overwogen kan van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 3] niet zonder meer worden uitgegaan. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om te kunnen aannemen dat verdachte [verdachte] in het jaar 2000 inkomsten uit de opbrengst van de [naam]-portefeuille heeft genoten. Derhalve kan niet worden bewezen dat verdachte [verdachte] zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2000 onjuist of onvolledig heeft gedaan.

Aangifte 2001

Het over 2001 verzwegen bedrag zou een bedrag van € 6.450.000,-- betreffen, gebaseerd op een door verdachte [verdachte] verworven optierecht op 75% in de aandelen van [medeverdachte 2]

Nu het hof - onder verwijzing naar hetgeen in de hiervoor opgenomen bewijsoverweging ten aanzien van het aan verdachte onder feit 4 tenlastegelegde is overwogen - niet bewezen acht dat de waarde van de aandelen [B.V.3] in het jaar 2001 meer heeft bedragen dan de door partijen vastgestelde overdrachtsprijs van NLG 1,--, kan voorts niet worden bewezen dat [verdachte] zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2001 onjuist of onvolledig heeft gedaan.

Gelet op het hiervoor overwogene, dient verdachte, ook in hoger beroep, te worden vrijgesproken van het hem onder feit 7 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

A

hij in de periode 3 oktober 2001 tot en met 5 april 2002 in Nederland, met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, Stichting De Thuiszorg Icare heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld, te weten het laten vervallen van de aan Stichting De Thuiszorg Icare toekomende huisvestingsbijdrage van NLG 1.300.000,--, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk opzettelijk bedoelde huisvestingsbijdrage

- niet gemeld bij de Raad van Bestuur en/of Raad van Commissarissen van Stichting De Thuiszorg Icare, en

- niet laten verwerken in de administratie/boekhouding van Stichting De Thuiszorg Icare,

terwijl deze huisvestingsbijdrage door verdachte, als lid/voorzitter van de Raad van Bestuur van Stichting De Thuiszorg Icare is gerealiseerd in het kader van de onderhandelingen met Eurocommerce Robex Groep B.V. over de huur van het pand “[naam]” voor Stichting De Thuiszorg Icare,

waardoor Stichting De Thuiszorg Icare werd bewogen tot bovenomschreven teniet doen van genoemde inschuld

EN

B

hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 21 maart 2002 in Nederland, tezamen en in vereniging met een (rechts)persoon, een voorwerp, te weten een geldbedrag van NLG 1.500.000,-- heeft overgedragen, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij in de periode 1 april 2001 tot en met 1 februari 2002, in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, Stichting De Thuiszorg Icare heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de verkoop van aandelen [B.V.3] voor de prijs van NLG 1,--,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk opzettelijk

- aan de Raad van Commissarissen van Stichting De Thuiszorg Icare en/of de Raad van Bestuur van Stichting De Thuiszorg Icare voorgehouden en in strijd met de werkelijkheid de indruk gewekt

* dat hij, verdachte, als lid/voorzitter van de Raad van Bestuur van Stichting De Thuiszorg Icare enkel de belangen van Stichting De Thuiszorg Icare zal behartigen bij de verkoop van bedoelde aandelen aan [medeverdachte 2] en

- aan de Raad van Commissarissen van Stichting De Thuiszorg Icare en/of de Raad van Bestuur van Stichting De Thuiszorg Icare verzwegen dat hij, verdachte, financieel belang heeft, dan wel zal hebben in de kopende vennootschap, te weten [medeverdachte 2]

waardoor Stichting De Thuiszorg Icare werd bewogen tot de hierboven genoemde afgifte.

5.

hij op tijdstippen in de periode van 2 februari 2002 tot en met 13 februari 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, de opbrengst van aandelen, te weten aandelen [B.V.3] heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat (de opbrengst van) bovenomschreven aandelen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1A en 4 bewezen verklaarde levert op:

oplichting

het onder 1B bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Verdachte heeft De Stichting opgelicht door een haar toekomende huisvestingsbijdrage te versleutelen in de verkoop van een pand, welke in eigendom toebehoorde aan ITW, terwijl op dat moment al duidelijk was dat ITW door middel van een management buy-out afgestoten zou worden. Door vervolgens over te gaan tot de aandelenoverdracht van ITW aan [B.V.1], waarbij bij de waardering van de prijs van de aandelen geen rekening is gehouden met het bedrag dat met de huisvestingsbijdrage gemoeid was, heeft verdachte bewerkstelligd dat het bedrag buiten de macht van die zorginstelling is gebracht en een (rechts)persoon buiten die zorginstelling van dit strafbare handelen heeft kunnen profiteren. Verdachte heeft zich aldus ook schuldig gemaakt aan witwassen van dit bedrag.

Als voorzitter van de Raad van Bestuur van De Stichting heeft verdachte voorts terwijl hij tevens een financieel belang had in de kopende partij van de aandelen, de verkoop van [B.V.3] voor De Stichting begeleid en mitsdien verzuimd de belangen van De Stichting te behartigen en zichzelf en anderen, ten koste van De Stichting - en derhalve deels van publiek geld - verrijkt. Dit heeft hij op uiterst geraffineerde wijze gedaan, hetgeen mogelijk was gelet op de hoge positie die hij binnen De Stichting bekleedde.

Het hof neemt dit verdachte bijzonder kwalijk.

Bij de strafoplegging houdt het hof – ten gunste van verdachte – rekening met de omstandigheid dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting van het hof door de raadsman en verdachte naar voren zijn gebracht. In deze omstandigheden ziet het hof echter geen aanleiding om de straf die het hof voornemens is op te leggen enigszins te matigen. De omstandigheid dat verdachte in financiële zin is ‘platbeslagen’, zoals door de raadsman is gesteld, en opgejaagd wordt door de Belastingdienst is een gevolg van eigen handelen. Datzelfde geldt voor de negatieve publiciteit waarmee hij en zijn familie zijn geconfronteerd.

Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. Gelet echter op het feit dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM nu na het instellen van het hoger beroep op 3- respectievelijk 9 juni 2010 tot aan de uitspraak van het hof de redelijke termijn met ruim een jaar is overschreden, zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden opleggen.

Vordering van de benadeelde partij Stichting Icare (voorheen Stichting de Thuiszorg Icare)

De benadeelde partij, bij monde van mr. A.B. Schoonbeek en mr. R.D. van Heffen, heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bestaat uit:

1. Overdracht aandelen [B.V.3] tegen te lage prijs € 4.000.000,--

Overdracht aandelen Icare Thuiszorgwinkels

2. a) te lage prijs aandelen [B.V.5] claim € 726.048,--

b) verduistering huisvestingsbijdrage/te lage prijs aandelen € 680.670,--

___________

€ 5.406.718,--

De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 589.914,28, heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, destijds begroot op nihil.

De benadeelde partij heeft zich bij stelbrief van 20 november 2011 opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De benadeelde partij heeft voorts gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen in de proceskosten ten bedrage van € 144.948,98.

Het hof is van oordeel dat de vordering toewijsbaar is voor zover die ziet op de schade die de benadeelde partij heeft geleden door het mislopen van de huisvestingsbijdrage tot een bedrag van NLG 1.300.000,-- (€ 589.914,--). Dat is het bedrag uit de bewezenverklaring voor feit 1.

Voor toewijzing van de kosten voor dit deel van de vordering zoekt het hof aansluiting bij het liquidatietarief. Ten overvloede merkt het hof op dat niet aannemelijk is geworden dat het bedrag dat de benadeelde partij heeft gevorderd als kosten van rechtsbijstand (deels) kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade, bijvoorbeeld als kosten voor het vaststellen van de schade. Daarnaast zien de kosten van rechtsbijstand ook op andere kwesties dan de huisvestingsbijdrage.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de [B.V.5]claim is de benadeelde partij niet ontvankelijk omdat het hof van dit onderdeel van de tenlastelegging heeft vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In het bijzonder, nu het hof geoordeeld heeft dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat de aandelen [B.V.3] tegen een te lage prijs zijn overgedragen. Hierbij speelt een rol dat waardebepaling niet los gezien kan worden van de intentie waarmee tot overdracht besloten wordt; in onderhavige situatie heeft de Raad van Commissarissen besloten om [B.V.3] af te stoten door middel van een management buy-out. De condities – onder meer de prijsbepaling - waaronder de aandelenoverdracht gestalte krijgt in het onderhavige geval, kunnen dientengevolge aanzienlijk verschillen van die in de situatie waarin de aandelen aan een commerciële partij zouden zijn overgedragen.

Het hof zal de benadeelde partij in haar vordering gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A en 1B, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1A en 1B, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Stichting Icare (voorheen Stichting de Thuiszorg Icare)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 589.914,--(vijfhonderdduizendnegenhonderdveertien euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 december 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij ten aanzien van de onder 1 bewezen verklaarde gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 15.530,-- (vijftienduizendvijfhonderddertig euro).

Verklaart de benadeelde partij Stichting Icare (voorheen Stichting de Thuiszorg Icare) voor het overige in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen, griffier,

en op 4 juni 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.