Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA1617

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-05-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
200.123.752/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opheffing machtiging tot uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 2 mei 2013

Zaaknummer 200.123.752

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.A. Knobben,

kantoorhoudende te Deventer,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

kantoorhoudende te Zwolle,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

Belanghebbenden:

1. [de stiefmoeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de stiefmoeder,

2. Bureau Jeugdzorg Overijssel,

kantoorhoudende te Zwolle,

hierna te noemen: BJZ,

3. [de pleegouders],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 19 december 2012 (zaaknummer 204937 / JZ RK 12-953)

- uitvoerbaar bij voorraad - heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, de minderjarige [kind] (hierna: [kind]), geboren [in 2006], met ingang van 19 december 2012 tot 19 december 2013 onder toezicht gesteld van BJZ en aan BJZ een machtiging verleend om [kind] met ingang van 19 december 2012 tot 19 juni 2013 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor pleegzorg 24-uurs. Het meer of anders verzochte is daarbij afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 18 maart 2013, heeft de vader verzocht de beschikking van 19 december 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende de raad niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans tot afwijzing van de verzoeken over te gaan.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 10 april 2013, heeft de raad het verzoek bestreden en verzocht het hoger beroep van de vader te verwerpen en de beschikking van 19 december 2012 te bekrachtigen, kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 9 april 2013, heeft BJZ het verzoek bestreden en verzocht het hoger beroep van de vader te verwerpen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 3 april 2013 met bijlagen van mr. Knobben.

Ter zitting van 23 april 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaat, namens de raad mr. Uit de Boogaart, namens BJZ

[namens BJZ] en de stiefmoeder.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. [kind] is opgegroeid bij zijn vader, nadat zijn ouders in mei 2007 uit elkaar zijn gegaan. In 2008 heeft de rechtbank de vader alleen belast met het gezag over [kind]. De moeder van [kind] is al geruime tijd buiten beeld. De vader is thans gehuwd met de stiefmoeder.

2. [kind] is op 8 augustus 2012 (op vrijwillige basis) uit huis geplaatst.

3. Op verzoek van de raad is [kind] door de kinderrechter op 6 september 2012 voor de duur van drie maanden, derhalve tot 6 december 2013 (voorlopig) onder toezicht gesteld van BJZ en is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening van crisisopvang verleend tot 20 september 2012. De termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing is nadien door de kinderrechter verlengd tot

19 oktober 2012 en vervolgens tot 6 december 2012. Deze laatste beschikking is door dit hof bekrachtigd bij (eerdere) beschikking van heden (zaaknummer hof 200.120.069/02).

4. Gedurende de periode van 6 december 2012 tot 19 december 2012 stond [kind] niet onder toezicht en heeft hij met instemming van de vader op vrijwillige basis verbleven in het pleeggezin waar hij destijds was geplaatst.

5. Bij de beschikking waarvan beroep is [kind], op verzoek van de raad, voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor pleegzorg 24-uurs verleend voor de duur van zes maanden, derhalve tot 19 juni 2013. De vader kan zich niet verenigen met deze beschikking.

6. [kind] is sinds 27 maart 2013 geplaatst bij de pleegouders. De pleegmoeder is de voormalige thuisbegeleidster van de vader. Het betreft een derde plaatsing.

De overwegingen van het hof

7. Aan het hof ligt ter beoordeling voor de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor pleegzorg 24-uurs van [kind] met ingang van de dag van de bestreden beschikking, te weten 19 december 2012, voor de duur van respectievelijk een jaar (de ondertoezichtstelling) en een half jaar (de machtiging tot uithuisplaatsing). Bij de beoordeling staat het belang van de minderjarige voorop, mede gelet op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

8. Een ondertoezichtstelling kan worden uitgesproken indien een minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens lichamelijke of geestelijke gesteldheid.

9. De raad heeft zijn verzoeken gegrond op de overweging dat er al lange tijd ernstige zorgen zijn over [kind] en zijn opvoedingssituatie. Zo is er sprake van achterblijvende schoolresultaten en is er sprake van problemen met concentratie en prikkelverwerking, gecombineerd met een grote behoefte aan zelfbepaling. De zorgen over [kind] waren zodanig dat medio april 2012 is verzocht om nadere diagnostiek van [kind]. Uit dit onderzoek (rapport van 4 oktober 2012) zijn ook diverse zorgen naar voren gekomen. [kind]engevat heeft de raad zorgen over het gedrag van [kind], zijn psychoseksuele ontwikkeling en de opvoedingsvaardig-heden van de vader. Daarbij is gebleken dat hulpverlening in het vrijwillige kader niet heeft kunnen voorkomen dat [kind] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. In de visie van de raad kan het gedrag van [kind] tijdens het onderzoek duiden op een onveilige thuissituatie en is de raad om die reden van mening dat uit nader onderzoek duidelijk moet worden hoe het met de veiligheid van [kind] in de thuissituatie is gesteld alvorens [kind] weer bij zijn vader kan wonen.

10. BJZ deelt de visie van de raad en verwijst daarvoor mede naar het Plan van Aanpak, versie 19 januari 2012 (het hof leest: 2013) en de bevindingen uit voornoemd onderzoek van 4 oktober 2012. BJZ geeft daarbij aan dat sinds de voorlopige ondertoezichtstelling er meestal tweemaal per week contact is tussen de gezinsvoogd en de vader. Eenmaal per week is er begeleide omgang tussen de vader en [kind] en daarnaast is sprake van telefonisch contact. BJZ geeft aan dat het in het contact met vader moeilijk is om te spreken over de problematiek van [kind] omdat de vader de problemen van [kind] niet herkent dan wel het belang niet inziet om daar anders mee om te gaan. Vanuit voornoemd onderzoek is aangeraden om de zorgelijke ontwikkeling van [kind] nauw te volgen en meer zicht op zijn problematiek te krijgen. BJZ heeft voor [kind] individuele therapie voorgesteld en ouder-kind interactie begeleiding voor de vader en [kind]. De vader heeft aanvankelijk zijn medewerking toegezegd maar heeft bezwaar gemaakt tegen de indicaties die nodig zijn om de hulpverlening in te zetten. Diverse keren ontstaat onduidelijkheid in de communicatie met de vader en is er sprake van tegen-strijdigheden in verhalen van de vader en derden waardoor de samenwerking met de vader als lastig wordt ervaren.

11. De vader blijft, gelijk aan de zaak zoals eerder voorgelegd aan het hof en zoals blijkt uit die beschikking, volharden in zijn ontkenning dat sprake is geweest van seksueel misbruik en/of mishandeling van [kind] in de thuissituatie. Hij is van mening dat hij zich steeds moet verweren tegen uitlatingen en acties die nergens op zijn gebaseerd. Naar zijn mening zijn er geen risicofactoren die een thuisplaatsing in de weg staan. De thuissituatie is voor [kind] veilig en de vader biedt hem voldoende structuur. Uit de stukken blijkt dat de vader wel degelijk openstaat voor hulpverlening en zijn opvoedingsvaardigheden heeft vergroot. De eerder ingezette hulpverlening via Intensieve Orthopedagogische Begeleiding is om die reden ook positief afgesloten. Ook is geconcludeerd dat de vader een goede band met [kind] heeft en [kind] veiligheid bij zijn vader zoekt. Er zijn daarom geen gronden die een ondertoezichtstelling en/of machtiging uithuisplaatsing rechtvaardigen. De vader kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de factoren waar de kinderrechter zich op beroept, voortvloeien uit de hectische situatie kort na de uithuisplaatsing. Elk onderzoek dat nodig wordt geacht, kan vanuit de thuissituatie plaatsvinden.

12. Bij de beoordeling van de vraag of een ondertoezichtstelling en/of een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is/zijn staat het belang van de minderjarige voorop. Het hof dient een beslissing te geven op basis van alle op het moment van zijn beslissing bestaande en naar zijn oordeel ter zake dienende omstandigheden van het geval.

13. Het hof onderschrijft het oordeel van de kinderrechter dat sprake is van ernstige zorgen over in elk geval de ontwikkeling van [kind]. Niet valt echter uit te sluiten dat deze zorgen vooral veroorzaakt worden door aanwezige kindproblematiek en mogelijk ook de zeer onrustige thuissituatie bij de vader in het verleden. Het hof stelt in dat kader het volgende vast.

14. De moeder van [kind] functioneert op een moeilijk lerend niveau en kampt met een persoonlijkheidsstoornis. In het verleden is sprake geweest van relatieproblemen tussen de vader en de moeder. Ook is sprake geweest van wisselende verzorgers en opvoeders, alsmede van schuldenproblematiek. De moeder van [kind] is jarenlang uit beeld geweest. Nadat de omgangscontacten met [kind] weer waren opgepakt, is de moeder in 2011 wederom uit beeld verdwenen en is zij meerdere malen niet komen opdagen tijdens geplande bezoekmomenten met [kind].

Vanuit de (reguliere) basisscholen is benoemd dat zij problemen ervaren met het onrustige, impulsieve gedrag van [kind]. Ook is benoemd dat [kind] moeite heeft met het maken van oogcontact en niet in staat is leeftijdsadequate contacten te onderhouden. Nadat de reguliere basisschool in maart 2012 heeft aangegeven dat de grenzen voor begeleidingsmogelijkheden van [kind] zijn bereikt, is [kind] onderzocht en is vastgesteld dat sprake is van beneden- tot laaggemiddelde cognitieve capaciteiten en is geadviseerd om [kind] te plaatsen op speciaal basisonderwijs. Ook vormen op dat moment de zorgen over [kind]’s ontwikkeling (psychoseksueel, gehechtheid en mogelijke kenmerken ADHD) aanleiding voor nader onderzoek door het Diagnostisch Team van BJZ, welke resultaten zijn neergelegd in eerdergenoemd rapport van 4 oktober 2012.

Echter voor aanvang van dat onderzoek en overigens ook voor plaatsing op het speciaal onderwijs, wordt [kind] vanwege vermoedens van seksueel misbruik mogelijk gepleegd door de vader uit huis geplaatst. Ten gevolge van de daarmee gepaard gaande onrust is het niet mogelijk gebleken, zoals ook de onderzoekers hebben aangeven, om op alle onderdelen een betrouwbaar onderzoek uit te voeren.

15. Gelet op het vorenoverwogene staat voor het hof vast dat al voor het moment van uithuisplaatsing van [kind] sprake is geweest van jarenlange ernstige zorgen over de ontwikkeling van [kind]. Om die reden is er ook al meerdere malen hulpverlening in het vrijwillige kader ingezet, welke hulpverlening de vader overigens ook meerdere malen positief heeft afgesloten. Ten behoeve van de vader hecht het hof er aan om in dat kader ook vast te stellen dat uit de stukken niet blijkt dat de vader tot aan de uithuisplaatsing in augustus 2012, zoals hij ook aanvoert, niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan hulpverlening in het vrijwillige kader. Echter, ook is vast komen te staan dat deze hulpverlening de ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [kind] niet hebben kunnen voorkomen.

16. Immers vanwege deze ernstige zorgen heeft dit hof het ook in het belang van [kind] noodzakelijk geoordeeld de eerder door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht over de periode van 19 oktober 2012 tot 6 december 2012 te bekrachtigen. Het hof verwijst in deze naar zijn overwegingen zoals opgenomen in voornoemde beschikking in (in het bijzonder) de rechtsoverwegingen 9 en 10.

17. Het hof stelt thans voorts vast dat - anders dan toen door de raad verwacht - het politieonderzoek niet is afgerond. Ook is er nog geen uitvoering gegeven aan het voornemen om in aansluiting op het diagnostisch onderzoek van [kind] (zie het rapport van 4 oktober 2012), en zoals ook door de raad en overigens ook de onderzoekers noodzakelijk is geacht, nadere procesdiagnostiek te verrichten. Eerst eind mei 2013 zal er therapie worden ingezet. Voorts is voor vader - en overigens ook het hof - onbekend of het bloed van [kind] is onderzocht en wat de resultaten daarvan zijn geweest.

18. Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat onder ogen moet worden gezien dat niet valt te verwachten dat op (korte) termijn duidelijkheid zal komen over de vraag of er sprake is geweest van seksueel misbruik en/of mishandeling door de vader van [kind], terwijl voorts ook rekening moet worden gehouden met het feit dat deze vraag nimmer beantwoord zal kunnen worden, hetgeen evenwel niet in het nadeel van de vader behoort te worden uitgelegd.

19. Een en ander neemt niet weg dat bij het hof onveranderd ernstige zorgen bestaan over de ontwikkeling van [kind] en wel zodanig dat die een ondertoezichtstelling rechtvaardigen. Het hof acht het noodzakelijk dat op korte termijn uitvoering wordt gegeven aan eerder genoemd voornemen en [kind] nader wordt onderzocht. Ook moet het in zijn belang worden geacht dat zijn ontwikkeling nauw wordt gevolgd. Het hof heeft daarbij geen aanwijzing dat die onderzoeken niet vanuit de thuissituatie kunnen worden verricht, zie ook de rechtsoverwegingen hierna. Wel is daarvoor nodig dat [kind] zich vrij voelt om aan de behandeling mee te mogen doen en de vader, maar ook de stiefmoeder, bereid zijn hierin te investeren en [kind] daarin ook te ondersteunen. Het hof acht mede gelet ook op de ingrijpende gebeurtenissen in de afgelopen maanden, maar ook het wantrouwen dat (mede) daardoor bij de vader en de stiefmoeder is ontstaan jegens de hulpverlening, voor dit laatste toezicht van een gezinsvoogd noodzakelijk. Het hof zal de beschikking van de kinderrechter dan ook op dit punt bekrachtigen.

20. Echter het hof kan zich daarbij wel verenigen met het advies van de raad aan BJZ om de uitvoering van die ondertoezichtstelling te laten uitvoeren door de Stichting Gereformeerd Jeugdwerk (hierna: SGJ). Er is sprake van een slechte verstandhouding tussen de vader en BJZ met als gevolg dat bij de vader, maar overigens ook de stiefmoeder, elk vertrouwen in BJZ ontbreekt. Gelet op de wel meewerkende houding van de vader aan de hulpverlening in het verleden en het feit dat hij tot de doelgroep van de SGJ behoort, moet het in het belang van [kind] worden geacht dat thans een nieuwe start wordt gemaakt bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling door de SGJ. Het hof heeft daarbij mede in overweging genomen dat ook niet kan worden uitgesloten dat de vader, zoals hij betoogt, ten onrechte is geconfronteerd met zeer ernstige beschuldigingen met als buitengewoon groot gevolg dat zijn zoontje uit huis is geplaatst. Dat dit gepaard gaat met spanningen en wantrouwen komt het hof reeds hierom begrijpelijk voor.

21. Het hof stelt voorts vast dat aan het huidige verzoek van de raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing nauwelijks tot geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag liggen. Zo maakt de raad zich onveranderd zorgen over de opvoedingsvaardigheden van de vader, maar is een nader onderzoek daarnaar tot op heden niet ingezet. Voorts wordt melding gemaakt van het feit dat de zorgen ten aanzien van de vader niet worden weggenomen door andere volwassenen die op een constructieve wijze een mede opvoedende rol op zich nemen. Echter, de vader is (vlak voor afronding van het onderzoek van de raad) getrouwd en de stiefmoeder is mede ook om die reden eerder door dit hof aangemerkt als belanghebbende omdat, mocht [kind] weer thuis komen wonen, zij [kind] (mede) feitelijk zal verzorgen en opvoeden als tot haar gezin behorende. De raad heeft in dat kader ook aangegeven het noodzakelijk te achten dat de vader samen met BJZ, zijn netwerk (partner van de vader, andere vrienden en familie) en hulpverlening (waaronder school) een plan maakt, waarbij wordt onderzocht of met de voorwaarden zoals door de raad gesteld de vader (en eventueel zijn partner) [kind] weer zelf zou kunnen verzorgen en opvoeden. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat BJZ hieraan uitvoering heeft (willen) gegeven. Sterker nog, het Plan van Aanpak wekt de indruk dat BJZ van mening is dat thuisplaatsing van [kind] niet aan de orde kan zijn, alvorens [kind] nader is onderzocht vanuit een situatie niet bij de vader thuis. Een en ander klemt te meer nu diverse bronnen aangeven dat de echtgenote van de vader voor zowel [kind] als de vader een steunende factor is en uit voornoemd onderzoek ook blijkt dat de uithuisplaatsing zeer ingrijpend is voor [kind] en [kind] ervan overtuigd is dat hij met zijn vader herenigd moet worden.

22. In de huidige stand van zaken betekent dat voor het hof dat er niet langer een grond aanwezig is om de machtiging tot uithuisplaatsing te handhaven. De aanwijzingen voor seksueel misbruik en/of mishandeling zoals die op basis van de huidige stukken bij het hof bekend zijn, zijn daarvoor te weinig overtuigend terwijl het hof zich voor de overige ernstige zorgen, zoals hiervoor ook is overwogen, niet aan de indruk kan onttrekken dat die mogelijk mede veroorzaakt worden door voornamelijk kindproblematiek en een belast verleden. Voorts blijkt ook uit de stukken, zoals het hof ook in zijn eerdere beschikking van heden heeft overwogen, dat tussen de vader en [kind] sprake is van een duurzame, liefdevolle en hechte band. Hetzelfde geldt voor de positieve beeldvorming van de vader zoals die ook uit de stukken is gebleken, waaronder het feit dat de thuisbegeleidster zoals laatstelijk aanwezig in het gezin van de vader direct voorafgaand aan de uithuisplaatsing, heeft aangegeven dat zij geen zorgen heeft over het gezin. Niet valt uit te sluiten dat [kind] juist vanwege zijn gehechtheid aan zijn vader zo extreem verdrietig op de uithuisplaatsing heeft gereageerd en de zorgen over het gedrag van [kind] zoals die wel door zijn voormalige school zijn geconstateerd mede samenhangen met een kennelijk niet passend onderwijsniveau. Dat [kind] recent tegen de gezinsvoogd heeft verklaard dat zijn vader hem wel eens slaat, maakt het oordeel van het hof niet anders. Het spreekt voor zich dat de vader zich dient te onthouden van het slaan van [kind] maar zonder enige verdere kennis over de wijze waarop, de frequentie en de aanleiding rechtvaardigt deze enkele mededeling geen uithuisplaatsing. Te meer niet nu de vader ter zitting heeft aangegeven, dat hij [kind] in het verleden inderdaad wel eens een corrigerende tik op de vingers heeft gegeven maar inmiddels er ook van doordrongen is, dat hij ook dat moet laten.

23. Alle belangen in aanmerking nemend is het hof dan ook van oordeel dat in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind] of tot nader onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, de noodzaak tot uithuisplaatsing niet langer aanwezig is. Het hof acht het aannemelijk dat de vader en de stiefmoeder op dit moment in staat zijn om (met hulpverlening in de thuissituatie) [kind] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en de veiligheid in zijn dagelijkse verzorging en opvoeding voldoende zijn gewaarborgd. Hieruit volgt dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor wat betreft de periode van de uithuisplaatsing uiterlijk één week na dagtekening van deze beschikking. Het hof acht het namelijk wel van groot belang dat de thuisplaatsing voor met name [kind] zorgvuldig wordt voorbereid en aan BJZ enige tijd wordt geboden om desgewenst de uitvoering van de ondertoezichtstelling over te dragen aan de SGJ en passende hulpverlening in de thuissituatie in te zetten.

Slotsom

24. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor pleegzorg 24-uurs is verleend voor een langere duur dan een week na dagtekening van deze beschikking;

en in zoverre opnieuw beslissende:

wijst af het inleidend verzoek van de raad om de minderjarige [kind], geboren [in 2006], uit huis te plaatsen in een accommodatie voor pleegzorg 24-uurs, met ingang van een week na dagtekening van deze beschikking en heft de uithuisplaatsing met ingang van die datum op;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, voorzitter,

G. Jonkman en D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 2 mei 2013 in het bijzijn van de griffier.