Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA1456

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
21-004365-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2010:BO5999, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:777, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De uitspraak is een vervolg op de uitspraak van de rechtbank Zutphen op 30 november 2010, LJN: BO5999.

Vordering wijziging tenlastelegging eerste aanleg ontbreekt in hofdossier. Het hof verwerpt de verweren betreffende nietigheid van de dagvaarding en niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in verband daarmee.

Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte en medeverdachte de investeerders hebben opgelicht door hen voor te spiegelen dat sprake was van risicoloze investeringen in overbruggingskredieten in Zuid-Afrika, terwijl het geld van de investeerders in werkelijkheid ook in risicovolle overheidsprojecten aldaar werd geïnvesteerd en tevens werd aangewend voor de financiering van privé aankopen van de verdachte. Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. (Gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004365-10

Uitspraak d.d.: 21 mei 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 30 november 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 oktober 2012, 13 november 2012, 5 februari 2013, 7 mei 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn mr E.N. Bouwman en mr J. de Haan, advocaten te Utrecht, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit. Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraak staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De procesgang in hoger beroep

Het hof heeft bij tussenarrest van 13 november 2012 als volgt overwogen en beslist.

“De officier van justitie heeft ter terechtzitting van de rechtbank te Zutphen van 25 april 2007 wijziging van de tenlastelegging gevorderd. De wijziging is door de rechtbank toegelaten. De vordering wijziging tenlastelegging zoals die in het dossier van het hof aanwezig is ziet op een aantal tekstuele punten ter zake van zowel feit 1 primair als feit 1 subsidiair.

De tenlastelegging zoals de rechtbank deze na de wijziging heeft opgenomen in het vonnis bevat, naast deze tekstuele wijzigingen, ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde echter ook een groot aantal wijzigingen in de vermeldingen van de personen die bewogen zouden zijn tot de afgifte van geldbedragen. Daarnaast is het subsidiair tenlastegelegde feit in het vonnis in het geheel niet opgenomen.

Een vordering tot wijziging van de tenlastelegging in die zin dat de tenlastelegging komt te luiden zoals de rechtbank deze in haar vonnis heeft opgenomen, ontbreekt in het dossier.” Het hof heeft de advocaat-generaal verzocht om duidelijkheid te geven over de inhoud van de tenlastelegging.

Ter terechtzitting van 5 februari 2013 is door de advocaat-generaal een aantal stukken overgelegd afkomstig van de officier van justitie in eerste aanleg. Deze stukken verschaften echter nog steeds niet de gewenste duidelijkheid.

Ter terechtzitting van 7 mei 2013 is vervolgens door het hof bij de stukken in de onderhavige zaak gevoegd een fotokopie van de door de raadsman in de zaak tegen de medeverdachte aan het hof getoonde origineel van het door de griffier van de rechtbank gewaarmerkte afschrift van de wijzigingen naar aanleiding van de door het openbaar ministerie in eerste aanleg in de zaak tegen de verdachte gevorderde en door de rechtbank toegelaten wijziging van de tenlastelegging aan het hof. Bovendien heeft de advocaat-generaal in die zin nog een wijziging van de tenlastelegging gevorderd, welke wijziging is toegestaan door het hof.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2003 tot en met 24 mei 2004 te Putten en/of Velserbroek, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (onder andere) de hierna genoemde personen heeft/hebben bewogen tot afgifte van één of meer geldbedragen (zoals telkens genoemd na de persoon)

- [slachtoffer 1] (inleg € 440.000,-) en/of

- [slachtoffer 2] (inleg € 24.000,-) en/of

- [slachtoffer 3] (inleg € 50.000,-),

- [slachtoffer 4] (inleg € 45.000,-)

in elk geval enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een brochure [D-101 e.v.] opgesteld en verspreid waarin stond opgenomen en/of bijeenkomsten aan voornoemde personen voorgehouden dat:

- aan het uitlenen van geld aan [stichting X] geen risico’s verbonden waren, en/of

- dat de inleg verzekerd was tegen koersrisico’s en/of

- dat het ingelegde geld (alleen) zou worden besteed aan overbruggingskredieten voor particulieren, en/of

- dat het ingelegde geld juridisch bezit van [stichting X] zou blijven,

waardoor voornoemde personen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De geldigheid van de dagvaarding en ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in verband met de tenlasteleging

Standpunt verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting van 5 februari 2013 betoogd dat de tenlastelegging nietig is omdat na de behandeling van de zaken ter terechtzitting van 30 oktober 2012, ter terechtzitting van 5 februari 2013 en ter terechtzitting van 7 mei 2013 nog steeds onduidelijkheid bestaat over de exacte inhoud van de tenlastelegging omdat de originele wijzigingen van de tenlasteleggingen in het dossier van het hof ontbreken.

Verder is verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging omdat de inhoud van de tenlastelegging onvoldoende zou blijken.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat de dagvaarding voor alle partijen duidelijk is en dat van nietigheid geen sprake is.

Voor zover is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging omdat de inhoud van de tenlastelegging onvoldoende zou blijken heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat dit niet opgaat, nu de wijziging van de vordering van de tenlastelegging zoals die in eerste aanleg heeft plaatsgevonden, door de raadsman is overgelegd ter terechtzitting van 7 mei 2013.

Oordeel hof

Het hof verwerpt het verweer. Het hof heeft moeten constateren dat zich – ook na navraag bij de rechtbank – in het dossier geen vordering wijziging van de tenlastelegging bevindt, zoals deze blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting wel is gedaan en toegelaten en overeenkomstig de wettelijke voorschriften aan de verdediging kenbaar is gemaakt. Door mr Bouwman is ter terechtzitting van 7 mei 2013 het origineel van het door de griffier van de rechtbank gewaarmerkte afschrift van de wijzigingen naar aanleiding van de door het openbaar ministerie in eerste aanleg in de zaak tegen de medeverdachte gevorderde en door de rechtbank toegelaten wijziging van de tenlastelegging aan het hof getoond. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie hiervan is op last van het hof aan de stukken in deze zaak toegevoegd en in het dossier opgenomen. Het hof stelt op grond van dat stuk, de (nagenoeg) gelijkluidendheid van de tenlasteleggingen in de zaken tegen verdachte en de medeverdachte vóór wijziging, de tekst van de tenlastelegging zoals die in het vonnis van de rechtbank is opgenomen en de door de advocaat-generaal gevorderde en door het hof toegelaten wijziging van de tenlastelegging, vast dat de tenlastelegging zo luidt als hierboven weergegeven. Het hof is van oordeel dat de inhoud van de tenlastelegging voldoende duidelijk is. Het hof heeft hierbij mede betrokken het gegeven dat gedurende de gehele procedure niet is gebleken dat op enig punt onduidelijkheid bestond bij de verdachte over het verwijt dat hem werd gemaakt en waartegen hij zich diende te verdedigen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt verdediging

De verdediging heeft gesteld dat [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] op 13 mei 2005 te Zuid-Afrika zijn gehoord als getuigen. Vervolgens is op diezelfde dag aan [getuige 1] toegezegd dat hij in Nederland niet vervolgd zal worden en dat de door hem afgelegde verklaring evenmin aan de Zuid-Afrikaanse autoriteiten zal worden gezonden. Gesteld is dat het niet anders kan dan dat er afspraken zijn gemaakt tussen het openbaar ministerie en [getuige 1] en dat het openbaar ministerie de vervolging al vanaf dat moment volledig heeft gericht op de verdachte en de medeverdachte, hetgeen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en de beginselen van een goede procesorde. Verzocht is om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het gelijkheidsbeginsel is volgens de advocaat-generaal niet geschonden. De reden om [getuige 1] niet te vervolgen kan gelegen zijn in de omstandigheid dat hij in Nederland geen strafbare feiten heeft gepleegd en als getuige is gehoord in het kader van het rechtshulpverzoek dat Nederland aan Zuid-Afrika heeft gedaan. Noch het gelijkheidsbeginsel, noch andere beginselen van een goede procesorde, zijn geschonden volgens de advocaat-generaal.

Oordeel hof

Op grond van artikel 167 lid 1 en 242 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering geldt het opportuniteitsbeginsel voor wat betreft de vervolging van strafbare feiten. Lid 2 van deze artikelen bepaalt dat van verdere vervolging kan worden afgezien, ook op gronden aan het algemeen belang ontleend. De beleidsvrijheid van het openbaar ministerie vindt haar begrenzing in de beginselen van een goede procesorde. In dit verband is de vraag in het bijzonder of er sprake is van een kennelijke onredelijke of onbillijke belangenafweging van de kant van het openbaar ministerie dan wel schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het hof leidt uit het dossier af dat het openbaar ministerie de persoon heeft willen vervolgen die in Nederland verantwoordelijk is voor de investering van gelden van grote investeerders in projecten die risicovol waren terwijl dit vooraf niet met die investeerders is overlegd.

De verdachte heeft met zijn zoon in Nederland investeerders geworven via de [Stichting X] (hierna: [stichting X]), terwijl [getuige 1] in Zuid-Afrika verantwoordelijk was voor de geïnvesteerde gelden. Reeds daaruit volgt dat de positie van de verdachte en die van [getuige 1] niet gelijk was. Het hof is van oordeel dat geen sprake is geweest van een kennelijk onredelijke of onbillijke belangenafweging of schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het betoog dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de inhoud van de tenlastelegging onvoldoende zou blijken, gaat evenmin op. Niet is gebleken dat het openbaar ministerie een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. De originele wijziging van de tenlastelegging zoals die in eerste aanleg heeft plaatsgevonden is immers abusievelijk niet in het dossier terecht gekomen of daaruit verdwenen, zonder dat is gebleken dat dit aan het openbaar ministerie te wijten is. Door de nadien, ter terechtzitting van het hof van 7 mei 2013, door de raadsman in de zaak tegen de medeverdachte ([medeverdachte]) overgelegde toegestane wijziging van de tenlastelegging, is het dossier weer compleet geworden. De tekst van de tenlastelegging is bovendien nog eens bevestigd door de vordering tot wijziging van de tenlastelegging van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 mei 2013 zoals die door het hof is toegestaan. Het hof acht het openbaar ministerie om die reden ontvankelijk in de vervolging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 1]

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de verklaring zoals afgelegd door [getuige 1] onbetrouwbaar zou zijn omdat hij, en niet de verdachte en/of de medeverdachte, de initiator van het hele project zou zijn geweest, passeert het hof dit verweer.

Het enkele feit dat [getuige 1] op onderdelen anders verklaart dan de verdachte en/of de medeverdachte maakt, mede in het licht van de overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, niet dat zijn verklaring onbetrouwbaar moet worden geacht. Het hof heeft per onderdeel van de verklaring van [getuige 1] bezien of die verklaring ondersteuning vindt in de andere bewijsmiddelen en heeft slechts die onderdelen van zijn verklaringen tot het bewijs gebezigd.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat [getuige 1] in overleg met het openbaar ministerie belastende verklaringen heeft afgelegd bij zijn verhoor door de rechter-commissaris in Zuid-Afrika zodat hij zelf niet vervolgd zou worden in Zuid-Afrika en Nederland en zijn verklaring daarom niet voor het bewijs zou mogen worden gebruikt, geldt dat daarvan – anders dan de stelling die de verdediging daaromtrent heeft ingenomen – niet is gebleken. Het hof verwerpt het verweer.

Bewegen investeerders en oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling

Door de verdediging is betoogd dat de investeerders niet door de verdachte zijn bewogen om te investeren in de overbruggingskredieten.

Voorts is betwist dat de verdachte het oogmerk had om de investeerders op te lichten. Er zou geheel zijn vertrouwd op de deskundigheid van [getuige 1] en de verdachte zou pas in mei 2004 op de hoogte zijn geraakt van het gegeven dat de aangetrokken gelden niet alleen waren geïnvesteerd in overbruggingskredieten, maar eveneens in meer risicovolle bouwprojecten. Bovendien zijn ook de heer [getuige 4] (werkzaam bij De Nederlandse Bank), de heer [getuige 6] (medewerker van de Rabobank) en nadien de heer [getuige 5] (financieel adviseur), benaderd om informatie in te winnen over de mogelijkheden om het geld dat ingezameld zou worden te beleggen. Ook daaruit zou blijken dat het oogmerk om op te lichten ontbrak.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van dit feit. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het feitelijk handelen van de verdachte en de medeverdachte het oogmerk op zichzelf en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen is af te leiden.

Voor zover door de verdediging is betoogd dat de verdachte heeft vertrouwd op [getuige 1] heeft de advocaat-generaal erop gewezen dat de verdachte en zijn medeverdachte mogelijk gemaakt hebben dat [getuige 1] de investeringsplannen op seminars in Nederland kenbaar heeft gemaakt. Volgens de advocaat-generaal volgt uit het dossier dat de verdachte en de medeverdachte al heel kort na augustus 2003 op de hoogte waren van het feit dat de investeringen niet alleen in overbruggingskredieten werd gestoken, maar ook in meer risicovolle bouwprojecten.

Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Uit de bewijsmiddelen blijkt – kort gezegd – het volgende.

Stichting [stichting X] is opgericht op 2 september 2003, waarbij als bestuurders stonden ingeschreven [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] 1943 (hierna: [medeverdachte]) en [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1979 ([verdachte]). In artikel 7, lid 12 van de statuten van [stichting X] staat dat de bestuursleden geen honorarium ontvangen, maar dat wel hun onkosten kunnen worden vergoed.

De administratie van de verdachte en medeverdachte bevat brochures, aanmeldingsformulieren en overeenkomsten die betrekking hebben op het aantrekken van investeringen met als doel te investeren in overbruggingskredieten van [foundation Y] ([foundation Y]). [stichting X] garandeert daarbij de terugbetaling van het geïnvesteerde bedrag in euro’s en een rentepercentage per maand.

In de brochure is vermeld dat het product dat door [stichting X] is ontwikkeld inhoudt dat investeerders gedurende een kortere tijd geld uitlenen waarmee door het verlenen van overbruggingskredieten aan particuliere huizenverkopers in Zuid-Afrika door [foundation Y] een rente kan worden geïncasseerd van 24% per jaar. Het geld blijft juridisch eigendom van [stichting X]. Voornoemde constructie is risicoloos, aldus de brochure.

In een document dat is aangetroffen bij de doorzoeking van de woning van verdachte wordt vermeld dat de totale interest 6% per maand zou bedragen en dat 3% van dat percentage voor de investeerder zou zijn, 2% voor [stichting X] en 1 % voor [foundation Y]. Een aantal personen zou de volledige 5% aan interest ontvangen.

Het hof leidt uit voorgaande af dat de verdachte en medeverdachte de investeerders hebben voorgehouden dat sprake was van een investering met een gegarandeerd, aanzienlijk rendement. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de investeerders op de juistheid van die mededelingen hebben vertrouwd en dat in vertrouwen daarop hun geld hebben geïnvesteerd. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van enkele investeerders, te weten van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3]. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt bovendien dat hun was medegedeeld dat deelname aan de investering risicoloos zou zijn.

De investeerders hebben echter niet ontvangen wat hun was toegezegd. De gelden zijn slechts voor een beperkt deel in de overbruggingskredieten geïnvesteerd. Zij zijn voor een belangrijk deel gestoken in risicovolle overheidsprojecten in Zuid-Afrika en voor een deel zijn zij ten goede gekomen aan de verdachten en hun naasten.

De verdachte en medeverdachte wisten ook vanaf het begin dat het geld van de investeerders niet alleen in de overbruggingskredieten geïnvesteerd zouden worden. Het hof leidt dit onder meer af uit de volgende gegevens:

- In september 2003 begonnen de [verdachte] en zijn vader met [stichting X]. In de brochure is onterecht vermeld dat de notaris het geld na de verkoop terugstort naar [stichting X]. Ook was het niet zo dat geld juridisch gezien in bezit bleef bij [stichting X]; het geld was in bezit van [foundation Y].

- [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte en [medeverdachte] vanaf oktober 2003 wisten dat het van de investeerders afkomstige geld ook zou worden geïnvesteerd in meer risicovolle overheidsgaranties. [getuige 1] heeft dat aan de verdachte en [medeverdachte] verteld. De verklaring van [getuige 1] vindt steun in andere gegevens.

- [Verdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat hij in augustus 2003 samen met [medeverdachte] naar Zuid-Afrika is gegaan op uitnodiging van [getuige 1]. Daar gaf [getuige 1] voorlichting over projecten van de [foundation Y] en het overbruggingskrediet. Een week nadat zij in Zuid-Afrika waren geweest hoorden zij al van overheidsprojecten waarin ook geïnvesteerd zou worden. Dat was vanaf het begin aan duidelijk. Ook [medeverdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat de brochures betrekking hadden op overbruggingskredieten maar de activiteiten van [foundation Y] ook zelfstandige commerciële projectontwikkeling betroffen. Het is juist dat in maart 2004 door [stichting X] nog contracten zijn afgesloten met als omschrijving overbruggingskrediet, terwijl het geld al voor andere doeleinden werd besteed.

- Van de geïnvesteerde gelden werd – onder noemer van giften – vanaf het begin in augustus/september 2003 ook salaris voor de bestuurders van de [stichting X] betaald en werden privé uitgaven van de verdachten en hun naasten gedaan. Voor de eerste inleg in [stichting X] was al duidelijk dat de salarisbetalingen op deze wijze zouden verlopen. Het hof acht niet aannemelijk dat er ten dele sprake zou zijn van reguliere leningen, waarbij het destijds de bedoeling was dat zij zouden worden terug betaald.

Het hof verwerpt de verweren.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 september 2003 tot en met 24 mei 2004 te Putten en/of Velserbroek, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met één ander,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de hierna genoemde personen hebben bewogen tot afgifte van geldbedragen zoals telkens genoemd na de persoon

- [slachtoffer 1] (inleg € 440.000,-) en

- [slachtoffer 2] (inleg € 24.000,-) en

- [slachtoffer 3] (inleg € 50.000,-), en

- [slachtoffer 4] (inleg € 45.000,-)

hebbende verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een brochure opgesteld en verspreid waarin stond opgenomen en bijeenkomsten aan voornoemde personen voorgehouden dat:

- aan het uitlenen van geld aan [stichting X] geen risico’s verbonden waren, en

- dat de inleg verzekerd was tegen koersrisico’s en

- dat het ingelegde geld alleen zou worden besteed aan overbruggingskredieten voor particulieren, en

- dat het ingelegde geld juridisch bezit van [stichting X] zou blijven,

waardoor voornoemde personen werden bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof acht de verdachte dan ook strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank Zutphen heeft de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot eenzelfde straf als waartoe de rechtbank de verdachte had veroordeeld.

De verdediging heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden, welke omstandigheid zou moeten leiden tot meer strafvermindering dan is voorgesteld door de advocaat-generaal. Verzocht is om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van oplichting door een groot aantal investeerders op grond van valse informatie te bewegen tot het afgeven van gelden. Deze gelden zijn vervolgens slechts ten dele aangewend voor de financiering van overbruggingskredieten. Een groot deel van het geld is geïnvesteerd in andere – meer risicovolle – projecten of aangewend voor privédoeleinden van de verdachte en zijn familieleden.

Daarnaast heeft de verdachte valsheid in geschrift gepleegd door een valse leningsovereenkomst op te maken, waarmee aan het zicht onttrokken werd dat de verdachte gelden van [stichting X] voor privégebruik aanwendde.

De door derden geïnvesteerde gelden zijn uiteindelijk ten dele door de verdachte en zijn medeverdachte terugbetaald aan deze derden. Een groot deel van de geïnvesteerde gelden is echter niet terugbetaald, waardoor aan de investeerders een groot financieel nadeel is toegebracht.

Het hof stelt voorop dat voor feiten zoals gepleegd door de verdachte en zijn medeverdachte(n) waarbij sprake is van een benadelingbedrag als het onderhavige volgens de oriëntatiepunten straftoemeting passend en geboden is om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 18 en 24 maanden op te leggen. Het hof heeft echter in een aantal omstandigheden aanleiding gezien om van dit uitgangspunt af te wijken.

Ten voordele van de verdachte is in aanmerking genomen dat hij, blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2012, niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van enig strafbaar feit.

Het hof neemt verder in aanmerking dat verdachte aanzienlijke maatschappelijke en persoonlijke repercussies van zijn handelen heeft ondervonden en ondervindt.

Het hof houdt voorts op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2012 waarbij verdachte ter zake van hetzelfde feitencomplex wordt veroordeeld wegens overtreding van de Wet toezicht kredietwezen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof neemt bovendien ten gunste van verdachte in aanmerking dat de feiten inmiddels lang geleden hebben plaatsgevonden.

Ten slotte is het hof voor wat betreft de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM na onderzoek van de zaak het volgende gebleken:

? de verdachte is op 11 mei 2005 aangehouden en in verzekering gesteld;

? op 25 april 2007 heeft de eerste behandeling voor de rechtbank plaatsgevonden. De

zaak is toen aangehouden en naar de rechter-commissaris verwezen om een aantal

getuigen te horen, onder meer in Zuid-Afrika;

? op 16 november 2010 heeft de tweede behandeling voor de rechtbank plaatsgevonden;

? op 30 november 2010 is door de rechtbank vonnis gewezen;

? op 7 december 2010 is namens verdachte beroep ingesteld tegen het vonnis;

? het dossier is op 30 mei 2011 binnen gekomen bij het hof;

? op 30 oktober 2012 heeft de eerste behandeling bij het gerechtshof te Arnhem

plaatsgevonden.

? het hof heeft een tussenarrest gewezen op 13 november 2012;

? op 5 februari 2013 heeft de tweede behandeling bij het gerechtshof te Arnhem plaatsgevonden.

? op 7 mei 2013 heeft de derde behandeling bij het gerechtshof te Arnhem plaatsgevonden.

? het hof wijst arrest op 21 mei 2013.

De procedure in eerste aanleg heeft ruim 5,5 jaar in beslag genomen. Dit tijdsverloop is met name te wijten geweest aan het onderzoek door de rechter-commissaris dat lange tijd heeft geduurd.

De rechtbank heeft, gelet op dit tijdsverloop, een strafkorting van 20% toegepast.

De procedure in hoger beroep heeft ruim 2 jaar en 5 maanden geduurd, waardoor in de hoger beroepsfase een geringe overschrijding van de redelijke termijn aan de orde is geweest.

Het hof is van oordeel dat gelet op het tijdsverloop van de gehele procedure tot aan de datum van het arrest van het hof van 21 mei 2013 sprake is van schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn. Dit leidt tot matiging van de aan de verdachte op te leggen straf. Het hof neemt bovendien ten gunste van verdachte in aanmerking dat de feiten inmiddels lang geleden hebben plaatsgevonden.

Het hof zal in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Daarbij heeft het hof eveneens van belang geacht dat de verdachte, indien hij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal moeten ondergaan, hij in die tijd niet in de gelegenheid zal zijn om de slachtoffers terug te betalen. Het hof acht dit onwenselijk.

De ernst van de door de verdachte gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, brengen met zich dat het hof van oordeel is dat het daarnaast passend en geboden is dat aan de verdachte een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, wordt opgelegd.

Het toepassen van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zoals verzocht door de verdediging, kan vanwege de ernst van feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd niet aan de orde zijn.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.713,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat sprake is van eigen schuld van het slachtoffer, is het hof van oordeel dat daarvan volstrekt geen sprake is. Dit verweer wordt verworpen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3/ benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 45.235,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat sprake is van eigen schuld van het slachtoffer, is het hof van oordeel dat daarvan volstrekt geen sprake is. Dit verweer wordt verworpen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4/ benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 45.512,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 40.712,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat sprake is van eigen schuld van het slachtoffer, is het hof van oordeel dat daarvan volstrekt geen sprake is. Dit verweer wordt verworpen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 21.713,00 (eenentwintigduizend zevenhonderddertien euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 21.713,00 (eenentwintigduizend zevenhonderddertien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3/ benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3/ benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 45.235,00 (vijfenveertigduizend tweehonderdvijfendertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3/ benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 45.235,00 (vijfenveertigduizend tweehonderdvijfendertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4/ benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4/ benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 40.712,00 (veertigduizend zevenhonderdtwaalf euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4/ benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 40.712,00 (veertigduizend zevenhonderdtwaalf euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

Bepaalt dat, indien de verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling de vordering van een benadeelde partij zoals die aan hem is opgelegd bij arrest van dit hof in de zaak met parketnummer 21-004320-10, verdachte in zoverre is bevrijd van die betreffende verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr A. van Waarden en mr L.E.M. Hendriks, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 21 mei 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr A. van Waarden en mr L.E.M. Hendriks zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.