Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA0938

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2013
Datum publicatie
24-05-2013
Zaaknummer
200.122.863
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling vanwege het niet naar behoren nakomen van de uit die regeling voortvloeiende informatie- en sollicitatieplicht en het laten ontstaan van nieuwe schulden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.122.863

(insolventienummer rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Almelo: R 07/699/12)

arrest van de eerste civiele kamer van 23 mei 2013

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. H. Oldenhof.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van 23 juli 2012 is ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [appellant]) de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. M.C.J.M. Manders en tot bewindvoerder aangesteld mr. J.W.E.M. Engels-Jansen.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Almelo, van 25 februari 2013 is de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant], op voordracht van de rechter-commissaris, tussentijds beëindigd. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 4 maart 2013 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 25 februari 2013 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, indien mogelijk, de zaak zelf af te doen en daarbij te bepalen dat op hem de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing blijft.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, de brief met bijlagen van 4 april 2013 en de brief met één bijlage van 24 april 2013, beide van mr. Oldenhof, en de brief met bijlagen van 6 mei 2013 van de bewindvoerder.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2013, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Oldenhof. Tevens is verschenen de bewindvoerder.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.

[appellant], geboren op [geboortedatum], heeft tot eind 2012 een relatie gehad en samengewoond met [X] (hierna te noemen: [X]). [X] is gelijktijdig met [appellant] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Ook ten aanzien van [X] is de regeling tussentijds beëindigd, tegen welk besluit zij in hoger beroep is gekomen bij dit hof, welk beroep eveneens op 13 mei 2013 - afzonderlijk - door dit hof is behandeld.

[appellant] heeft kort na zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling in totaal drie dagen gewerkt als stukadoor. Nadien heeft [appellant] geen betaald werk meer verricht. [appellant] ontvangt sinds 11 november 2012 een WWB-uitkering naar de norm van een alleenstaande. Hij heeft zich per februari 2013 als werkzoekende voor 40 uur per week laten inschrijven bij het UWV.

3.2 De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] tussentijds beëindigd, omdat [appellant] de verplichtingen uit die regeling vanaf de aanvang daarvan in ernstige mate heeft geschonden. Volgens de rechtbank ontbreekt het [appellant] aan een saneringsgerichte houding. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

[appellant] heeft de bewindvoerder gedurende de gehele looptijd van de schuldsaneringsrege-ling onder andere geen informatie verstrekt over zijn inkomsten, waaronder aanvragen van uitkeringen. Ook is [appellant] zijn inspanningsplicht niet nagekomen, nu hij niet bewijsbaar heeft gesolliciteerd en geen inschrijvingsbewijzen van het CWI en uitzendbureaus heeft overgelegd.

Voorts zijn - nog steeds volgens de rechtbank - nieuwe schulden ontstaan, die ten tijde van de zitting op 11 februari 2013 (nog) niet waren voldaan.

De verklaring van [appellant] dat de schuldsaneringsregeling hem tegenvalt, doet niet af aan de verwijtbaarheid van het niet nakomen van de verplichtingen, nu [appellant] voor, tijdens en na de zitting waarop zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is behandeld, uitvoerig is geïnformeerd over de verplichtingen uit die regeling, zodat hij wist wat er, om aan het einde van de regeling een schone lei te verwerven, van hem werd verwacht, aldus de rechtbank.

3.3 Het hof is van oordeel dat [appellant] de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatie- en sollicitatieplicht niet naar behoren is nagekomen en dat reeds op grond daarvan deze regeling tussentijds moet worden beëindigd.

Ten aanzien van de informatieplicht is het hof van oordeel dat [appellant] deze plicht te lichtvaardig heeft opgevat. [appellant] is tijdens de schuldsaneringsregeling door de bewind-voerder bij herhaling verzocht om de voor een juiste uitvoering van die regeling benodigde informatie te verstrekken. Vast is komen te staan dat [appellant] de bewindvoerder omtrent een aantal relevante zaken, in het bijzonder met betrekking tot zijn inkomenspositie (waaronder het verstrekken van bankafschriften alsmede inlichtingen met betrekking tot de aangevraagde WWB-uitkering), niet, althans in onvoldoende mate, op de hoogte heeft gehouden. Dat het volgens de stelling van [appellant] voor hem niet altijd gemakkelijk is geweest om de bewindvoerder telefonisch te bereiken, laat onverlet dat het op de weg van [appellant] lag om, al dan niet met inschakeling van derden, ervoor zorg te dragen dat alle voor de schuldsaneringsregeling van belang zijnde zaken tijdig aan de bewindvoerder werden gemeld, bijvoorbeeld per brief of per e-mail. [appellant] is in dit opzicht tekortgeschoten.

3.4 Met betrekking tot de sollicitatieplicht overweegt het hof het volgende.

[appellant] was vanaf het moment dat hij werd toegelaten tot de wettelijke schuldsanerings-regeling op de hoogte van de verplichting dat hij gedurende ten minste vier keer per maand schriftelijk moest solliciteren naar fulltime werk en dat hij de bewindvoerder van zijn sollicitatieactiviteiten op de hoogte diende te houden. [appellant] heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat hij zich in dit opzicht aan de voor hem geldende regels heeft gehouden. Zo heeft [appellant], ook ter zitting van het hof, geen deugdelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij zich pas in februari 2013 en niet al in augustus 2012, toen hij zonder werk zat, als werkzoekende heeft laten inschrijven bij het UWV. De door [appellant] in dit verband aangevoerde omstandigheden, met name gelegen in de relatiebreuk met [X] en de crisis in de bouwwereld waardoor het verkrijgen van werk nagenoeg onmoge-lijk is, acht het hof onvoldoende om de passieve houding van [appellant] te rechtvaardigen. De stelling van [appellant] dat hij vanaf februari 2013 geen enkele sollicitatie meer heeft verricht omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat dit niet meer hoefde vanwege zijn geestelijke beperkingen ([appellant] komt naar eigen zeggen mogelijk in aanmerking voor een Wajonguitkering) die de gemeente Hardenberg ertoe zouden hebben gebracht hem gedurende één jaar vrijstelling van de sollicitatieplicht te verlenen, heeft [appellant] niet met enig bewijs ondersteund. Ook al zou dit zo zijn, dan nog geldt naar het oordeel van het hof dat zolang [appellant] geen vrijstelling van de sollicitatieplicht door de rechter-commissaris is verleend, hij in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling geacht blijft naar fulltime arbeid te solliciteren. Nu niet gebleken is van een door of namens [appellant] ingediend verzoek als hiervoor genoemd, kan het oordeel niet anders zijn dan dat [appellant] vanaf de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zijn verplichting om naar fulltime werk te solliciteren niet naar behoren is nagekomen.

3.5 Voorts heeft [appellant] gedurende de wettelijke schuldsaneringsregeling nieuwe schulden laten ontstaan, waarbij hem met name de schulden dienen te worden verweten die verband houden met het, ondanks zijn penibele financiële situatie, in bezit houden van een auto. Het gaat hier om de schuld aan het CJIB wegens een op 12 september 2012 begane snelheidsovertreding (€ 156,-), de schuld aan de Belastingdienst ter zake van over 2012 onbetaald gelaten motorrijtuigenbelasting (€ 380,-) en de schuld wegens het onbetaald laten van een Personenauto pakket (Vrieling Adviesbureau, € 41,02). Dat [appellant] zijn auto, naar ter zitting in hoger beroep is gebleken, ook thans nog in bezit houdt, omdat hij deze beschik-baar wil hebben op het moment dat hij weer (als stukadoor) aan het werk kan komen, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om het bezit van een auto te rechtvaardigen.

In het bestaan van deze nieuwe schulden is naar het oordeel van het hof eveneens een grond gelegen de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] tussentijds te beëindigen.

3.6 [appellant] heeft, nu hij volgens zijn verklaring daadwerkelijk hulp en begeleiding krijgt, dan wel nog gaat krijgen, het hof verzocht hem een laatste kans te bieden om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Het hof is van oordeel dat, nog daargelaten dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt door wie [appellant] wordt of zal worden bijgestaan en evenmin duidelijk is waaruit die begeleiding zal bestaan, de vele door [appellant] begane verzuimen en de mate waarin dit hem moet worden verweten, in de weg staan aan het honoreren van voormeld verzoek. Dat dit mede tot gevolg zal hebben dat [appellant] gedurende tien jaar geen beroep meer kan doen op een hernieuwde toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, is een omstandigheid die weliswaar ingrijpend voor [appellant] is, maar door hem voorkomen had kunnen worden indien hij zich had gehouden aan de hem bij herhaling voorgehouden verplichtingen van de schuldsaneringsregeling.

3.7 Het hoger beroep faalt derhalve. Nu ook van (overige) bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek van [appellant] toch zou moeten worden toegewezen, onvoldoende is gebleken, zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Almelo, van

25 februari 2013.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, H.L. Wattel en F.J.P. Lock, en is op 23 mei 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.