Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA0569

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
21-05-2013
Zaaknummer
200.111.942
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg polisvoorwaarden rechtsbijstandverzekering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2013/53
RAV 2013/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.111.942

(zaaknummer rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede 398174)

arrest van de eerste kamer van 7 mei 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. G.J. Hollema,

tegen:

de naamloze vennootschap

ARAG-Nederland, Algemene Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V.,

gevestigd te Leusden, volgens de memorie van antwoord onder algemene titel opgevolgd door de Europese naamloze vennootschap ARAG SE, gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),

geïntimeerde,

hierna: Arag,

advocaat: mr. H.D. Wind.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 24 april 2012 en 24 juli 2012 die de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede) tussen [appellant] als eiser en Arag als gedaagde heeft gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 13 augustus 2012,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012,313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het bestreden vonnis van 24 juli 2012.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.

Arag is de rechtsbijstandverzekeraar van [appellant]. [appellant] heeft Arag ingeschakeld in het kader van bezwaren tegen het door raad van de gemeente [woonplaats] bij besluit van 5 maart 2009 vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied 2007”, meer in het bijzonder tegen hetgeen daarin was besloten omtrent een autosloperij/handel in oude metalen in dat gebied. Nadat Arag namens [appellant] bedenkingen had ingediend bij het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) tegen dat besluit van 5 maart 2009, heeft het college bij besluit van 3 november 2009 besloten over de goedkeuring van het bestemmingsplan. [appellant] heeft bij brief van 7 december 2009 aan Arag gevraagd om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor 19 december 2009 schriftelijk te adviseren over de inhoud van het collegebesluit van 3 november 2009 en over de naar aanleiding daarvan te nemen stappen. Daarop heeft [advocaat 1], jurist in dienst van Arag, (hierna: [advocaat 1]) bij e-mail van 4 januari 2010 het besluit van het college aan [appellant] toegelicht en [appellant] geadviseerd geen beroep in te stellen bij de Raad van State, de afhandeling van eventueel ingediend beroep af te wachten en zodra het kan een handhavingsverzoek in te dienen ter verwijdering van de autosloperij. Bij e-mail van 5 januari 2010 heeft [appellant] aan [advocaat 1] laten weten dat hij het niet eens is met dat advies, dat hij een second opinion wenst, en dat hij die dag (omdat op 5 januari 2010 de beroepstermijn afliep) zelf een beroep – zonder gronden – heeft ingediend bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak (hierna: de Raad van State). Daarbij verzocht hij om een schriftelijk antwoord voor 9 januari 2010, ook inzake de second opininon. Bij e-mail van 6 januari 2010 heeft [advocaat 1] geschreven dat hij zijn teamleider zou verzoeken een andere behandelaar een second opinion te laten geven. Vervolgens heeft [advocaat 2] (hierna: [advocaat 2]), eveneens jurist in dienst van Arag, bij brief van 5 februari 2010 een inhoudelijke reactie gegeven en toegelicht dat (en om welke reden) hij de conclusie van [advocaat 1] onderschrijft. Bij brief van 29 maart 2010 heeft [appellant], in antwoord op een vraag van [advocaat 1] in zijn e-mail van 16 maart 2010, aan [advocaat 1] laten weten dat hij het hoger niet heeft ingetrokken en wenst voort te zetten. [appellant] heeft zich in de beroepsprocedure laten bijstaan door [advocaat 3] (hierna: [advocaat 3]). Bij uitspraak van 13 juli 2011 heeft de Raad van State het beroep van [appellant] deels niet-ontvankelijk en deels gegrond verklaard.

In de polisvoorwaarden is niets geregeld omtrent een second opinion. Ten aanzien van verschillen van mening over de behandeling is in de polisvoorwaarden (in artikel 6) enkel voorzien in een bindend adviesprocedure. In dat artikel is bepaald:

“Andere visie op de aanpak van de zaak

Arag staat in voor een kwalitatief goede behandeling van uw zaak. Het kan echter voorkomen dat u met Arag van mening verschilt over de juridische stappen die in uw zaak genomen moeten worden. (…) Ook kan verschil van mening ontstaan over de vraag of het door u beoogde resultaat met redelijke kans van slagen bereikt kan worden.

Blijkt het niet mogelijk dit meningsverschil te overbruggen, dan moet dit verschil van mening op een goede en zorgvuldige wijze worden opgelost, zonder dat uw zaak daarvan nadeel ondervindt.

Daartoe zal Arag een door zowel Arag als u erkende, onafhankelijke instantie als scheidsrechter (juridisch geheten: bindend adviseur) aanwijzen, die zal oordelen over het verschil van mening.

De beslissing van deze scheidsrechter is bindend zowel voor u als voor Arag. De kosten van de scheidsrechter komen voor rekening van Arag.

Deelt de scheidsrechter geheel of in hoofdlijnen de mening van Arag, dan zal de zaak door Arag verder worden afgewikkeld zoals reeds voorgesteld. Wanneer u de zaak toch volgens uw visie wilt voortzetten, dan stuurt Arag u de stukken toe en zult u de zaak voor eigen rekening verder (laten) behandelen. Bereikt u uiteindelijk het door u beoogde resultaat, dan zal Arag de verzekerde kosten van rechtsbijstand achteraf alsnog aan u vergoeden.(…)”

4.2 In de onderhavige procedure vordert [appellant], met een beroep op (analoge toepassing van) voormeld artikel 6 van de polisvoorwaarden, dat Arag wordt veroordeeld tot betaling van € 10.169,- (zijnde het totaal van het door [advocaat 3] gefactureerde bedrag voor zijn werkzaamheden in voormelde beroepsprocedure ad € 8.270,50 en voor een door hem gegeven toelichting over het belang van die procedure ad € 1.130,50, vermeerderd met een bedrag voor buitengerechtelijke kosten ad € 768,-), verminderd met de door de Raad van State toegekende proceskostenvergoeding van € 874,-. Bij memorie van grieven heeft [appellant] gesteld zijn eis te willen vermeerderen met een vordering van € 1.160,49 voor kosten van [advocaat 3] in verband met het niet verschijnen van [advocaat 2] in een bestuursrechtelijke procedure voor de rechtbank Almelo. Voorts vordert [appellant] dat de toe te wijzen bedragen worden vermeerderd met rente en kosten.

4.3 De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Hij heeft daartoe kort gezegd overwogen dat waar [appellant] de mogelijkheid van een bindend advies ongebruikt heeft gelaten en hij zijn weg zelfstandig heeft vervolgd, [appellant]s handelen aldus moet worden uitgelegd dat hij daarmee heeft berust in het advies van Arag. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen aanleiding om aan artikel 6 van de polisvoorwaarden een wijdere strekking toe te kennen, in het bijzonder niet de strekking dat de werking van dat beding zich ook uitstrekt in gevallen waarin slechts een second opinion is verstrekt en niet een bindend advies. De grieven van [appellant], die zich lenen voor gezamenlijke bespreking, zijn gericht tegen dit oordeel en de overwegingen waarop het is gebaseerd.

4.4 Aan de orde is onder meer de vraag of de polisvoorwaarden zodanig moeten worden uitgelegd, dat hetgeen in artikel 6 is bepaald omtrent het achteraf vergoeden van de verzekerde kosten van rechtsbijstand ook van toepassing kan worden geacht wanneer (zoals in het onderhavige geval) geen bindend adviseur is aangewezen, maar alleen een second opinion is gegeven.

Het hof stelt voorop dat het voor beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding tussen partijen is geregeld aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltexnorm). Ook de uitleg van polisvoorwaarden dient te geschieden aan de hand van de Haviltexnorm, waarbij geldt dat – waar het om polisvoorwaarden waarover niet tussen partijen pleegt te worden onderhandeld – de uitleg daarvan met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting.

Bij schriftelijke bedingen in overeenkomsten met consumenten (al dan niet neergelegd in algemene voorwaarden) prevaleert ingevolge artikel 6:238 lid 2 BW (als uitvloeisel van de EG-richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) bij twijfel over de betekenis van een beding, de voor de consument gunstigste uitleg. Met betrekking tot uitleg van een door een professionele verzekeraar geredigeerd beding in algemene verzekeringsvoorwaarden, heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat weliswaar in het algemeen voor de hand ligt dat, wanneer een dergelijk beding voor meer dan een uitleg vatbaar schijnt, wordt gekozen voor de uitleg die het minst bezwarend is voor de niet professionele verzekerde, maar dat het van alle omstandigheden van het geval afhangt of die keuze gerechtvaardigd is. Tot die relevante omstandigheden behoren onder meer de aard van de verzekering en het verzekerde risico (HR 28 april 1989, LJN: AJ6858).

4.5 In deze zaak gaat het om de uitleg van door Arag, een professionele verzekeraar, eenzijdig opgestelde polisvoorwaarden, in het kader van een rechtsbijstandverzekering teneinde recht op rechtshulp of op vergoeding van kosten die samenhangen met het oplossen van een juridisch geschil te bieden. In artikel 1 (de inleiding) van de polisvoorwaarden is omtrent het doel van de verzekering opgenomen: “Het zelf bekostigen van (juridische) deskundigen is, gezien de daarmee gemoeide kosten, voor velen niet haalbaar. Met een rechtsbijstandverzekering draagt u dit financiële risico aan een verzekeraar over.” Uit de polisvoorwaarden blijkt dat de volgende modules verzekerd kunnen worden: a. verkeersrisico (als verkeersdeelnemer en eigenaar van een vervoersmiddel), b. consument en wonen (als particulier), en c. inkomen (als werknemer).

De onder 4.4 opgenomen uitgangspunten bij de uitleg van (tot een overeenkomst behorende) (algemene) voorwaarden, in samenhang bezien met de aard van deze verzekering, het relatief geringe verzekerde risico en het karakter van de verzekering (het ontnemen van het risico van kostbare juridische bijstand aan – kort gezegd – verkeersdeelnemers, particulieren en werknemers), leiden er in de onderhavige zaak niet alleen toe dat vooral moet worden bezien welke bedoeling uit de tekst en de aard en strekking van de polisvoorwaarden kan worden afgeleid, maar ook dat ingeval van twijfel over de betekenis van een beding, dat beding op de voor [appellant] gunstigste wijze dient te worden uitgelegd.

4.6 In verband met de uitleg van artikel 6 van de polisvoorwaarden stelt het hof de volgende feiten voorop. Vaststaat dat Arag niet – overeenkomstig de in artikel 6 van de polisvoorwaarden voorziene mogelijkheid – een bindend adviseur heeft aangewezen om te oordelen over het met [appellant] gerezen verschil van inzicht over de vraag of beroep moest worden ingesteld tegen het collegebesluit van 3 november 2009. In plaats daarvan heeft zij bewilligd in het verzoek van [appellant] een second opinion te geven. Zij heeft kennelijk getracht op die wijze het gerezen meningsverschil te beslechten. Naar het oordeel van het hof staat voorts genoegzaam vast dat het Arag op grond van de e-mail van 5 januari 2010, de indiening van de gronden door [appellant] (waartoe door de Raad van de State een termijn was gegund tot 3 februari 2010) en de brief van 29 maart 2010 duidelijk moest zijn dat [appellant] het niet eens was met haar advies en de voorgestelde wijze van aanpak, en dat het meningsverschil ook na ontvangst van de second opinion op 5 februari 2010 voorduurde. Daargelaten of het [appellant] duidelijk was, dan wel had moeten zijn, dat hij na het verkrijgen van die second opinion (en derhalve nadat hij de beroepsgronden bij de Raad van State had ingediend) nog om een bindend advies had kunnen verzoeken, staat voorts vast dat Arag zelf niet alsnog een bindend advies procedure heeft geëntameerd noch aan [appellant] heeft voorgesteld.

4.7 Een redelijke uitleg van de polisvoorwaarden brengt met zich dat ook in een geval als het onderhavige – waarin Arag ervoor heeft gekozen om geen bindend adviseur aan te wijzen doch een second opinion te verstrekken, en waarin zij ook na het afkomen van de second opinion geen bindend adviesprocedure heeft gestart of aan verzekerde heeft voorgesteld – het in artikel 6 bepaalde omtrent de vergoeding achteraf ingeval een verzekerde die de zaak voor eigen rekening verder heeft laten behandelen uiteindelijk het beoogde resultaat verkrijgt, van toepassing moet worden geacht. Het uit de polisvoorwaarden blijkende doel van die regeling is immers het geven van een regeling voor een goede behandeling van de zaak ingeval van verschil van mening over de te kiezen behandeling. In dat kader is bepaald dat Arag, mocht achteraf blijken dat zij en de bindend adviseur de situatie verkeerd hebben ingeschat, alsnog de door de verzekerde gemaakte kosten vergoedt. Dan blijkt namelijk achteraf dat de verzekerde terecht de door hem gevraagde aanpak voorstond. Zonder voldoende gemotiveerde toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien waarom dat anders zou zijn wanneer geen bindend advies is verkregen, doch in plaats daarvan een second opinion. Ook in het geval dat voor een second opinion wordt gekozen kan immers achteraf blijken dat de verzekerde terecht de door hem gevraagde aanpak voorstond. Bovendien lijkt uit de stelling van Arag (in haar memorie van antwoord onder 12) dat zij, als de second opinion daartoe aanleiding zou hebben gegeven, [appellant] zou hebben bijgestaan in de procedure bij de Raad van State, te kunnen worden afgeleid dat zij op dit punt wel een analoge toepassing van artikel 6 voorstaat. In ieder geval is in de polisvoorwaarden niet op een duidelijke en begrijpelijke wijze uitgelegd dat (en waarom) in het geval gekozen is voor een second opinion, welke negatief uitvalt voor de verzekerde, de kosten van het zelfstandig doorprocederen, ook wanneer dat achteraf een terechte keus blijkt te zijn geweest, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Dit had, zeker nu Arag klaarblijkelijk soms – in afwijking van de bepaling dat zij in geval van verschil van mening een bindend adviseur aanwijst – voor de route van een second opinion kiest en zij in artikel 6 van de voorwaarden als uitgangspunt heeft opgenomen dat zij instaat voor een kwalitatief goede behandeling van de zaak, wel op haar weg gelegen. Bij deze onduidelijkheid moet worden gekozen voor de uitleg die het minst bezwarend is voor [appellant]. Nu vaststaat dat Arag niet alleen is afgeweken van de bepaling in artikel 6 om ingeval van een meningsverschil een bindend adviseur aan te wijzen, maar zij ook heeft nagelaten het nadien nog immer voortdurende meningsverschil te overbruggen door na de second opinion alsnog een bindend adviesprocedure te entameren dan wel voor te stellen, kan zij [appellant] niet tegenwerpen dat hij na ontvangst van de second opinion (toen de beroepsgronden reeds waren ingediend) geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om alsnog een bindend adviesprocedure te verlangen. Uit het voorgaande blijkt genoegzaam dat – anders dan Arag bij memorie van antwoord heeft betoogd – wel degelijk sprake was van een onoverbrugbaar meningsverschil als bedoeld in artikel 6.

[appellant] kan ook niet worden tegengeworpen dat hij niet vooraf melding heeft gemaakt van zijn wens om, wanneer hij met het beroep bij de Raad van State succes zou behalen, aanspraak te maken op vergoeding van de daarmee gemoeide kosten. Artikel 6 stelt immers niet de voorwaarde dat de verzekerde tevoren aan Arag kenbaar maakt dat hij ingeval hij alsnog in het gelijk wordt gesteld, aanspraak wenst te maken op vergoeding van de kosten van externe bijstand. Uit de tekst van dat artikel valt veeleer het tegendeel af te leiden; dat artikel handelt juist over de vergoeding van de kosten van het naar eigen inzicht verder (af)handelen van de zaak. Overigens heeft Arag, gelet op de inhoud van de brief van [appellant] van 29 maart 2010 ook niet kunnen aannemen dat [appellant] heeft berust in haar advies.

Het voorgaande brengt met zich dat, wanneer komt vast te staan dat [appellant] alsnog het door hem beoogde resultaat heeft behaald, Arag alsnog de verzekerde kosten van rechtsbijstand dient te vergoeden.

4.8 Arag betwist dat [appellant] het beoogde resultaat heeft gehaald. Weliswaar is zijn beroep deels gegrond verklaard, maar materieel bezien is hij volgens Arag niet in een betere positie komen te verkeren. Doordat het college goedkeuring heeft onthouden aan bedrijfsactiviteiten die vallen onder milieucategorie 3 en hoger, mochten de door [appellant] gewraakte bedrijven ([bedrijfsnaam] [woonplaats], die vallen in milieucategorie 3) hun activiteiten niet meer ter plaatse verrichten, zodat [appellant] – na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan – een handhavingsverzoek tot verwijdering van de autosloperij kon indienen, aldus Arag.

[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn belang bij en resultaat met het hoger beroep verwezen naar een fax van 23 november 2011 van zijn advocaat [advocaat 4] en een brief van 7 januari 2012 van [advocaat 3]. Kort gezegd komt het erop neer dat het belang erin was gelegen dat de Raad van State ook zijn goedkeuring zou onthouden aan de overweging dat de bedrijven niet behoefden te worden verplaatst en dat daartegen niet handhavend hoeft te worden opgetreden; de bedrijven zouden vanwege overgangsrecht voorlopig worden gedoogd. Verder was er belang in gelegen dat ook goedkeuring zou worden onthouden aan (de vestiging van) bedrijven in milieucategorieën 1 en 2.

4.9 Het hof overweegt in dit verband als volgt. Arag erkent dat in beroep bij de Raad van State is bereikt dat voor het plangebied waar de bedrijven zijn gevestigd, in zijn geheel goedkeuring is onthouden en dat bedrijfsactiviteiten die vallen onder milieucategorie 1 of 2 daarmee ook zijn onthouden van goedkeuring. Vaststaat ook dat de Raad van State heeft geoordeeld dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover dat ten aanzien van bovengenoemde plandelen is goedgekeurd, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen:

“2.8. [appellant] (…) en anderen (…) stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover dat betrekking heeft op de percelen [bedrijfsnamen], het terrein van de NAM en het bedrijfsterrein van ARO langs de Loweg (…). 2.8.1. Het college heeft (…) geen aanleiding gezien om in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden. Daarbij heeft hij onder meer overwogen dat de oplossing voor de omwonenden gestelde overlast moet worden gevonden in een zorgvuldige handhaving door de gemeente.

2.8.2. De percelen [bedrijfsnamen] en het terrein van de NAM zijn (…) door de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het plan uitsluitend bestemd voor bedrijven als genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (…). Tussen partijen is echter niet in geschil dat op de percelen [bedrijfsnamen] en het terrein van de NAM bedrijven zijn gevestigd uit een hogere categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. De raad heeft bij de vaststelling van het plan het uitgangspunt gehanteerd dat de desbetreffende bedrijven niet worden verplaatst, maar dat deze in het plan als zodanig moeten worden bestemd. Blijkens het verhandelde ter zitting is de raad – hoewel de desbetreffende bedrijven als gevolg van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het plan niet langer als zodanig zijn bestemd – ook thans niet voornemens om deze bedrijven te verplaatsen of om daartegen handhavend op te treden. De raad heeft ter zitting aangegeven dat voor de percelen [bedrijfsnamen] een nieuw bestemmingsplan moet worden vastgesteld, waarbij wederom het uitgangspunt zal worden gehanteerd om het bedrijf van [bedrijfsnaam] als zodanig te bestemmen en waarbij een nieuwe afweging dient plaats te vinden tussen de belangen van het bestaande bedrijf en de belangen van de omwonenden. Wat betreft het terrein van de NAM heeft de raad reeds een nieuw bestemmingsplan vastgesteld met het oog op de planologische inpassing van de bedrijfsactiviteiten die ter plaatse door de NAM worden verricht. Tegen dit plan hebben omwonenden beroep ingesteld.”

Naar het oordeel van het hof blijkt daaruit genoegzaam dat de Raad van State, die de beroepen op dit punt gegrond heeft verklaard, het besluit in zoverre heeft vernietigd en, in zoverre zelfvoorzienend, goedkeuring aan het plan heeft onthouden, van oordeel was dat de opstelling van de gemeenteraad – die niet voornemens was om de bedrijven te verplaatsen of daartegen handhavend op te treden – door het college had moeten worden beantwoord met het onthouden van goedkeuring aan dat deel van het plan. Nu dat door de Raad van State alsnog is gedaan, is [appellant] (ook materieel bezien) in een betere positie komen te verkeren. In ieder geval heeft Arag onvoldoende gemotiveerd betwist dat [appellant] – gelet op deze uitkomst – het door hem beoogde resultaat heeft behaald.

4.10 Daarmee komt het hof toe aan de vraag of, zoals Arag stelt en [appellant] betwist, de vordering moet worden afgewezen omdat de dekking ingevolge artikel 4 van de polisvoorwaarden is komen te vervallen. Uit dat artikel volgt dat de aanspraak op rechtsbijstand vervalt als de verzekerde zonder toestemming van Arag iemand opdracht tot behandeling van de zaak heeft gegeven. Bij memorie van antwoord heeft Arag daar nog aan toegevoegd dat het in artikel 3 van de polisvoorwaarden neergelegde uitgangspunt van de verzekering met zich brengt dat alleen met toestemming van Arag, of in twee wettelijke en in de polisvoorwaarden geregelde gevallen die hier niet aan de orde zijn, de behandeling wordt uitbesteed aan een advocaat of een andere rechtens bevoegde deskundige.

Tussen partijen staat echter vast dat [appellant] zich pas na het gerezen meningsverschil over het instellen van beroep bij de Raad van State, door [advocaat 3] heeft laten bijstaan. Uit de hiervoor onder 4.1 genoemde vaststaande feiten blijkt dat, ondanks dat [appellant] telkens om spoedige beantwoording van zijn verzoeken om advies/heroverweging vroeg, de beroepstermijn en de termijn voor het indienen van gronden in de beroepsprocedure zouden zijn verstreken indien [appellant] niet zelf beroep zou hebben ingesteld en hij vervolgens niet (met behulp van [advocaat 3]) de gronden zou hebben ingediend. Nu het hof reeds heeft overwogen dat de in artikel 6 van de polisvoorwaarden opgenomen clausule omtrent de kostenvergoeding ingeval van het bereiken van het beoogde resultaat nadat de zaak voor eigen rekening verder is behandeld, ook in het onderhavige geval van toepassing is, staat vast dat [appellant] – die zijn zaak voor eigen rekening verder heeft laten behandelen (en wel door [advocaat 3]) – ingevolge dat artikel aanspraak kan maken op de verzekerde kosten van rechtsbijstand. Uit de polisvoorwaarden blijkt ook niet (en Arag heeft dat ook niet voldoende gemotiveerd gesteld) dat de kosten van [advocaat 3], indien hij na een voor [appellant] negatief uitgevallen bindend advies zou zijn ingeschakeld, niet voor vergoeding in aanmerking hadden kunnen komen. Niet valt in te zien dat de dekking op grond artikel 3 en/of 4 van de polisvoorwaarden vervalt wanneer een verzekerde, nadat van een onoverbrugbaar meningsverschil is gebleken, ervoor kiest zijn zaak (voor eigen rekening) door een derde te laten behandelen. Die artikelen zien, gelet op de tekst van artikel 6 van de polisvoorwaarden, niet op een dergelijk geval.

4.11 Wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt het hof als volgt.

Het verweer dat gelet op het belang van [appellant] bij het beroep bij de Raad van State, de kans op een voor hem materieel bezien beter resultaat en het uiteindelijke bereikte resultaat, geen sprake is van gebruikelijke kosten in de zin van artikel 2, althans van redelijke kosten, gaat niet op. Uit hetgeen hiervoor onder 4.9 is overwogen, blijkt immers genoegzaam dat [appellant] belang had bij zijn beroep en dat hij daarmee resultaat heeft bereikt. Arag heeft nog aangevoerd dat [appellant] deels niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering en dat daarom hooguit een deel van de kosten voor vergoeding in aanmerking kan komen, doch dit neemt niet weg dat [appellant] – als gezegd – resultaat heeft geboekt met zijn beroep en dat hij om die reden recht heeft op vergoeding van de daartoe gemaakte kosten van rechtsbijstand. Nu Arag niet heeft betwist dat [appellant] voor bijstand in de beroepsprocedure € 8.270,50 aan [advocaat 3] heeft moeten betalen, en Arag overigens niet heeft betwist dat dat bedrag redelijk is voor de verkregen rechtsbijstand, kan het feit dat [appellant] deels niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering niet afdoen aan de, uit de polis voortvloeiende, betalingsverplichting van Arag.

Ook het bedrag van € 1.130,50 voor de nadere toelichting door [advocaat 3] op het belang van het ingestelde beroep, acht het hof toewijsbaar. Immers, Arag weigerde de gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden en legde daaraan (blijkens de e-mail van 7 november 2011 van [advocaat 2] aan de [advocaat 4]) onder meer ten grondslag: “Daarmee blijft echter nog steeds de knellende vraag wat de heer [appellant] materieel gezien nu beter geworden is van dit hoger beroep. Wat heeft hem deze uitspraak van de RvS nu extra gebracht in vergelijking met zijn positie begin 2010? Het enkele feit dat hij op een formeel punt in het gelijk is gesteld is op zich zelf nog niet relevant. De kernvraag is wat was het beoogde resultaat en is dit bij aanvang van het hoger beroep beoogde resultaat ook daadwerkelijk gerealiseerd? Kortom, graag ontvang ik van u een schriftelijke beantwoording van deze vragen alvorens ik toekom aan een beoordeling van de declaratie als zodanig.” Nadat [advocaat 4] die vragen bij fax van 23 november 2011 had beantwoord, heeft [advocaat 2] bij e-mail van 16 december 2011 aan [advocaat 4] laten weten de door hem gegeven beantwoording vooralsnog onvoldoende te achten voor vergoeding van de kosten. Daarop heeft [advocaat 4] [advocaat 3] verzocht verslag uit te brengen over het belang en het resultaat van de beroepsprocedure. Als onbetwist staat vast dat [advocaat 3] daarvoor

€ 1.130,50 in rekening heeft gebracht. Gelet op de reden van het uitbrengen van dit verslag is het hof van oordeel dat dit redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid betreffen, die uit hoofde van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking komen. Anders dan Arag stelt, maakt de verhouding tussen het belang van het beroep en de daarmee gepaard gaande kosten de genoemde kosten niet onredelijk.

Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijk kosten van € 768,- geldt het volgende. [appellant] heeft (als productie 3 bij memorie van grieven) een specificatie overgelegd van de werkzaamheden van [advocaat 4] van 19 oktober 2011 tot en met 12 december 2011 (de inleidende dagvaarding is uitgebracht op 2 februari 2012), waarvoor door [advocaat 4] een bedrag van € 1.440,- is gefactureerd. Naar het oordeel van het hof blijkt uit die specificatie – waarvan de inhoud door Arag niet is betwist – voldoende dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt welke ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW voor vergoeding in aanmerking komen. Anders dan Arag betoogt, is duidelijk dat de werkzaamheden meer hebben omvat dan hetgeen gebruikelijk is ter inleiding van een procedure. Het hof acht de gevorderde kosten van € 768,- – gelet op de werkzaamheden van [advocaat 4] – redelijk en de verrichte werkzaamheden ook redelijkerwijs noodzakelijk ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Deze nevenvordering is derhalve ook toewijsbaar.

4.13 Tot slot komt het hof toe aan de vraag of de vermeerdering van eis bij memorie van grieven kan worden toegestaan. Arag heeft daartegen gemotiveerd bezwaar gemaakt. Met Arag is het hof van oordeel dat deze vermeerdering, ziend op door [advocaat 3] gemaakte kosten in een andere procedure, in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Over die andere procedure hebben partijen immers niet voldoende gedebatteerd. Hierop kan niet worden beslist zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich over de vordering en het daarop gevoerde verweer nader uit te laten, hetgeen tot een onredelijke vertraging van de procedure zou leiden. Om die reden zal het hof de vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.

4.14 Arag heeft nog aangevoerd dat de door de Raad van State uitgesproken proceskostenveroordeling van € 950,35 in zijn geheel in mindering moet worden gebracht op het toe te wijzen bedrag, doch het hof volgt [appellant] in zijn standpunt dat slechts het bedrag van € 874,-, door de Raad van State toegekend voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in mindering moet worden gebracht op de vordering verband houdende met het door [advocaat 3] gefactureerde bedrag voor zijn werkzaamheden in de beroepsprocedure bij de Raad van State. Door Arag is niet gesteld, en uit de factuur van [advocaat 3] is ook niet gebleken dat de overige proceskosten door [advocaat 3] zijn betaald (en zijn inbegrepen in zijn factuur aan [appellant]).

4.15 Het hof komt, bij gebreke van voldoende specifieke stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, niet toe aan bewijslevering.

5. Slotsom

5.1 De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vorderingen zullen alsnog tot een bedrag van € 9.295,- (€ 8.270,50 + € 1.130,50 + € 768,-

– € 874,-), vermeerderd met wettelijke rente zal worden toegewezen.

5.2 Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Arag in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 90,64

- griffierecht € 207,-

subtotaal verschotten € 297,64

- salaris advocaat € 768,- (2 punten x tarief I)

Totaal € 1.065,64

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 90,64

- griffierecht € 291,-

subtotaal verschotten € 381,64

- salaris advocaat € 632,- (1 punt x tarief I)

Totaal € 1.013,64

5.3 Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Enschede van 24 juli 2012 en doet opnieuw recht;

veroordeelt Arag om, tegen deugdelijk bewijs van kwijting, aan [appellant] te betalen een bedrag van € 9.295,-, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 7.396,50 vanaf 6 september 2011 en over het bedrag van € 1.130,50 vanaf 15 februari 2012, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

laat de vermeerdering van eis buiten beschouwing;

veroordeelt Arag in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 297,64 voor verschotten en op € 768,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 381,64 voor verschotten en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Arag in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval Arag niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, Ch.E. Bethlem en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2013.