Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:CA0091

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
200.078.368/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse opzegging van plaatsingsovereenkomst door uitzendkrachten. Zijn ze daarna rechtstreeks bij de inlener in dienst getreden? Uitzendbureau vordert de alsdan verschuldigde afkoopsom. Bewijs dat ze rechtstreeks in dienst zijn getreden wordt niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.078.368/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 45840/HA ZA 08-666)

arrest van de eerste kamer van 14 mei 2013

in de zaak van

Unique Nederland B.V.,

gevestigd te Almere,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: Unique,

advocaat: mr. J.W. Hilhorst, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.M. Boogaart, kantoorhoudende te Groningen.

De inhoud van het tussenarrest van 2 oktober 2012 wordt hier over genomen.

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

Het verdere procesverloop

Ter voldoening aan de haar bij bedoeld arrest opgedragen (nadere) bewijslevering heeft Unique de getuige [getuige 1] doen horen.

[geïntimeerde] heeft in contra-enquête zichzelf als getuige doen horen.

Partijen hebben vervolgens andermaal arrest gevraagd.

Beoordeling

1. De getuige [getuige 1] heeft het volgende verklaard:

" Ik heb tot 1 augustus 2009 bij Content gewerkt in de functie van accountmanager. Ik ben nu voor mijzelf bezig. Ik heb op 6 juni 2011 een schriftelijke verklaring opgesteld en ondertekend welke zich als produktie bij de memorie van grieven bevindt. Ik heb die verklaring zelf opgesteld, ik heb deze recent nog eens doorgenomen en ik sta er nog volledig achter.

Op de vraag waaruit ik heb afgeleid dat de heren [A] en [B] op het moment van mijn gesprek met [geïntimeerde] op 28 juni 2007 daar aan het werk waren, antwoord ik het volgende: uit wat [geïntimeerde] vertelde zou kunnen worden afgeleid dat ze aan het werk waren geweest, nog aan het werk waren of zouden gaan werken. Maar uit het feit dat [geïntimeerde] het had over kostencompensatie maakte ik op dat ze al voor [geïntimeerde] hadden gewerkt of nog voor hem werkten".

2. De getuige [geïntimeerde] heeft het volgende verklaard:

"Ik heb voorafgaand aan dit verhoor de verklaring die ik op 8 april 2010 heb afgelegd nog eens doorgelezen. Ik sta nog steeds achter die verklaring en wens nogmaals te benadrukken dat ik met mijn e-mail van 3 juli 2007 heb willen onderstrepen dat de beide jongens niet bij werkzaam waren, noch direct, noch indirect. Naar aanleiding van de beide verklaringen die de getuige [getuige 1] heeft afgelegd wil ik alleen benadrukken dat [getuige 1] in zijn schriftelijke verklaring welke bij grieven is overgelegd veel stelliger was dan in zijn onder ede afgelegde verklaring bij het hof."

3. Op grond van het in eerste aanleg bijgebrachte bewijs en de (aanvullende) verklaringen die in hoger beroep schriftelijk ([getuige 1]; als productie bij de memorie van grieven) en ter gelegenheid van het getuigenverhoor zijn afgelegd, één en ander in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat Unique er niet in is geslaagd het haar opgedragen bewijs te leveren.

Uit geen van de verklaringen kan immers duidelijk worden gedistilleerd dat [A] en/of [B] na beëindiging van hun arbeidsovereenkomst met Content (op of omstreeks 1 juni 2007) rechtstreeks werkzaam is/zijn geweest voor [geïntimeerde].

[X] verklaart slechts dat [A] elders zou gaan werken op freelance basis, maar niet dat dat werkzaamheden voor [geïntimeerde] zouden zijn. Zijn verklaring spoort op dat punt met die van [A]. De getuige [getuige 1], die aanvankelijk nog schriftelijk verklaarde in een gesprek van [geïntimeerde] te hebben gehoord dat beide uitzendkrachten op basis van een freelance constructie voor hem zouden werken, is in zijn onder ede afgelegde verklaring op dit punt een stuk minder stellig. Hij heeft uit hetgeen [geïntimeerde] heeft verklaard slechts afgeleid "dat ze aan het werk waren geweest, nog aan het werk waren of zouden gaan werken."

4. Het aanbod van [geïntimeerde] aan [getuige 1] om twee andere medewerkers via Content te laten verlonen, als herhaald in het e-mail bericht van 3 juli 2007 (productie c van de zijde van Unique ter gelegenheid van de comparitie van partijen) kan weliswaar zo worden uitgelegd dat het de stellingen van Unique ondersteunt, maar evenzeer als een gebaar uit coulance overwegingen. In ieder geval kan het bedoelde e-mail bericht niet worden gezien als een erkenning dat de beide uitzendkrachten daadwerkelijk voor [geïntimeerde] hebben gewerkt na de uitzendperiode.

5. Het hiervoor overwogene impliceert dat de grief faalt.

De slotsom.

6. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van Unique als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat 3 punten tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 18 augustus 2010, waarvan beroep;

veroordeelt Unique in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 640,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, L. Groefsema en R.E. Weening en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 14 mei 2013 in bijzijn van de griffier.