Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9798

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
200.103.685/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Transactie met een "hoofd inkoop"; schijn van volmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.103.685/01

(zaaknummer rechtbank Assen 83741 / HA ZA 10-935)

arrest van de tweede kamer van 7 mei 2013

in de zaak van

[B.V. Y],

gevestigd te Nieuw-Buinen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [B.V. Y],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] h.o.d.n. "[X]",

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.E. Koopman, kantoorhoudend te Heerenveen.

Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van

23 februari 2011, 7 september 2011 en 18 januari 2012 van de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 maart 2012,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- een akte van [B.V. Y],

- een antwoordakte.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

De vordering van [B.V. Y] luidt:

"te vernietigen vorenbedoelde vonnissen van de Rechtbank Assen, en opnieuw rechtdoende alsnog, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de in prima de door geïntimeerde ingestelde vorderingen geheel af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

De feiten

1. De volgende, mede aan het in zoverre niet bestreden vonnis van 7 september 2011 ontleende, feiten zijn tussen partijen niet in geschil.

1.1 [geïntimeerde] houdt zich, handelend onder de naam “[X]”, bezig met het importeren en leveren van deuren.

1.2 [B.V. Y] fabriceert, levert en installeert op bestelling onder meer door haar op maat gefabriceerde tuinhuizen, schuren, en blokhutten. De heer [Z] is hoofd inkoop van [B.V. Y].

1.3 Begin 2010 is er overleg geweest tussen [geïntimeerde] en de heer [Z] over de levering van deuren door [geïntimeerde] aan [B.V. Y].

1.4 Op 13 januari 2010 heeft [Z] per e-mail aan [geïntimeerde] gevraagd om een “prijsaanvraag zoals telefonisch is besproken”. Deze prijsaanvraag betreft 5 type deuren, van elke type 1 stuk.

1.5 In reactie hierop heeft [geïntimeerde] in een e-mail van 13 januari 2010 aan [Z] om de complete aantallen per deur gevraagd “om een nette prijs voor u te kunnen maken”.

In reactie daarop schreef [Z] aan [geïntimeerde]:

“(…) ik schat in dat we op jaarbasis +/- 200 deuren gebruiken. Mijn voorstel is dat Jullie van elk type deur altijd 5 op voorraad hebben. Als wij een deur nodig hebben dat deze binnen een week of sneller geleverd kan worden. (…)”.

1.6 Op 19 januari 2010 stuurt [geïntimeerde] een eerste offerte aan [Z], waarin onder meer het volgende staat:

“Hierbij doe ik u toekomen de offerte voor de hiernavolgend omschreven goederen:

Aantal omschrijving prijs/st Totaal

40 1244 8R Merbau buitendeur (…) € 190,46 € 7.618,56

40 1244 6R (…) € 173,73 € 6.949,12

40 (…) € 121,06 € 4.842,24

(…)

40 (…) € 191,09 € 7.643,52

(…)

40 (…) € 149,31 € 5.972,48

(…)

200 subtotaal € 33.025,92

(…). De prijs is gebaseerd op een jaarafname van 198 stuks en afname van circa 2 stuks per levering per maand.

Condities en bepalingen:

Levertijd : in overleg, 1e levering ca 10 werkweken

Levering : Franco werk, afname 25 stuks, ongelost in gesloten vrachtwagen.

Prijzen : In euro's gebaseerd op de huidige aantallen (…)

1.7 Vervolgens hebben partijen onderhandeld, hetgeen tot 5 latere offertes heeft geleid, waarbij onder andere de stijlbreedtes van deuren en prijzen zijn aangepast.

1.8 Op 9 februari 2010 heeft [geïntimeerde] orderbevestiging [nummer] aan [Z] gestuurd. Deze is namens [B.V. Y] door [Z] voor akkoord getekend. Hierin staat onder meer het volgende:

Hierbij doe ik u toekomen de bevestiging van de hiernavolgend omschreven goederen/diensten (…).

Aantal omschrijving prijs/st Totaal

40 1244 8R Merbau buitendeur (…) € 219,37 € 8.774,80

40 1244 6R (…) € 201,59 € 8063,60

40 (…) € 119,92 € 4.796,80

(…)

40 (…) € 220,03 € 8.801,20

(…)

40 (…) € 144,65 € 5786,00

(…)

subtotaal € 36.222,40

(…). De prijs is gebaseerd op een jaarafname van 200 stuks en afname van circa 20 stuks levering per maand.

Condities en bepalingen:

Levertijd : in overleg, 1e levering ca 10 werkweken

Levering : Franco werk, bij afname van 5 stuks/week, ongelost in gesloten vrachtwagen.

Prijzen : In Euro’s gebaseerd op de huidige aantallen, geldig tot 26 februari ivm prijsstijging per deze datum, 1 opdracht, exclusief btw. Genoemde prijzen zijn gebaseerd op de huidige kosten van lonen en grondstoffen. Bij wijziging een dezer factoren behoudt [X] zich het recht voor de prijzen dienovereenkomstig aan te passen.

1.9 Op 18 februari 2010 heeft [geïntimeerde] offerte 20102529.01 aan [B.V. Y] gestuurd terzake HR+ glas voor deuren. Hierin wordt een totaalbedrag genoemd van € 12.626,40, waarbij is vermeld dat de prijs is gebaseerd op een jaarafname 20 sets levering per maand. In geschil is of deze offerte op 1 maart 2010 door [Z] voor akkoord is getekend.

1.10 Op 31 maart 2010 heeft [geïntimeerde] aan [Z] een mail gestuurd waarin staat dat de voorraad deuren binnenkort wordt aangehouden (…) één en ander op basis van de specificaties van orderbevestiging [nummer]. Ook op 10 mei 2010 informeert [geïntimeerde] [B.V. Y] over de voorraad.

1.11 [geïntimeerde] heeft na 31 maart 2010 een aantal deuren aan [B.V. Y] geleverd en gefactureerd conform de orderbevestiging [nummer].

1.12 Op 9 juni 2010 heeft [geïntimeerde] een factuur aan [B.V. Y] gestuurd ad € 9.816,60 voor deuren die niet aan [B.V. Y] zijn geleverd. [B.V. Y] heeft deze factuur onbetaald gelaten.

1.13 [B.V. Y] betrekt thans deuren van een andere leverancier dan [geïntimeerde].

1.14 Op 5 november 2010 is namens [geïntimeerde] bij brief aan [B.V. Y] de overeenkomst tussen partijen ontbonden omdat [B.V. Y] deze niet nakomt en is verzocht de schade te vergoeden.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] heeft [B.V. Y] gedagvaard en gevorderd:

• voor recht te verklaren dat de overeenkomst zoals gesloten tussen partijen op

9 februari 2010 is ontbonden, dan wel deze te ontbinden;

• [B.V. Y] te veroordelen tot betaling aan [X] een bedrag van € 40.925,61 betrekking hebbend op de niet afgenomen deuren, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW vanaf drie dagen na de dag der ontbinding, te weten 8 november 2010, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag;

• [B.V. Y] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 3.559,11 inzake misgelopen marge op de niet afgenomen beglazing ten behoeve van de niet afgenomen deuren, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW vanaf drie dagen na de dag der ontbinding, te weten 8 november 2010, althans vanaf een in goede justitie te bepalen dag;

• [B.V. Y] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 1.500,00 ten titel van buitengerechtelijke kosten;

• [B.V. Y] te veroordelen in de proceskosten.

3. [geïntimeerde] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten waarin is afgesproken dat zij 200 deuren zal leveren aan [B.V. Y] voor een bepaalde prijs, binnen een bepaalde tijd, te weten één jaar na ondertekening van de overeenkomst, en dat [B.V. Y] tekortschiet in de nakoming van deze overeenkomst door geen deuren af te nemen en in verzuim is. De gestelde schade betreft het resterend contractsbelang.

4. [B.V. Y] heeft als verweer aangevoerd dat partijen geen afnameverplichting voor [B.V. Y] van 200 deuren zijn overeengekomen, maar slechts een prijsafspraak hebben gemaakt. Voorts betwist zij de bevoegdheid van de heer [Z] om namens [B.V. Y] een overeenkomst tot afname van 200 deuren te sluiten. Zij heeft verder aangevoerd dat, indien er een afnameverplichting zou zijn, [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Zij heeft uit dien hoofde bij wege van verweer een beroep gedaan op ontbinding van de overeenkomst. Ten slotte heeft [B.V. Y] de hoogte van de gestelde schade betwist.

5. De rechtbank heeft [geïntimeerde] wat betreft de inhoud van de overeenkomst in het gelijk gesteld. Ten aanzien van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de heer [Z] heeft de rechtbank overwogen dat, ook indien zou komen vast te staan dat [Z] niet bevoegd was de overeenkomst namens [B.V. Y] te sluiten, [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [Z] daartoe wel bevoegd was. Ten aanzien van de door [B.V. Y] ingeroepen ontbinding heeft de rechtbank geoordeeld dat de drie door [B.V. Y] genoemde tekortkomingen de ontbinding van de overeenkomst niet kunnen rechtvaardigen. De rechtbank heeft de overeenkomst op vordering van [geïntimeerde] ontbonden verklaard en heeft [B.V. Y] veroordeeld tot betaling van schadevergoeding ad € 18.433,31 vermeerderd met wettelijke rente ex 6:119 BW en proceskosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

De bespreking van de grieven

Inleidend

6. Over het oordeel van de rechtbank dat de drie door [B.V. Y] genoemde tekortkomingen de ontbinding van de overeenkomst niet kunnen rechtvaardigen wordt in appel niet geklaagd (mvg 64) zodat dit buiten de rechtsstrijd valt in hoger beroep.

7. Grief I houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat [B.V. Y] zich heeft verplicht 200 deuren als genoemd in de orderbevestiging van 9 februari 2010 en het glas als genoemd in de orderbevestiging van

18 februari 2010 binnen een jaar van [geïntimeerde] af te nemen.

8. Het hof zal eerst ingaan op de overeenkomst inzake de deuren.

In de toelichting op de grief betoogt [B.V. Y] dat deze overeenkomst valt te kwalificeren als een raamovereenkomst (onder meer: mvg 161). De overeenkomst moet volgens [B.V. Y] aldus worden uitgelegd dat, indien [B.V. Y] bij [geïntimeerde] een bestelling plaatst, [geïntimeerde] zich verbindt deze bestelling te leveren tegen de afgesproken prijs en tegen de afgesproken voorwaarden. Er bestaat echter geen verplichting van [B.V. Y] om deuren af te nemen bij [geïntimeerde] (mvg 163). De bedoeling was dat [B.V. Y] op afroep orders zou plaatsen, waarbij [geïntimeerde] ervoor zou zorgen dat hij van elk type voldoende deuren op voorraad zou hebben. De verwachting was dat het jaarlijks om ongeveer 200 deuren zou gaan. Louter indicatief heeft [geïntimeerde] dat aantal in zijn opdrachtbevestiging zonder enig overleg onderverdeeld in 40 stuks van elk type (totaal vijf types), terwijl echter op voorhand helemaal niet vaststond en was te voorzien hoeveel deuren van elk type [B.V. Y] in een jaar nodig zou hebben.

9. [geïntimeerde] heeft in reactie hierop haar standpunt gehandhaafd dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten waarin is afgesproken dat [geïntimeerde] in een jaar 200 deuren zal leveren tegen de in de overeenkomst genoemde prijzen.

10. Het hof overweegt dat niet in geschil is dat de uiteindelijke overeenkomst tussen partijen is neergelegd in de door [Z] voor akkoord getekende opdrachtbevestiging van 9 februari 2010. In geschil is hoe die opdrachtbevestiging dient te worden uitgelegd. Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, LJN: AG4158, Haviltex). Voorts volgt uit HR 20 februari 2004 (LJN: AO1427) dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben. Verder komt bij de uitleg betekenis toe aan de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming ervan - waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door (juridisch) deskundige raadslieden - en de overige bepalingen ervan (HR 29 juni 2007, LJN: BA4909 en HR 19 januari 2007, LJN: AZ3178).

11. Het hof zal eerst stilstaan bij de tekstuele aspecten van de overeenkomst. In de opdrachtbevestiging wordt niet expliciet gesproken over een verplichting voor [B.V. Y] tot afname van 200 deuren per jaar. Ook in de daaraan voorafgaande offertes wordt een dergelijke verplichting niet uitdrukkelijk genoemd, terwijl die offertes werden voorafgegaan door een verzoek van [B.V. Y] tot het doen van een prijsopgaaf. Daar staat echter tegenover dat evenmin met zoveel woorden wordt gesproken over een raamovereenkomst of woorden van gelijke strekking. Het gebruik van de aanduiding “opdrachtbevestiging’ in combinatie met de genoemde totaal aantallen deuren per type met daarbij behorende prijzen en totaalprijzen duidt naar het oordeel van het hof meer in de richting van de door [geïntimeerde] gestelde uitleg dan in die van [B.V. Y].

Omtrent hetgeen door [geïntimeerde] en [Z] mondeling over en weer is verklaard is door partijen niet veel concreets naar voren gebracht en te bewijzen aangeboden.

Daarmee komt het hof toe aan wat zakelijk gezien het meest voor de hand ligt. Twee commerciële partijen zullen in beginsel niet te snel mogen aannemen dat de ander bedoeld heeft zich te willen verplichten tot iets dat zakelijk gezien sterk in haar nadeel is. Dat een leverancier als [geïntimeerde] zich zou hebben willen verplichten deuren op voorraad te houden en op afroep te leveren voor een prijs die is gebaseerd op een afname van 200 stuks per jaar, zonder dat daar van de zijde van de afnemer enige verplichting tot afname tegenover zou staan, ligt bepaald niet voor de hand. [geïntimeerde] zou dan immers het risico lopen dat (i) hij met deuren blijft zitten die [B.V. Y] niet afneemt en (ii) dat hij prijzen berekent gebaseerd op een jaarlijkse afname van 200 stuks, terwijl later blijkt dat er jaarlijks (veel) minder dan 200 deuren zijn afgenomen. Een dergelijke onzakelijke en sterk nadelige afspraak ligt dermate niet voor de hand dat [B.V. Y] begrepen moet hebben dat [geïntimeerde] ervan uitging dat zij ([B.V. Y]) zich tot een jaarlijkse afname van 200 stuks verplichtte. [B.V. Y] stelt weliswaar dat indien minder dan 200 deuren per jaar zouden worden afgenomen dit het jaar daarop zou kunnen worden gecorrigeerd, doch enige verplichting daartoe in het contract ontbreekt.

Niet gesteld of gebleken is dat de door [geïntimeerde] verdedigde uitleg zodanig nadelig is voor [B.V. Y] dat hij had moeten begrijpen dat [B.V. Y] dat niet bedoeld kon hebben.

Het enkele feit dat de onderverdeling in 40 stuks van elk type mogelijk slechts indicatief was ([geïntimeerde] ontkent dit en stelt dat deze verdeling in overleg tot stand is gekomen), leidt het hof niet tot een andere uitleg. Hetzelfde geldt voor de door [B.V. Y] genoemde onduidelijkheden inzake de vraag of de overeenkomst betrekking heeft op het lopende kalenderjaar of op een nog in te treden termijn van 365 dagen en, zo ja, per welke datum die termijn ingaat. Beide (vermeende) aspecten van onduidelijkheid zijn immers door nadere uitleg van de overeenkomst op te lossen. In het geval de overeenkomst hier een leemte laat, vloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voort wat rechtens is. Naar het oordeel van het hof zijn de verbintenissen voldoende bepaalbaar om van een overeenkomst te kunnen blijven spreken.

12. Het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd leidt ertoe dat het hof [geïntimeerde] zal volgen in de door hem gestelde uitleg van de overeenkomst. Andere dan de hiervoor besproken feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de [B.V. Y] verdedigde uitleg zijn niet door [B.V. Y] gesteld. Aan (tegen)bewijslevering komt het hof dan ook niet toe.

13. Op grond van het voorgaande faalt de grief in zoverre.

14. Daarmee komt het hof toe aan de overeenkomst inzake het glas. Nu de overeenkomst inzake de deuren op grond van het voorgaande vaststaat, is daarmee reeds niet onaannemelijk dat partijen tevens een overeenkomst inzake de beglazing daarvan hebben gesloten. Voor het bewijs van die overeenkomst beroept [geïntimeerde] zich op een door [Z] voor akkoord ondertekende en van een fimastempel van [B.V. Y] voorziene offerte d.d. 18 februari 2010. [B.V. Y] heeft niet ontkend dat deze offerte een aanbod inhoudt tot levering van glas. Zij ontkent evenwel bedoelde offerte te hebben aanvaard. Daartoe heeft zij betwist dat de offerte door [Z] voor akkoord is ondertekend. Zij baseert die betwisting op de aanname dat pas bij memorie van antwoord als productie 8 door [geïntimeerde] een ondertekend afschrift van de genoemde offerte zou zijn overgelegd. Bij dagvaarding zou een niet getekend en niet van een stempel voorzien exemplaar zijn overgelegd, hetgeen volgens [B.V. Y] een vermoeden van valsheid in geschrift oplevert. Zoals [geïntimeerde] echter terecht heeft aangevoerd, heeft hij ook reeds bij dagvaarding in eerste aanleg een ondertekend en van een firmastempel voorzien afschrift overgelegd (productie 10 bij dagvaarding). Het wantrouwen van [B.V. Y] mist dan ook grond en vloeit kennelijk voort uit een misverstand. [B.V. Y] heeft ook geheel niet onderbouwd waarom zij meent dat de handtekening niet van [Z] afkomstig is. De ontkenning van de echtheid van de handtekening acht het hof in dit licht niet een stellige ontkenning als bedoeld in artikel 159 lid 2 Rv. Daarmee heeft de ondertekende offerte (waarvan voor het overige niet is gesteld dat het overgelegde afschrift niet conform het origineel is) de status van akte en levert deze dwingend bewijs op van de aanvaarding van de offerte. Nu [B.V. Y] niet heeft betwist dat door het ondertekenen van de offerte een overeenkomst tot stand is gekomen en ook niet heeft gesteld dat de overeenkomst een andere inhoud heeft als in de offerte vermeld, staat de (inhoud van de) overeenkomst als niet weersproken vast en komt het hof niet toe aan tegenbewijs op dit punt.

15. Grief II komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat, ook indien zou komen vast te staan dat [Z] niet bevoegd was de overeenkomst namens [B.V. Y] te sluiten, [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [Z] daartoe wel bevoegd was.

16. Volgens [B.V. Y] was [Z] niet bevoegd tot het namens [B.V. Y] aangaan van overeenkomsten als de onderhavige. Zij betwist dat [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [Z] de bevoegdheid bezat om [B.V. Y] ter zake van de onderhavige transacties te vertegenwoordigen.

17. [geïntimeerde] stelt daar tegenover dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [Z] bevoegd was [B.V. Y] ter zake van de gestelde onderhavige overeenkomst te vertegenwoordigen. De feiten en omstandigheden waarop [geïntimeerde] zich beroept (memorie van antwoord sub 58 tot en met 62) zijn, voor zover relevant, de volgende:

i. [geïntimeerde] heeft van aanvang af alleen maar contact gehad met [Z], die zich presenteerde als inkoper voor [B.V. Y];

ii. De overeenkomst is ten kantore van [B.V. Y] ondertekend door [Z];

iii. De offerte met betrekking tot het glas is eveneens door [Z] ondertekend en voorzien van een firmastempel;

iv. [B.V. Y] heeft [geïntimeerde] er niet op gewezen dat [Z] niet bevoegd was, ook niet nadat door [geïntimeerde] een orderbevestiging was verzonden;

v. Nadat de overeenkomst was gesloten zijn enkele deuren op verzoek van [Z] geleverd en door [B.V. Y] betaald.

18. Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] niet heeft betwist dat [Z] niet bevoegd was tot het in naam van [B.V. Y] aangaan van de onderhavige transactie. Het hof zal de onbevoegdheid van [Z] daarom als vaststaand aannemen. Het standpunt van [geïntimeerde] komt aldus neer op een beroep op artikel 3:61 lid 2 BW.

19. Het hof overweegt dat voor een geslaagd beroep op de bescherming van artikel 3:61 lid 2 BW is vereist dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is ontstaan door toedoen (een handelen of nalaten) van de onbevoegd vertegenwoordigde (in casu: [B.V. Y]), dan wel is gebaseerd op feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde partij komen en waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (ondermeer HR 19 februari 2010, LJN BK7671, NJ 2010/115, ING/Bera).

20. Toegespitst op de onderhavige zaak overweegt het hof het volgende.

In hoger beroep spreekt [B.V. Y] over [Z] als “werkvoorbereider”. Tegen de vaststelling door de rechtbank dat [Z] de functie had van hoofd inkoop (r.o. 2.3 van het vonnis van 7 september 2011) is echter geen grief aangevoerd. Dit was overigens door [B.V. Y] zelf gesteld sub 23 van de conclusie van antwoord. Derhalve zal het hof daarvan uitgaan.

21. Een bedrijf dat een persoon als hoofd inkoop zelfstandig naar buiten toe laat optreden en hem de gelegenheid biedt gebruik te maken van postpapier, bedrijfsstempel en e-mail van het bedrijf, zal naar het oordeel van het hof in het algemeen gebonden zijn wanneer deze inkoper goederen of diensten in naam van het bedrijf heeft besteld. Voor zover in de aanstelling tot inkoper naar verkeersopvattingen al niet een (stilzwijgende) volmacht besloten ligt, brengen de eisen van een vlot handelsverkeer in het omschreven geval mee dat degene die heeft vertrouwd op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid in beginsel wordt beschermd. Met de aanstelling van een functionaris tot inkoper en het bieden van de genoemde faciliteiten (vergelijk de door [geïntimeerde] gestelde omstandigheden genummerd i tot en met iv) heeft immers het bedrijf bij de wederpartij de gerechtvaardigde verwachting gewekt dat de bewuste functionaris tot het plaatsen van bestellingen bevoegd is, althans zijn deze aanstelling en geboden faciliteiten feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde partij komen en waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Het risico dat de inkoper goederen of diensten inkoopt die de achterman niet wenst, behoort dan voor rekening van die achterman te blijven.

22. Dit uitgangspunt vindt echter zijn begrenzing daar waar de inkoper orders plaatst van een aard en omvang waarvan de wederpartij zich in het licht van alle omstandigheden van het geval behoort af te vragen of hij daartoe wel bevoegd is. In dit verband is door [B.V. Y] aangevoerd dat een transactie met de door [geïntimeerde] gestelde inhoud, waarbij [B.V. Y] zich zou verplichten om in een periode van een jaar 200 deuren met beglazing af te nemen voor een bedrag van € 51.662,40 exclusief btw, voor haar ongebruikelijk zou zijn geweest. Dit had er volgens [B.V. Y] toe moeten leiden dat [geïntimeerde] het handelsregister had geraadpleegd (memorie van grieven 184).

23. Het hof overweegt dienaangaande dat het erop aankomt of die beweerde ongebruikelijkheid van de transactie voor [geïntimeerde] kenbaar was. Partijen zijn het erover eens zijn dat [B.V. Y] een “grote speler is in de wereld van de houtbouw”. [B.V. Y] stelt dit zelf sub 17 van haar akte in hoger beroep. [geïntimeerde] heeft onweersproken gesteld dat [B.V. Y] deel uitmaakt van een groep van meerdere vennootschappen die in 2007 ongeveer 70 medewerkers in dienst had (mvg 52). In het licht van deze grootte van het bedrijf acht het hof zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, de aard en financiële omvang van de transactie niet zodanig dat [geïntimeerde] in redelijkheid had moeten twijfelen of [Z] als hoofd inkoop wel bevoegd was deze in naam van [B.V. Y] aan te gaan. Voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat voor [geïntimeerde] kenbaar was dat de transactie voor [B.V. Y] ongebruikelijk was.

24. Het feit dat [Z] na het aangaan van de overeenkomst daadwerkelijk in naam van [B.V. Y] de leveranties van deuren heeft afgeroepen en de facturen hiervoor (met prijzen conform de overeenkomst) door [B.V. Y] zijn betaald (zie het door [Z] gestelde sub v), heeft het gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van [geïntimeerde] in de vertegenwoordigingsbevoegdheid aan de zijde van [Z] alleen maar versterkt. Ook dat feit (met name de betaling) is te herleiden tot een toedoen of risico aan de zijde van [B.V. Y].

25. De conclusie luidt dat het beroep van [geïntimeerde] op artikel 3:61 lid 2 BW slaagt. De grief faalt.

26. Grief III bouwt voort op de voorgaande grieven en faalt dan ook.

27. Grief IV heeft betrekking op de begroting van de schade.

28. Het hof stelt voorop, dat de omvang van de schade die moet worden vergoed door de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding van een overeenkomst heeft opgeleverd, dient te worden vastgesteld door met elkaar in vergelijking te brengen, enerzijds, de hypothetische situatie waarin de wederpartij zou hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke wederzijdse nakoming en, anderzijds, de feitelijke situatie waarin de wederpartij na ontbinding van de overeenkomst verkeert (in voorkomende gevallen: na afwikkeling van de, uit art. 6:271 BW voortvloeiende, verbintenissen tot teruggave dan wel ongedaanmaking): vergl. Parl. Gesch. Boek 6, blz. 1036 en HR 24-09-2004; NJ 2006/201.

29. Het hof merkt voorts op dat in deze klaarblijkelijk de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst is ingeroepen, namelijk voor zover deze nog niet is uitgevoerd. Partijen zwijgen immers over ongedaanmaking van het reeds uitgevoerde deel (er zijn 9 van de 200 deuren door [B.V. Y] afgenomen en betaald).

30. In dit licht zal het hof thans de diverse schadecomponenten achtereenvolgens bespreken.

De gederfde winst ter zake van de deuren

31. In de toelichting op de grief onderschrijft [B.V. Y] het uitgangspunt van de rechtbank in rechtsoverweging 4.20 van het tussenvonnis van 7 september 2011. Aldaar overweegt de rechtbank als volgt:

“De door [geïntimeerde] gederfde winst kan op grond van artikel 6:96 BW wel als schade worden aangemerkt. Ter vaststelling daarvan dienen de bij een onberispelijke nakoming door [geïntimeerde] te maken kosten in mindering te worden gebracht op de opbrengst. Eventueel door [geïntimeerde] te maken winst bij verkoop aan derden van door hem reeds ingekochte deuren en beglazing dient overigens niet in mindering te komen op de hoogte van de te vergoeden schade, gelet op HR 10-07-2009, NJ 2011, 43.”

[B.V. Y] verwijt de rechtbank dit uitgangspunt te hebben verlaten door, nadat [geïntimeerde] had verzuimd gegevens te verschaffen over zijn inkoop, de inkoopprijs van de deuren ten onrechte te herleiden uit de opbrengst van door [geïntimeerde] aan derden verkochte deuren. Daar komt bij dat de door [geïntimeerde] over die opbrengst verstrekte gegevens vals waren, aldus nog steeds [B.V. Y]. [B.V. Y] verwijst daartoe naar een door haar in hoger beroep overgelegd rapport van Detectivebureau De Boer (hierna: DBDB) d.d. 21 mei 2012.

32. [geïntimeerde] heeft in reactie hierop het volgende naar voren gebracht. [geïntimeerde] wenste de naam van haar leverancier niet aan [B.V. Y] bekend te maken, doch doet dit thans alsnog. Deze leverancier was [S] Deurenfabriek B.V. ([S]). [geïntimeerde] heeft de op de inkoop betrekking hebbende opdrachtbevestigingen van [S] als productie 7 in het geding gebracht. Hieruit blijkt dat met de inkoop een bedrag was gemoeid van € 22.041,20. De deuren zouden gefaseerd door [geïntimeerde] worden afgenomen. [geïntimeerde] heeft op 1 september 2010 reeds voor 125 van de 200 deuren facturen ontvangen van [S] (prod 12 mva). Toen duidelijk werd dat [B.V. Y] niet aan haar verplichtingen zou voldoen, heeft [geïntimeerde] de situatie met [S] besproken. [geïntimeerde] heeft met [S] afgesproken dat zij de laatste 75 deuren niet meer zou afnemen, maar dat [S] deze zou verkopen aan [Houthandel B] ([houthandel B]) voor een bedrag van € 6.075,04. Voorts werd afgesproken dat [geïntimeerde] het verschil tussen de met [S] afgesproken prijs van € 8.265,45 en de door [houthandel B] betaalde prijs van € 6.075,04, derhalve: € 2.190,41, aan [S] zou betalen als het geschil met [B.V. Y] zou zijn afgerond. Uit praktisch oogpunt zijn genoemde 75 deuren door [S] aan [houthandel B] geleverd en gefactureerd. [geïntimeerde] heeft vervolgens, om een en ander administratief kloppend te maken een factuur opgemaakt als had hij de resterende deuren aan [S] terugverkocht voor € 6.075,04. Dit is de factuur waarvan [B.V. Y] stelt dat die “vals is”.

De prijs waarvoor [geïntimeerde] de deuren heeft gekocht was € 36.222,40. De inkoopprijs bedroeg € 22.041,20. Het verschil is € 14.181,20. Hierop strekt in mindering de winst die is gehaald op de door [geïntimeerde] afgenomen 9 deuren, die [geïntimeerde] begroot op € 851,88. Het verschil ad € 13.329,32 is haar gederfde winst. Voorts bestaat haar schade uit € 2.190,41 zijnde het hiervoor genoemde bedrag dat zij aan [S] dient te vergoeden.

33. Het hof overweegt het volgende. Wat er zij van het feit dat [geïntimeerde] in eerste aanleg de naam van haar leverancier niet heeft willen onthullen en toen een onjuist althans onvolledig beeld van de gang van zaken heeft gegeven, in hoger beroep heeft zij alsnog openheid van zaken gegeven. [B.V. Y] is in haar na de memorie van antwoord genomen akte nog wel ingegaan op de door [geïntimeerde] gegeven onderbouwing en overgelegde stukken maar heeft deze naar het oordeel van het hof niet meer (gemotiveerd) bestreden. [B.V. Y] blijft steken in verdachtmakingen en blote betwistingen waar het hof aan voorbijgaat. De door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken sluit bovendien aan bij het door [B.V. Y] zelf overgelegde rapport van DBDB. Uit de door [geïntimeerde] verstrekte gegevens blijkt dat de door hem geleden schade als gevolg van de ontbinding in elk geval bestaat uit winstderving groot € 13.329,32 en het bedrag van € 2.190,41 dat hij aan [S] verschuldigd is als zijnde het verschil tussen de door hem aan [S] verschuldigde inkoopprijs voor 75 deuren en de door [houthandel B] betaalde prijs daarvoor. Nu het totaal van deze bedragen meer is dan het ter zake van winstderving voor de deuren door de rechtbank begrote bedrag van € 15.090,34, treft de grief in zoverre geen doel.

Opslagkosten en overige gemaakte kosten ter zake van de deuren

34. De rechtbank heeft wat betreft deze kosten alleen de opslagkosten toewijsbaar geacht. Tegen de afwijzing van de overige kosten heeft [geïntimeerde] geen incidenteel appel ingesteld (mva 96). Wat de opslagkosten ad € 342,97 betreft heeft [B.V. Y] onder meer aangevoerd dat uit de facturen van opslagbedrijf Pax niet blijkt dat deze betrekking hebben op de onderhavige deuren. Dit blijkt daar inderdaad onvoldoende uit. Nu [geïntimeerde] hier niet op is ingegaan, slaagt de grief in zoverre.

De beglazing

35. [geïntimeerde] baseert haar schade op een offerte van haar glasleverancier [de glasleverancier]. Zij vordert het verschil tussen de daaruit blijkende inkoopprijzen en de prijs die zij met [B.V. Y] voor de beglazing is overeengekomen. In de toelichting op de grief heeft [geïntimeerde] onder meer aangevoerd dat uit navraag bij de glasleverancier [de glasleverancier] is gebleken dat vanaf 1 januari 2010 geen glas aan [geïntimeerde] is geleverd. Facturen en betalingsbewijzen zijn door [geïntimeerde] niet overgelegd, aldus [B.V. Y]. In reactie hierop heeft [geïntimeerde] gesteld dat hij de beglazing nog niet heeft ingekocht en dat de bedoeling was dat telkens bij afnemen van de deuren glas zou worden ingekocht conform de offerte van [de glasleverancier].

Het hof overweegt dat niet van belang is of [geïntimeerde] de beglazing al heeft ingekocht of niet. Het gaat erom welke winst [geïntimeerde] is misgelopen doordat de overeenkomst met [B.V. Y] is ontbonden. Die winst bestaat wat het glas betreft uit het verschil tussen de prijzen die [geïntimeerde] daarvoor zou hebben moeten betalen en de met [B.V. Y] overeengekomen prijzen. Door [B.V. Y] is onvoldoende gemotiveerd betwist dat eerst bedoelde prijzen kunnen worden gevonden in de offerte van [de glasleverancier]. Dit leidt tot een verschil van € 3.954,07, zoals de rechtbank heeft vastgesteld.

36. Op de winst strekken nog wel in mindering de kosten die [geïntimeerde] had moeten maken bij levering van de beglazing. De rechtbank heeft die kosten geschat op € 954,07. [B.V. Y] komt in de toelichting op de grief tot een hogere schatting, echter zonder die met stukken te onderbouwen. Het hof volgt de schatting van de rechtbank die redelijk voorkomt.

37. In zoverre faalt de grief.

Grief V.

38. Deze grief klaagt over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Uit het voorgaande blijkt echter dat [B.V. Y] de grotendeels in het ongelijk gestelde partij blijft. Dit wordt niet anders doordat een deel van de schade is afgewezen. Het zwaartepunt van het debat werd immers gevormd door de vraag of de door [geïntimeerde] gestelde overeenkomst tot stand is gekomen, terwijl van enige bereidheid tot betaling van schadevergoeding – ook niet van een lager bedrag – aan de zijde van [B.V. Y] niet is gebleken. De grief faalt.

De slotsom

39. Slechts grief IV slaagt voor een gering deel. Voor het overige falen de grieven. De bestreden vonnissen zullen dan ook grotendeels worden bekrachtigd. [B.V. Y] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 666,00 aan verschotten en 1 ½ punt in tarief III à € 1.158,00.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Assen van 7 september 2011 en 18 januari 2012, met dien verstande dat in plaats van het bedrag van € 18.433,31 als genoemd onder punt 2 van het dictum van het vonnis van 18 januari 2012 gelezen dient te worden € 18.090,34, onder vernietiging van genoemd vonnis in zoverre;

veroordeelt [B.V. Y] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 666,00 voor verschotten en € 1.737,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, voorzitter, K.M. Makkinga en I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2013.