Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9793

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
21.005099-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7685, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van moord/doodslag (feit 1). Het hof komt tot de conclusie dat de door verdachte gestelde alternatieve toedracht niet in strijd is met de beschikbare bewijsmiddelen en voorts dat de door het hof aangeduide omstandigheden, in het bijzonder de bij verdachte aangetroffen letsels, met zich brengen dat de alternatieve toedracht niet als onaannemelijk of als ongeloofwaardig terzijde kan worden gesteld. Ook geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. (Het hof bevestigt het vonnis voor wat betreft de feiten 2, 3 en 4, een drietalvermogensdelicten, en legt daarvoor 9 maanden gevangenisstraf op.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005099-11

Uitspraak d.d.: 8 mei 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 13 december 2011 en de van dat vonnis deeluitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers 16-504025-09, 16-600461-10, 09-925173-10, in de strafzaak tegen

[verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 april 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr H.J. Veen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen ten aanzien van de beslissing omtrent feit 1, de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], omdat het voor wat betreft feit 1 tot een andere bewijsbeslissing komt.

In zoverre zal opnieuw worden rechtgedaan.

Ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft de advocaat-generaal tot bewezenverklaring gerekwireerd en heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof is van oordeel dat de eerste rechter voor wat betreft die feiten op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient dat vonnis in zoverre met overneming van gronden te worden bevestigd.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 19 maart 2011 te [plaatsnaam], althans in het arrondissement [plaatsnaam], tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg), met een of meer messen, althans scherp(e) en of puntig(e) voorwerp(en) één of meermalen in de borst en/of het (boven)lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 19 maart 2011 te [plaatsnaam], althans in het arrondissement [plaatsnaam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om - in en/of buiten een woning gelegen aan de [adres] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of drugs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of drugs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), als volgt heeft/hebben gehandeld,

zijnde en/of hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- (op dreigende toon) tegen die [slachtoffer] gezegd en/of geschreeuwd, dat hij alles moest geven wat hij bij zich had of woorden van gelijke aard of strekking en/of

- meermalen, althans eenmaal, één of meer mes(sen), in elk geval (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), getoond en/of op het lichaam van die [slachtoffer] gericht en/of gericht gehouden en/of

- [slachtoffer] tegen de muur gedrukt/gezet en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met één of meer mes(sen), in elk geval

(een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), tegen het lichaam geduwd en/of

in het lichaam geprikt en/of

- [slachtoffer] belet weg te gaan en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met één of meer mes(sen), in elk geval

(een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in de nek en/of de borst en/of

de duimbasis gesneden en/of gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het hem onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij van dat feit integraal behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Op basis van het dossier staat vast dat [slachtoffer] (hierna te noemen: het slachtoffer) op 19 maart 2011 is overleden. Sectie op het lichaam van het slachtoffer heeft uitgewezen dat sprake was van twee letsels, beide met het aspect van een steekwond, met steekkanalen van 7 en 22 centimeter diep. Links aan de borst was daarbij perforatie tot in de linkerlong. Rechts aan de borst was een steekletsel met daarbij perforatie dwars door de romp en de rugspieren. Volgens de patholoog zijn de letsels bij leven opgelopen door het steken of snijden met een of meer scherpe snijdende voorwerpen en wordt het overlijden zondermeer verklaard door functieverlies van de vitale organen als gevolg van massaal bloedverlies en het samenvallen van de beide longen door de steekverwondingen.

Op basis van het dossier staat voorts vast dat het slachtoffer voorafgaand aan zijn overlijden voor de verkoop van drugs naar de woning van [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) aan de [adres] te [plaatsnaam] is gegaan, waar naast voornoemde personen voorts aanwezig waren de verdachte, [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) en [getuige 4] (hierna: [getuige 4]). De getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 4] hebben verklaard dat verdachte op het moment dat het slachtoffer de woning binnen kwam, een mes trok en stekende en prikkende bewegingen maakte richting het slachtoffer. De getuigen hebben voorts verklaard dat het slachtoffer uit de woning probeerde te vluchten, waarna een handgemeen tussen verdachte en het slachtoffer ontstond buiten de woning van [getuige 1] en [getuige 2], in het trappenhuis van het flatgebouw.

[getuige 1], [getuige 2] en [getuige 4] hebben niet waargenomen hoe het handgemeen buiten de woning vervolgens is verlopen.

Getuige [getuige 3] is met verdachte en het latere slachtoffer de woning uit gegaan. Hij heeft verklaard dat het slachtoffer de trap naar beneden liep en dat hij verdachte in het trappenhuis bovenhandse slaande bewegingen zag maken in de richting van het slachtoffer. Hij wist niet zeker of verdachte het slachtoffer daarbij raakte. Omdat de trap een draai maakt, verloor hij uiteindelijk het zicht op het slachtoffer en verdachte.

Naast bovengenoemde getuigen zijn er drie getuigen die op het moment van het handgemeen elders in het flatgebouw woonden of verbleven. Zij hebben een gedeelte van het hiervoor beschreven handgemeen gezien door het kijkgat in hun respectieve huisdeuren. Kort gezegd hebben deze getuigen twee mannen (het hof begrijpt: verdachte en het slachtoffer) in het trappenhuis/trapportaal zien vechten.

De verdachte bestrijdt het ten laste gelegde met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen.

Verdachte stelt dat hij en het slachtoffer elkaar in het trappenhuis al vechtend vasthielden. Verdachte hield met één hand de hand vast waarin het slachtoffer een mes hield, waarbij verdachte zelf letsel aan zijn hand heeft opgelopen. Het slachtoffer zou zijn hand hebben losgetrokken en verdachte vervolgens in zijn been hebben gestoken waarna verdachte op slachtoffer probeerde te springen. Toen hij dit probeerde, zakte verdachte door zijn verwonde been waardoor hij voorover viel. Het mes dat hij in zijn handen had, kwam daarbij in het lichaam van het slachtoffer terecht. Ter zitting heeft verdachte, mede op vragen van het hof, aangegeven dat dit laatste zich heeft afgespeeld op een tussenplatform, verder naar beneden dan het eerste platform vanuit de derde verdieping. Dat platform is niet zichtbaar door de kijkgaten van de woningen van de hiervoor genoemde “kijkgat”getuigen.

Voor wat betreft verdachtes lezing van de gebeurtenissen overweegt het hof als volgt.

In de zaak met nummer LJN: BK3359 heeft de Hoge Raad overwogen: “Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter — indien hij tot een bewezenverklaring komt — die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.”

Het hof merkt op dat er in deze zaak geen bewijsmiddelen voorhanden zijn die de alternatieve lezing van verdachte uitsluiten.

Er zijn geen getuigen van het steekincident zelf. De verklaring van verdachte over de plaats waar de steek aan het slachtoffer werd toegebracht, wordt niet weerlegd door het

(bloed-)sporenbeeld in het trappenhuis en ook niet door de verklaring van [getuige 3], die immers heeft verklaard dat hij verdachte en het slachtoffer uit het zicht verloor.

Getuige [getuige 1] (dossierpagina 071) heeft verklaard dat het slachtoffer een mes had. Het hof overweegt voorts dat de omstandigheid dat uit verschillende getuigenverklaringen blijkt dat verdachte zich als eerste agressief uitte richting slachtoffer, nog niet betekent dat verdachtes verklaring over het bewuste moment daarna niet klopt.

De verklaring van verdachte wordt bovendien ondersteund door objectieve gegevens, te weten het bij verdachte aangetroffen snijletsel aan zijn hand, dat veroorzaakt kan zijn doordat hij heeft geprobeerd de hand van het slachtoffer met daarin een mes van zich af te houden. Daarnaast is bij verdachte een steekwond in het rechterbeen geconstateerd. Het been is geheel doorstoken.

Het hof laat voorts meewegen dat verdachte bij zijn aanhouding niet wist dat het slachtoffer was overleden en dat hij aanstonds, vanaf zijn eerste politieverhoor, zijn hiervoor beschreven lezing van de feiten heeft gegeven en daar tot en met de behandeling in hoger beroep consequent bij is gebleven, terwijl er voorts geen getuigen zijn die het moment van steken hebben kunnen waarnemen.

Het hof betrekt bij zijn oordeel verder dat de beantwoording bij rapport van 23 september 2011 van de aanvullend aan patholoog dr. Maes gestelde vragen niet heeft geleid tot aanwijzingen dat het steekletsel bij het slachtoffer niet kan zijn veroorzaakt door een val zoals waarover de verdachte heeft verklaard.

De omstandigheid dat het slachtoffer twee steekletsels had, brengt het hof niet tot een ander oordeel nu over de wijze en het moment van ontstaan en/of toebrengen van het tweede letsel niets is gebleken, zodat niet kan worden vastgesteld of, en zo ja op welke wijze, het verdachte is geweest die ook dit tweede letsel heeft toegebracht. Het hof betrekt bij dit oordeel de omstandigheid dat in de flat een onoverzichtelijke situatie bestond waarin anderen zich met het handgemeen hebben bemoeid en in het trapgat naast verdachte en het slachtoffer blijkens de aangetroffen bloedsporen nog een persoon aanwezig is geweest en verdachte stelt dat ook een ander een mes heeft vast gehad.

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de door verdachte gestelde alternatieve toedracht niet in strijd is met de beschikbare bewijsmiddelen en voorts dat de door het hof aangeduide omstandigheden, in het bijzonder het bij verdachte aangetroffen letsel aan hand en been, met zich brengen dat de alternatieve toedracht niet als onaannemelijk of als ongeloofwaardig terzijde kan worden gesteld.

Uitgaande van verdachtes verklaring, inhoudende dat hij met een mes in de hand op het slachtoffer is gevallen nadat slachtoffer hem in zijn been had gestoken, is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Anders dan de advocaat-generaal geheel subsidiair heeft aangevoerd, is naar het oordeel van het hof voorwaardelijk opzet evenmin bewezen, nu niet uit bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte door zijn handelwijze de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard.

Het hof acht gelet op al het voorgaande niet bewezen dat sprake is van moord dan wel doodslag.

Voor wat betreft de subsidiair ten laste gelegde variant is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte slachtoffer heeft willen afpersen dan wel bestelen. Het hof spreekt verdachte ook daarvan vrij.

Gelet op deze beslissing kan het verzoek van de raadsman om de getuige [getuige 5] te horen, verder buiten beschouwing blijven. Daar is het verdedigingsbelang niet meer mee gediend.

Oplegging van straf en/of maatregel ten aanzien van feit 2, 3 en 4

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal vermogensmisdrijven. Die veroorzaken, zoals bekend, ergernis en gevoelens van onveiligheid bij degene die dat overkomt, om nog te zwijgen van de vermogensschade die daarvan het gevolg is. Hiervoor moet het hof gelet op de hiervoor gemotiveerde vrijspraak-beslissing ter zake van feit 1, een straf bepalen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (feit 1)

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 490,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Voor wat betreft de benadeelde partijen bij de feiten 2 tot en met 4 verwijst het hof naar het ten deze bevestigde vonnis van de rechtbank Utrecht van 13 december 2011.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 16-504025-09, 16-600461-10 en 09-925173-10)

Voor wat betreft de beslissing op de vorderingen tot tenuitvoerlegging verwijst het hof naar het op dat punt bevestigde vonnis van de rechtbank Utrecht van 13 december 2011.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 10, 27, 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing omtrent feit 1, de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr P.A.H. Lemaire, voorzitter,

mr M.L.H.E. Roessingh-Bakels en mr M.B.T.G. Steeghs, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L. Gereke, griffier,

en op 8 mei 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.