Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9314

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
24-000515-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1445, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Steekpartij op 10 september 2010 te Almere. Veroordeling wegens medeplegen van poging tot moord. Gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren. Verweren en overwegingen omtrent medeplegen en voorbedachten rade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-000515-12

Uitspraak d.d.: 25 april 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 februari 2012 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

ingeschreven staand te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

1. Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

2. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 mei 2012, 22 oktober 2012 en 11 april 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde (medeplegen van poging tot moord) tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd reeds doorgebracht in voorarrest, tot teruggave van de in beslag genomen telefoon en tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze op schrift gestelde vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. M.A.C. van Vuuren, naar voren is gebracht.

3. Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

4. De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 10 september 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (boven)rug, althans het (boven)lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, en/of (daarbij/daarna) heeft gezegd "We gaan je dood maken. Je gaat het zien, je gaat eraan.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 10 september 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (boven)rug, althans het (boven)lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige

Op 21 mei 2012 heeft in de onderhavige zaak een regiezitting plaatsgevonden. De verdediging heeft de stelling betrokken dat er bij het onderzoek door de politie ten onrechte gebruik is gemaakt van een verklaring van een medewerkster van Bureau Jeugdzorg over haar contact met [verdachte], omdat zij als reclasseringsambtenaar een zwijgplicht zou hebben en door de politie onder druk zou zijn gezet een verklaring af te leggen. De verdediging heeft aangegeven de rechtmatigheid van het politieoptreden op dit punt nader te willen onderzoeken en heeft verzocht de betrokken inspecteur van politie, [inspecteur], en de manager van de betreffende medewerkster van Bureau Jeugdzorg, [manager BJ 1], als getuigen te horen. Het hof heeft deze verzoeken toegewezen en de zaak verwezen naar de rechter-commissaris. Deze getuigen zijn door de rechter-commissaris gehoord. Uit de verklaringen van [inspecteur] en [manager BJ 1] blijkt niet dat de politie enige druk op een (jeugd)reclasseringsmedewerker heeft uitgeoefend om een verklaring af te leggen. [manager BJ 1] heeft verklaard dat een andere manager van Bureau Jeugdzorg, [manager BJ 2], contact heeft onderhouden met de politie.

Op 22 oktober 2012 heeft in de onderhavige zaak een nadere regiezitting plaatsgevonden. De verdediging heeft betoogd dat nader onderzoek naar de precieze gang van zaken nodig was en heeft verzocht de betrokken medewerkster van Bureau Jeugdzorg, [medewerkster BJ], de manager van Bureau Jeugdzorg die contact heeft gehad met de politie, [manager BJ 2], de chef van de CIE, [chef CIE] en [recherchecoördinator], recherchecoördinator districtsrecherche [plaats], te horen. Het hof heeft deze verzoeken toegewezen en de zaak opnieuw verwezen naar de rechter-commissaris. Uit de verhoren van [medewerkster BJ], [manager BJ 2], [chef CIE] en [recherchecoördinator] is niet gebleken van enige druk van de politie op een (jeugd)reclasseringsmedewerker of van enig ander onrechtmatig politieoptreden. Uit het verhoor van [recherchecoördinator] is gebleken dat hij aan de hand van zogeheten journaals een proces-verbaal heeft opgesteld dat relevant was voor het contact tussen de politie en de Jeugdreclassering, terwijl hij ten tijde van het contact nog niet betrokken was bij het onderzoek. [recherchecoördinator] noemt [getuige 1], de toenmalige coördinator van het team Lokaal Ernstige Criminaliteit, als persoon die (nog) meer zou kunnen verklaren over de gang van zaken. Vervolgens heeft de rechter-commissaris contact gezocht met de voorzitter van het gerechtshof met het verzoek om – uit praktisch oogpunt – het dossier onder zich te mogen houden om deze [getuige 1] ook te horen. De voorzitter heeft ingestemd met de door de rechter-commissaris voorgestelde gang van zaken. Hierop is getracht [getuige 1] te horen, maar hij bleek door ziekte (ernstige overspannenheid) niet gehoord te kunnen worden. Omdat het de rechter-commissaris uit telefonisch contact met [getuige 1] was gebleken dat het horen van [getuige 1] volgens diens eigen inschatting niet binnen 2 à 3 maanden mogelijk zou zijn, heeft de rechter-commissaris het dossier retour gezonden aan het hof.

Ter terechtzitting van 11 april 2013 heeft de verdediging het verzoek gedaan [getuige 1] als getuige te horen en de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of dit verzoek dient te worden toegewezen. Het hof heeft bij de beantwoording van die vraag nauwkeurig gekeken naar de verklaringen die de zes bij het contact tussen Bureau Jeugdzorg en de politie gehoorde getuigen hebben afgelegd, waaronder de betreffende medewerkster van Bureau Jeugdzorg zelf. Daaruit is op geen enkele wijze vast komen te staan of ook maar enigszins aannemelijk geworden dat er door de politie ongeoorloofde of ontoelaatbare druk zou zijn uitgeoefend. Van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht is derhalve niets aannemelijk geworden. Tegen de achtergrond van die verklaringen en de verdere inhoud van het dossier acht het hof het niet noodzakelijk om een zevende persoon die over het gebeurde zou kunnen verklaren te horen. Het hof wijst het verzoek van de verdediging af.

6. 359a-verweer: Uitlokking door politie

De raadsman van verdachte heeft – buiten zijn pleitnota om – ter terechtzitting verweer gevoerd in het kader van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hij heeft hiertoe gesteld dat de betrokkenheid van verdachte bij het delict (mede) is gebleken door informatie die door een medewerkster van de Reclassering aan de politie is verstrekt, terwijl die medewerkster een verschoningsrecht had. Doordat de politie die reclasseringsmedewerkster niet heeft gewezen op haar verschoningsrecht, heeft de politie zich schuldig gemaakt aan uitlokking, aldus de raadsman, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek oplevert. De raadsman heeft hieraan de conclusie verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, dan wel dat er bewijsuitsluiting dient plaats te vinden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De rechter-commissaris heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de gang van zaken omtrent de melding van de reclassering bij de politie. Dat onderzoek is onder 5 besproken. Uit dit onderzoek is op geen enkele wijze uitlokking of enig ander vormverzuim van de zijde van de politie naar voren gekomen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

7. (On)betrouwbaarheid van bij de politie afgelegde verklaringen van verdachte

Verdachte wordt op 25 mei 2011 aangehouden. Hij bekent tegenover de politie diezelfde dag zijn betrokkenheid bij de steekpartij en legt daarover een gedetailleerde verklaring af. Hij verklaart dat hij samen met [medeverdachte 2] en een ander een afspraak had gemaakt met [benadeelde] en met die ander het plan had opgevat om [benadeelde] te vermoorden. De volgende dag trekt verdachte zijn verklaring in. Hij beroept zich vervolgens op zijn zwijgrecht en stelt dat hij door de politie onder druk is gezet en een briefje kreeg voorgelegd waarop stond wat hij moest verklaren, waarna hij naar huis zou mogen. Ook bij de behandeling in eerste aanleg beroept verdachte zich op zijn zwijgrecht.

Ter terechtzitting in hoger beroep op 11 april 2013 geeft verdachte naar eigen zeggen openheid van zaken. Hij verklaart dat hij wel betrokken is geweest bij het neersteken van [benadeelde], maar dat hij zelf niet heeft gestoken en dat er geen plan was om [benadeelde] te vermoorden. Medeverdachte [medeverdachte 1] was volgens verdachte degene die er die avond - naast [medeverdachte 2] - bij was en [benadeelde] had gestoken. Voorts verklaart verdachte eerder te hebben gelogen over de door de politie uitgeoefende druk. Hij geeft aan dat hij zijn bekennende verklaring op 25 mei 2011 had afgelegd om zichzelf er ‘onderuit te praten’.

Verdachte zou dus kennelijk niet naar waarheid hebben verklaard op 25 mei 2011. Dit is ook door de raadsman betoogd en verdient op deze plek een nadere overweging.

Het hof acht verdachtes op 25 mei 2011 afgelegde verklaring wél geloofwaardig. Die verklaring is zeer gedetailleerd en vindt ondersteuning in andere verklaringen en bewijsmiddelen, zowel wat betreft aanleiding van de steekpartij als wat betreft chronologie van hetgeen daaraan voorafging. Dat verdachte zichzelf er – naar eigen zeggen – onderuit heeft geprobeerd te praten door zichzelf en anderen te belasten acht het hof volstrekt onaannemelijk omdat hij zich door die verklaring juist níet heeft ontlast. In tegendeel.

Het hof zal de verklaring van 25 mei 2011 dus voor het bewijs bezigen, althans voorzover zoals zij hieronder onder 8 is weergegeven.

8. Bewijsmiddelen

Het hof gaat bij de bespreking van de verweren van de verdediging onder 9 en de bewezenverklaring onder 10 uit van de hiernavolgende bewijsmiddelen die – omwille van de leesbaarheid – al op deze plek worden genoemd:

I

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen

d.d. 11 september 2010 (p. 235 en verder van een dossier van het onderzoek [onderzoeksnaam] met als proces-verbaalnummer [nummer]), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [benadeelde]:

Ik stond op 10 september 2010 op de hoek bij het zwembad in [plaats]. Ik zag dat er uit de richting van het [plein] een jongen aan kwam lopen. Die jongen heet [alias] (het hof begrijpt, gelet op de inhoud en strekking van bewijsmiddel IV, telkens: [verdachte]). Ik heb die jongen de dag ervoor ook gezien. Hij zei tegen mij: “alles goed?”. Ik zei tegen hem: “goed”. Ik hoorde hem toen zeggen: “ik denk niet dat het lang goed zal blijven gaan”. Op datzelfde moment zag ik dat er van achter mij iemand op mij af kwam rennen. Ik voelde een harde klap op mijn rug. Het deed meteen erg zeer. Ik viel van de pijn op de grond. Ze zeiden tegen mij: “we gaan je dood maken. Je gaat het zien, je gaat eraan”. Ik kreeg toen nog een paar klappen van de jongens en toen zijn ze weggerend. Ik probeerde op te staan. Ik voelde nog steeds pijn aan mijn rug. Ik voelde toen met mijn hand en zag dat er bloed aan mijn hand zat. Ik ben toen gevallen. Ik voelde nog een keer aan mijn rug en toen voelde ik daar iets in mijn rug vastzitten. Ik heb toen een groot mes uit mijn rug getrokken.

II

Een schriftelijk stuk, te weten een brief van M.C.M. Willems, vaatchirurg Flevoziekenhuis Almere betreffende [benadeelde] d.d. 27 oktober 2010 (p. 265 en verder van het onder I genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

In de avond van 10 september 2010 werd patiënt [benadeelde] opgenomen via de spoedeisende hulp met een mes steekwond in de rechter thorax helft ter hoogte van de 9e rib. CT thorax abdomen toonde een hemathorax rechts en vermoeden op een leverlaceratie zonder vrij vocht in de buik, waarop patiënt behandeld werd met een thoraxdrain welke uiteindelijk een liter bloedverlies heeft gegeven. Voor het vermoeden op leverlaceratie werd patiënt bewaakt op de intensive care. Hij kon een dag later naar de gewone afdeling worden overgeplaatst. Hij werd verder profylactisch behandeld met antibiotica. Bij ontslag op 14 september 2010 was en sprake van een minimale pneumothorax in de top van de rechterlong.

III

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 25 mei 2011 (p. 26 en verder van het onder I genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [verdachte]:

Ik ben betrokken geweest bij het steekincident met [benadeelde] op 10 september 2010. De jongen met wie ik was (het hof begrijpt, gelet op de inhoud en strekking van bewijsmiddel IV, telkens: [medeverdachte 1]) had een mes . Ik heb die avond met die jongen en [medeverdachte 2] gereden in de auto van [medeverdachte 2] . Ik heb [benadeelde] gebeld en met hem afgesproken om op de hoek van het zwembad wiet van hem te kopen. Wij waren daar binnen 10 minuten na mijn telefoongesprek met [benadeelde]. Ik heb [benadeelde] gebeld met de telefoon van die jongen. In de auto had die jongen al twee messen. Die jongen wilde [benadeelde] steken, doodmaken. Ik was ook boos op [benadeelde] en wilde hem ook steken en doodmaken.

Wij zijn uit de auto gestapt op het parkeerterrein waar het politiebureau eerst stond. [medeverdachte 2] bleef in de auto zitten en die jongen en ik gingen ieder een kant op om bij die plek te komen. Op een gegeven moment kwamen we weer bij elkaar bij het zwembad. Die jongen liep even weg omdat [benadeelde] eraan kwam. Ik sprak [benadeelde] aan. Ik groette hem. Toen zag ik dat die andere jongen met wie ik samen met [medeverdachte 2] was [benadeelde] in zijn rug stak. Ik zag dat hij dat in een zwaai deed.

Ik zag dat [benadeelde] op zijn knieën viel. Toen begon die jongen op het hoofd van [benadeelde] in te trappen. Toen hoorden we mensen bij de bushalte schreeuwen. Ik pakte het mes op dat ik in eerste instantie aan die jongen had gegeven en liet het daarna weer op de grond vallen. Wij renden terug naar de parkeerplaats waar [medeverdachte 2] zijn auto had neergezet. [medeverdachte 2] reed. [medeverdachte 2] bracht eerst die jongen naar huis, daarna mij.

IV

De verklaring van [verdachte], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 april 2013, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Ik reed op 10 september 2010 rond met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. We zochten [benadeelde], we wilden de confrontatie met benadeelde] opzoeken. Ik had hem de dag ervoor ontmoet, maar we wisten helemaal niks over hem. We hadden een gissing van een adres. We hebben willekeurige jongens naar zijn adres gevraagd. Dat werd gevraagd door [medeverdachte 1]. Die jongens kenden [benadeelde] niet. [medeverdachte 2] wist nog het nummer van iemand die door [benadeelde] was weggejaagd uit [plaats]. Dat was [naam]. [medeverdachte 2] belde met het toestel van [medeverdachte 1] met [naam]. Hij kreeg het nummer van een vriend van [benadeelde]. Ik had die vriend van [benadeelde] aan de lijn. Ik heb me voorgesteld onder de naam [alias]. Ik vroeg het telefoonnummer van [benadeelde] aan de vriend van [benadeelde]. Dat kreeg ik. Ik belde naar [benadeelde], onder de naam [alias]. [benadeelde] vroeg waar ik was. Hij zei dat ik 10 minuten later bij het zwembad in [plaats] moest zijn. We hebben de auto geparkeerd op een parkeerplaats. [medeverdachte 2] bleef in de auto zitten en ik en [medeverdachte 1] stapten uit.

Ik zag dat mijn broer aangever een klap gaf. Ik ben toen ook gaan slaan en schoppen. Ik heb hem een aantal keren geslagen en geschopt

9. Bespreking verweren verdediging

9.1 Medeplegen

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat er geen bewijs is voor een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] en dat verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Indien wordt aangenomen dat [medeverdachte 1] heeft besloten [benadeelde] te steken dan is er nog geen verband met verdachte, aldus de raadsman, omdat er sprake was van een korte tijdspanne tussen besluitvorming en uitvoering en er geen overleg is geweest tussen verdachte en [medeverdachte 1] over het genomen besluit.

Voor medeplegen is vereist dat er een bewuste en nauwe samenwerking bestond tussen twee of meer personen tijdens het plegen van het strafbare feit. Uit de onder 8 opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat zowel verdachte als [medeverdachte 1] boos waren op [benadeelde] en hem dood wilden maken. Zij zijn samen op zoek gegaan naar [benadeelde] en hebben – na gezamenlijk (en met hulp van [medeverdachte 2]) het telefoonnummer van [benadeelde] te hebben achterhaald – telefonisch (onder een andere naam) een afspraak met hem gemaakt, zogenaamd om wiet van hem te kopen. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn vervolgens samen naar de afgesproken plek gereden en zijn samen op [benadeelde] afgegaan, voorzien van een mes. Zij hadden afgesproken van twee kanten naar [benadeelde] toe te lopen. Ter plekke heeft [medeverdachte 1] [benadeelde] gestoken. Het hof is op basis van deze omstandigheden van oordeel dat er een bewuste en nauwe samenwerking bestond tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Voorafgaand aan het steekincident is er al overleg geweest tussen verdachte en [medeverdachte 1] en beiden gingen op [benadeelde] af met de intentie hem te doden. Er is derhalve ook geen sprake van een korte tijdspanne tussen besluitvorming en uitvoering, zoals door de raadsman betoogd. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

9.2 Voorbedachten rade

De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van sterke contra-indicaties voor voorbedachten rade en dat er is gehandeld vanuit een plotselinge ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De besluitvorming en uitvoering van het delict zijn tijdens die opwelling tot stand gekomen, aldus de raadsman. Om die reden kan de voorbedachten rade niet bewezen worden verklaard en dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Uit de onder 8 opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en [medeverdachte 1] reeds in de auto – toen zij telefonisch contact zochten met [benadeelde] – het plan hadden opgevat om [benadeelde] om het leven te brengen. Door het tijdsverloop tussen het maken van de afspraak en de daadwerkelijke afspraak – waar minimaal 10 minuten tussen heeft gezeten – bestond er voor verdachte gelegenheid om zich te beraden op het genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven. Derhalve heeft verdachte – evenals [medeverdachte 1] – niet gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Anders dan de raadsman, ziet het hof geen contra-indicaties voor het bestaan van voorbedachten rade. Er bestond geen korte tijdspanne tussen het genomen besluit om [benadeelde] van het leven te beroven en de uitvoering van dat besluit. Beide mannen hebben niet gehandeld vanuit een plotselinge ogenblikkelijke gemoedsopwelling. In tegendeel, het betrof een weldoordacht plan, waarbij er voorafgaand aan het steekincident sprake was van een nauwgezette planning om de ontmoeting met [benadeelde] op te zetten.

De raadsman heeft betoogd dat indien er sprake zou zijn geweest van een plan om [benadeelde] te vermoorden, verdachten dan niet zo opzichtig op zoek zouden zijn gegaan naar [benadeelde] omdat je als ‘aankomend moordenaar’ niet te koop loopt met je plannen.

Naar het oordeel van het hof is het gegeven dat er achteraf – door goed politieonderzoek – kon worden gereconstrueerd dat verdachte op zoek was geweest naar [benadeelde] geen contra-indicatie voor het bestaan van de voorbedachten rade. Wederom is het tegendeel het geval. De zoekactie paste in het vooropgezette plan om [benadeelde] neer te steken.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

10. Bewezenverklaring

Door de hierboven weergegeven wettige bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op 10 september 2010 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met een ander met een mes in de rug van die [benadeelde] heeft gestoken en heeft gezegd "We gaan je dood maken. Je gaat het zien, je gaat eraan.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

11. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot moord.

12. Strafbaarheid van de verdachte

Uit de de verdachte betreffende rapportages van psychiater A.C. Bruijns d.d. 22 augustus 2011 en psycholoog G.J.W Pol d.d. 31 augustus 2011 blijkt dat verdachte ten tijde van het delict leed aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Bruijns rapporteert hierover dat er bij verdachte sprake is van een nadelige ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De gedragsstoornis die hij als adolescent vertoonde, lijkt over te gaan in een persoonlijkheidsproblematiek met kenmerken van vooral de antisociale en ook van de borderline persoonlijkheidsstoornis. De gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens wordt bepaald door de ontwikkelingsproblematiek van zijn persoonlijkheid. De stoornis van zijn geestvermogens wordt gevormd door het misbruik van alcohol en van cannabis.

Pol rapporteert dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, zich uitend in kenmerken van een anti-sociale-, een borderline- en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, en dat hij lijdt aan ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens, in de zin van misbruik van alcohol en misbruik van cannabis.

Gelet op het voorgaande acht het hof verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar en zal hier bij de strafoplegging rekening mee houden. Voor het overige is verdachte strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

13. Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 10 september 2010 samen met zijn oudere broer schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Hij wilde aangever [benadeelde] van het leven beroven en heeft om die reden een afspraak met hem gemaakt, zogenaamd om wiet van hem te kopen. Tijdens die afspraak – in de avonduren op de openbare weg - is aangever door de mededader met een groot mes in zijn rug gestoken en door verdachte geslagen en geschopt. Het is niet aan de gedragingen van verdachte en zijn mededader te danken dat aangever het er levend vanaf heeft gebracht. Door aldus te handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Daarbij heeft hij voor gevoelens van onrust en onveiligheid gezorgd in de maatschappij en met name bij degenen die zich bevonden in de nabije omgeving van het incident.

Uit de slachtofferverklaring van [benadeelde] d.d. 28 maart 2013 blijkt dat aangever ten gevolge van het delict nog steeds problemen heeft met zijn ademhaling en het daardoor iedere dag benauwd heeft. Voorts gaat het emotioneel slecht met aangever. Hij is nog steeds in de war en heeft last van zogeheten flashbacks en angst- en paniekaanvallen. Aangever voelt zich sinds de steekpartij onveilig buiten en gaat daarom het liefst zo weinig mogelijk naar buiten. Hij voelt zich somber en verdrietig en vraagt zich – nu iemand heeft geprobeerd hem te vermoorden – af wie er nog om zijn leven geeft.

Het hof slaat bij de strafoplegging voorts acht op het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 maart 2013, waaruit ten nadele van verdachte blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Gelet op voorgaande overwegingen acht het hof – evenals de advocaat-generaal – oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren in beginsel passend en geboden. Het hof ziet echter in de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en zijn nog jeugdige leeftijd aanleiding om af te wijken van de vordering van de advocaat-generaal en om de straf enigszins te matigen. Het hof zal verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 7 jaren.

14. Beslag

Het hof zal teruggave gelasten aan de verdachte van de in beslag genomen zwarte telefoon van het merk Samsung, nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet.

15. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.111,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. Daarbij heeft de benadeelde partij zich opnieuw gevoegd in het geding in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.111,-. Deze schade is niet inhoudelijk door de verdediging weersproken. Verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade en de wettelijke rente gehouden. Derhalve zal de vordering worden toegewezen. Het hof verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

16. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een zwarte telefoon van het merk Samsung.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.111,00 (tweeduizend honderdelf euro) bestaande uit € 361,00 (driehonderdeenenzestig euro) materiële schade en

€ 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 2.111,00 (tweeduizend honderdelf euro) bestaande uit € 361,00 (driehonderdeenenzestig euro) materiële schade en

€ 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.G.H. van Krugten, griffier,

en op 25 april 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.