Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9292

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
24-000511-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1450, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Steekpartij op 10 september 2010 te Almere. Veroordeling wegens medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot moord. Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Overwegingen omtrent medeplegen, medeplichtigheid en voorbedachten rade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-000511-12

Uitspraak d.d.: 25 april 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 februari 2012 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [woonplaats], [adres].

1. Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

2. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 mei 2012, 22 oktober 2012 en 11 april 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde en veroordeling ter zake van het subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd reeds doorgebracht in voorarrest en tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze op schrift gestelde vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. A.D. Kloosterman, naar voren is gebracht.

3. Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

4. De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 10 september 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (boven)rug, althans het (boven)lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, en/of (daarbij/daarna) heeft gezegd "We gaan je dood maken. Je gaat het zien, je gaat eraan.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 10 september 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door hem/hun voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk een persoon, genaamd [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (boven)rug, althans het (boven)lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, en/of (daarbij/daarna) heeft gezegd "We gaan je dood maken. Je gaat het zien, je gaat eraan.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 10 september 2010 in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met de auto naar de plaats van het misdrijf te brengen en/of samen met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] naar die [benadeelde] op zoek te gaan en/of vervolgens op die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te wachten, terwijl hij/zij [benadeelde] stak(en) en/of teneinde die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] vervolgens met de auto weg/naar huis te brengen;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 10 september 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (boven)rug, althans het (boven)lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 10 september 2010 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door hem/hun voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (boven)rug, althans het (boven)lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

op of omstreeks 10 september 2010 in de gemeente [gemeente] en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met de auto naar de plaats van het misdrijf te brengen en/of samen met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] naar die [benadeelde] op zoek te gaan en/of vervolgens op die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] te wachten, terwijl hij/zij die [benadeelde] stak(en), teneinde en/of die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] vervolgens met de auto weg/naar huis te brengen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige

Op 21 mei 2012 heeft in de onderhavige zaak een regiezitting plaatsgevonden. De verdediging heeft de stelling betrokken dat er bij het onderzoek door de politie ten onrechte gebruik is gemaakt van een verklaring van een medewerkster van Bureau Jeugdzorg over haar contact met [medeverdachte 1], omdat zij als reclasseringsambtenaar een zwijgplicht zou hebben en door de politie onder druk zou zijn gezet een verklaring af te leggen. De verdediging heeft aangegeven de rechtmatigheid van het politieoptreden op dit punt nader te willen onderzoeken en heeft verzocht de betrokken inspecteur van politie, [inspecteur], en de manager van de betreffende medewerkster van Bureau Jeugdzorg, [manager BJ 1], als getuigen te horen. Het hof heeft deze verzoeken toegewezen en de zaak verwezen naar de rechter-commissaris. Deze getuigen zijn door de rechter-commissaris gehoord. Uit de verklaringen van [inspecteur] en [manager BJ 1] blijkt niet dat de politie enige druk op een (jeugd)reclasseringsmedewerker heeft uitgeoefend om een verklaring af te leggen. [manager BJ 1] heeft verklaard dat een andere manager van Bureau Jeugdzorg, [manager BJ 2], contact heeft onderhouden met de politie.

Op 22 oktober 2012 heeft in de onderhavige zaak een nadere regiezitting plaatsgevonden. De verdediging heeft betoogd dat nader onderzoek naar de precieze gang van zaken nodig was en heeft verzocht de betrokken medewerkster van Bureau Jeugdzorg, [medewerkster BJ 1], de manager van Bureau Jeugdzorg die contact heeft gehad met de politie, [manager BJ 2], de chef van de CIE, [chef CIE] en [recherche coördinator], recherchecoördinator districtsrecherche [plaats] te horen. Het hof heeft deze verzoeken toegewezen en de zaak opnieuw verwezen naar de rechter-commissaris. Uit de verhoren van [medewerkster BJ], [manager BJ 2], [chef Cie] en [recherche coördinator] is niet gebleken van enige druk van de politie op een (jeugd)reclasseringsmedewerker of van enig ander onrechtmatig politieoptreden. Uit het verhoor van [recherche coördinator] is gebleken dat hij aan de hand van zogeheten journaals een proces-verbaal heeft opgemaakt dat relevant was voor het contact tussen de politie en de Jeugdreclassering, terwijl hij ten tijde van het contact nog niet betrokken was bij het onderzoek. [recherche coördinator] noemt [getuige 1], de toenmalige coördinator van het team Lokaal Ernstige Criminaliteit, als persoon die (nog) meer zou kunnen verklaren over de gang van zaken. Vervolgens heeft de rechter-commissaris contact gezocht met de voorzitter van het gerechtshof met het verzoek om – uit praktisch oogpunt – het dossier onder zich te mogen houden om deze [getuige 1] ook te horen. De voorzitter heeft ingestemd met de door de rechter-commissaris voorgestelde gang van zaken. Hierop is getracht [getuige 1] te horen, maar hij bleek door ziekte (ernstige overspannenheid) niet gehoord te kunnen worden. Omdat het de rechter-commissaris uit telefonisch contact met [getuige 1] was gebleken dat het horen van [getuige 1] volgens diens eigen inschatting niet binnen 2 à 3 maanden mogelijk zou zijn, heeft de rechter-commissaris het dossier retour gezonden aan het hof.

Ter terechtzitting van 11 april 2013 heeft de verdediging het verzoek gedaan [getuige 1] als getuige te horen en de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris.

Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of dit verzoek dient te worden toegewezen. Het hof heeft bij de beantwoording van die vraag nauwkeurig gekeken naar de verklaringen die de zes bij het contact tussen Bureau Jeugdzorg en de politie gehoorde getuigen hebben afgelegd, waaronder de betreffende medewerkster van Bureau Jeugdzorg zelf. Daaruit is op geen enkele wijze vast komen te staan of aannemelijk geworden dat er door de politie ongeoorloofde of ontoelaatbare druk zou zijn uitgeoefend. Van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht is derhalve niets aannemelijk geworden. Tegen de achtergrond van die verklaringen en de verdere inhoud van het dossier acht het hof – nog los gezien van het feit dat de verdachte op geen enkele manier in zijn belangen is geschaad – het niet noodzakelijk om een zevende persoon die over het gebeurde zou kunnen verklaren te horen, Het hof wijst het verzoek van de verdediging af.

Van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is – anders dan door de verdediging gesteld – geen sprake. De stelling die de verdediging (mede) in dat kader betrekt, namelijk dat Saarloos een door het hof toegewezen getuige zou zijn, ontbeert feitelijke grondslag.

6. Verzoek tot het horen van [getuige 2] als getuige

De raadsman van verdachte heeft op 21 mei 2012 ter terechtzitting van het hof het verzoek gedaan om [getuige 2- als getuige te horen. Dit verzoek is door het hof – toetsend aan het noodzaakcriterium – afgewezen.

Bij pleidooi heeft de raadsman op 11 april 2013 opnieuw het verzoek gedaan [getuige 2] als getuige te horen.

Het hof constateert dat [getuige 2] op 12 december 2011 tijdens de procedure in eerste aanleg door de rechter-commissaris is gehoord. De raadsman was bij dat verhoor aanwezig en heeft – blijkens het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal – vragen gesteld aan de getuige. Hetgeen de raadsman op 11 april 2013 ter onderbouwing heeft aangevoerd om de getuige [getuige 2] opnieuw te horen, bevat niets anders dan hetgeen hij 12 december 2011 ook al heeft aangevoerd. Derhalve bestaat niet noodzaak om [getuige 2] nogmaals als getuige te horen. Het hof wijst dit verzoek van de raadsman af.

7. 359a-verweer

De raadsman heeft in het kader van zijn betoog tot het horen van [getuige 1] als getuige (zie hierboven onder 5) ook artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering betrokken. Voor zover de raadsman het verweer heeft willen voeren dat naar aanleiding van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek bewijs zou moeten worden uitgesloten, heeft de raadsman verzuimd om enig vormvoorschrift te noemen waaraan in het verdachtes zaak betreffend voorbereidend onderzoek tekort zou zijn gedaan. Het beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering faalt dan ook.

8. Vrijspraak primair ten laste gelegde

Verdachte is primair medeplegen van poging tot moord dan wel medeplegen van poging tot doodslag ten laste gelegd. Het hof deelt het standpunt van de advocaat-generaal en van de raadsman dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem primair tenlastegelegde.

9. Bewijsmiddelen

Het hof gaat bij de bewijsoverweging onder 10, de bespreking van de verweren van de verdediging onder 11 en de bewezenverklaring onder 12 uit van de hiernavolgende bewijsmiddelen die – omwille van de leesbaarheid – al op deze plek worden genoemd:

I

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen

d.d. 11 september 2010 (p. 235 en verder van een dossier van het onderzoek [onderzoeksnaam] met als proces-verbaalnummer [nummer]), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [benadeelde]:

Ik stond op 10 september 2010 op de hoek bij het zwembad in [plaats]. Ik zag dat er uit de richting van het [plein] een jongen aan kwam lopen. Die jongen heet [medeverdachte 1] (het hof begrijpt, gelet op de inhoud en strekking van bewijsmiddel IV, telkens: [medeverdachte 1]). Ik heb die jongen de dag ervoor ook gezien. Hij zei tegen mij: “alles goed?”. Ik zei tegen hem: “goed”. Ik hoorde hem toen zeggen: “ik denk niet dat het lang goed zal blijven gaan”. Op datzelfde moment zag ik dat er van achter mij iemand op mij af kwam rennen. Ik voelde een harde klap op mijn rug. Het deed meteen erg zeer. Ik viel van de pijn op de grond. Ze zeiden tegen mij: “we gaan je dood maken. Je gaat het zien, je gaat eraan”. Ik kreeg toen nog een paar klappen van de jongens en toen zijn ze weggerend. Ik probeerde op te staan. Ik voelde nog steeds pijn aan mijn rug. Ik voelde toen met mijn hand en zag dat er bloed aan mijn hand zat. Ik ben toen gevallen. Ik voelde nog een keer aan mijn rug en toen voelde ik daar iets in mijn rug vastzitten. Ik heb toen een groot mes uit mijn rug getrokken.

II

Een schriftelijk stuk, te weten een brief van M.C.M. Willems, vaatchirurg Flevoziekenhuis Almere betreffende [benadeelde] d.d. 27 oktober 2010 (p. 265 en verder van het onder I genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

In de avond van 10 september 2010 werd patiënt [benadeelde] opgenomen via de spoedeisende hulp met een mes steekwond in de rechter thorax helft ter hoogte van de 9e rib. CT thorax abdomen toonde een hemathorax rechts en vermoeden op een leverlaceratie zonder vrij vocht in de buik, waarop patiënt behandeld werd met een thoraxdrain welke uiteindelijk een liter bloedverlies heeft gegeven. Voor het vermoeden op leverlaceratie werd patiënt bewaakt op de intensive care. Hij kon een dag later naar de gewone afdeling worden overgeplaatst. Hij werd verder profylactisch behandeld met antibiotica. Bij ontslag op 14 september 2010 was en sprake van een minimale pneumothorax in de top van de rechterlong.

III

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 25 mei 2011 (p. 26 en verder van het onder I genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [medeverdachte 1]:

Ik ben betrokken geweest bij het steekincident met [benadeelde] op 10 september 2010. De jongen met wie ik was had een mes (het hof begrijpt, gelet op de inhoud en strekking van bewijsmiddel IV, telkens: [medeverdachte 2]). Ik heb die avond met die jongen en [verdachte] gereden in de auto van [verdachte]. Ik heb [benadeelde] gebeld en met hem afgesproken om op de hoek van het zwembad wiet van hem te kopen. Wij waren daar binnen 10 minuten na mijn telefoongesprek met [benadeelde]. Ik heb [benadeelde] gebeld met de telefoon van die jongen. In de auto had die jongen al twee messen. Die jongen wilde [benadeelde] steken, doodmaken. Ik was ook boos op [benadeelde] en wilde hem ook steken en doodmaken.

Wij zijn uit de auto gestapt op het parkeerterrein waar het politiebureau eerst stond. [verdachte] bleef in de auto zitten en die jongen en ik gingen ieder een kant op om bij die plek te komen. Op een gegeven moment kwamen we weer bij elkaar bij het zwembad. Die jongen liep even weg omdat [benadeelde] eraan kwam. Ik sprak [benadeelde] aan. Ik groette hem. Toen zag ik dat die andere jongen met wie ik samen met [verdachte] was [benadeelde] in zijn rug stak. Ik zag dat hij dat in een zwaai deed.

Ik zag dat [benadeelde] op zijn knieën viel. Toen begon die jongen op het hoofd van [benadeelde] in te trappen. Toen hoorden we mensen bij de bushalte schreeuwen. Wij renden terug naar de parkeerplaats waar [verdachte] zijn auto had neergezet. [verdachte] reed. [verdachte] bracht eerst die jongen naar huis, daarna mij.

IV

De verklaring van [verdachte], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 april 2013, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Op 10 september 2010 kwam [medeverdachte 1] naar mij toe met de bus. We zijn toen naar [medeverdachte 2] toe gegaan. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn bij mij in de auto gestapt, omdat ze de confrontatie met [benadeelde] wilden aangaan. Ze zijn naar hem op zoek gegaan. Ze zijn jongens tegengekomen en hebben gevraagd waar [benadeelde] woonde. Ik heb een kennis van mij, [naam], gebeld en gevraagd of hij het telefoonnummer had van [benadeelde]. Hij had dat nummer niet, maar ik kreeg wel het nummer van een vriend van [benadeelde]. Er is toen gebeld met die vriend van [benadeelde] en die gaf het nummer van [benadeelde]. [medeverdachte 1] heeft toen – onder de naam [alias] – met [benadeelde] een afspraak gemaakt, zogenaamd om wiet van hem te kopen. We hadden de afspraak gemaakt en ik ben er met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naartoe gereden. Ik heb daar gewacht. Toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] terugkwamen in de auto kreeg ik mee dat er gestoken was. We moesten weg en ik reed met de auto weg. We zijn direct naar huis gegaan. Ik had problemen met [benadeelde]. Dat was ook de reden dat ik was meegereden.

V

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 24 juni 2011 (p. 97 en verder van het onder I genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als verklaring van [verdachte]:

Op 10 september 2010 kwam [medeverdachte 1] naar me toe. We zijn in de auto van mijn moeder naar [plaats] gereden. [medeverdachte 1] werd gebeld door zijn moeder. Zij zei dat het van levensbelang was. Ik ben samen met [medeverdachte 1] in de rode Suzuki Swift cabrio van mijn moeder naar het huis van die andere jongen (het hof begrijpt, gelet op de inhoud en strekking van bewijsmiddel IV, telkens: [medeverdachte 2]) gereden. [medeverdachte 1] stapte uit en ging naar het huis van die andere jongen. Ik zat achter het stuur en die andere jongen ging naast mij zitten. Ik zag dat die andere jongen een blikje Heineken vast had en dronken was. We zijn eerst naar de supermarkt gegaan om bier te kopen voor die andere jongen.

[medeverdachte 1] belde naar [benadeelde]. Hij gebruikte weer de naam [alias] (het hof begrijpt: [alias]). [medeverdachte 1] vroeg aan [benadeelde] of hij wiet kon halen. [medeverdachte 1] maakte een zenuwachtige indruk. [medeverdachte 1] en [benadeelde] spraken af bij het zwembad in [plaats]. Wij reden er naartoe. Ik parkeerde de auto. Ik hoorde [medeverdachte 1] en de bijrijder afspreken dat ze allebei via een andere kant zouden gaan. Ik bleef in de auto zitten. Vervolgens gingen [medeverdachte 1] en die bijrijder in de richting van het station en het zwembad. Na een kwartiertje, 20 minuten kwamen [medeverdachte 1] en de bijrijder teruggerend. Ze stapten in de auto en zeiden dat ik snel weg moest rijden. Toen zeiden ze tegen me dat ze hem hadden neergestoken. Ze hadden allemaal van die bloedverhalen. Ook over een mes met bloed. Onderweg zeiden ze dat niemand hier ooit over mocht praten. Iedereen moest zijn mond houden.

[medeverdachte 1] heeft altijd van die grote keukenmessen bij zich. Toen ik de bijrijder ([medeverdachte 2]) naar huis bracht, liet [medeverdachte 1] mij een soort keukenmes zien.

VI

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2011 van uitwerking van een opname van vertrouwelijke communicatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (p. 476 en verder van het onder I genoemde dossier), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

als bevinding van de verbalisant:

[medeverdachte 1]: “Mike, slecht nieuws.”

[medeverdachte 2]: “Wat dan?”

[medeverdachte 1]: “[verdachte] heeft een volledige bekentenis afgelegd.”

[medeverdachte 2]: “Ja, weet ik.”

[medeverdachte 1]: “Wat een kankerhond! Ik ga hem echt doodmaken, ik zweer het je.”

(…)

[medeverdachte 1]: “Wel erg gedetailleerd. Maar hij zet zichzelf neer als een chauffeur die van niets wist.”

10. Bewijsoverweging

Medeplegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

Voor medeplegen is vereist dat er een bewuste en nauwe samenwerking bestond tussen twee of meer personen tijdens het plegen van het strafbare feit. Uit de hierboven onder 9 opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] [benadelde] dood wilden maken. Zij zijn samen op zoek gegaan naar [benadeelde] en hebben – na gezamenlijk het telefoonnummer van [benadeelde] te hebben achterhaald – telefonisch (onder een andere naam) een afspraak met hem gemaakt, zogenaamd om wiet van hem te kopen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens samen naar de afgesproken plek gereden en zijn samen op [benadeelde] afgegaan, in het bezit van een mes. Zij hadden afgesproken van twee kanten naar [benadeelde] toe te lopen. Ter plekke heeft [medeverdachte 2] [benadeelde] gestoken. Het hof is op basis van deze omstandigheden van oordeel dat er een bewuste en nauwe samenwerking bestond tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Voorafgaand aan het steekincident is er al overleg geweest tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en beiden gingen op [benadeelde] af met de intentie hem te doden. Zij hebben dat feit dus medegepleegd.

11. Bespreking verweren verdediging.

11.1 Voorbedachten rade [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat er geen sprake is van voorbedachten rade bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] overweegt het hof hieromtrent het navolgende.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Uit de onder 9 opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] reeds in de auto – toen zij telefonisch contact zochten met [benadeelde] – het plan hadden opgevat om [benadeelde] om het leven te brengen. Door het tijdsverloop tussen het maken van de afspraak en de daadwerkelijke afspraak – waar ongeveer 10 minuten tussen heeft gezeten – bestond er voor beiden gelegenheid om zich te beraden op het genomen besluit en zich daarvan rekenschap te geven. Derhalve heeft [medeverdachte 1] – evenals [medeverdachte 2] – niet gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het hof ziet geen contra-indicaties voor het bestaan van voorbedachten rade. Integendeel. Er bestond geen korte tijdspanne tussen het besluit om aangever van het leven te beroven en de uitvoering van dat besluit. Er is niet gehandeld vanuit een plotselinge ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het betrof juist een weldoordacht plan, waarbij er voorafgaand aan het steekincident sprake was van een nauwgezette planning om de ontmoeting met [benadeelde] op te zetten. Derhalve wordt het verweer van de raadsman verworpen en komt het hof tot een bewezenverklaring van de voorbedachten rade, zoals onder 12 weergegeven.

11.2 Medeplichtigheid

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat er geen sprake is van medeplichtigheid omdat:

a) verdachte geen wetenschap had van het voorgenomen misdrijf en er niet aan het vereiste van dubbel opzet is voldaan en

b) verdachte geen voldoende significante bijdrage heeft geleverd.

Het hof overweegt ten aanzien van a)

Uit de onder 9 opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zelf problemen had met [benadeelde]. Hij is in de door hem bestuurde auto van zijn moeder samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op zoek gegaan naar die [benadeelde]. Hij was op de hoogte van het feit dat [medeverdachte 1] gewoonlijk een mes bij zich droeg en heeft verklaard dat [medeverdachte 2] dronken was. Daarnaast had hij uit het telefoongesprek met de moeder van [medeverdachte 1] begrepen dat het ging om ‘een situatie van levensbelang’.

Vervolgens heeft verdachte zijn auto gestopt zodat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voorbijgangers konden aanspreken om te achterhalen waar [benadeelde] woonde. Verder heeft hij – toen dit geen vruchtbare resultaten opleverde – gebeld met de hem bekende [naam], om het nummer van [benadeelde] te achterhalen, zodat er een afspraak met [benadeelde] gemaakt kon worden. Tijdens het maken van een afspraak – door [medeverdachte 1] onder een valse naam en onder valse voorwendselen – zat verdachte in de auto bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Hij heeft daarbij waargenomen dat [medeverdachte 1] een zenuwachtige indruk maakte. Hij heeft vervolgens [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de locatie van de afspraak gebracht en hoorde daar dat de broers afspraken om ieder vanaf een andere kant op [benadeelde] af te gaan. Hij is in de auto blijven wachten en heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] na het steekincident terug naar huis gebracht.

Uit de opname vertrouwelijke informatie van een gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt dat verdachte zijn eigen rol heeft gebagatelliseerd.

Verdachte had gelet op de hierboven aangehaalde omstandigheden wetenschap dat er een confrontatie tussen de medeverdachten enerzijds en aangever anderzijds zou gaan plaatsvinden en dat de medeverdachten daarbij op enigerlei wijze messen zouden gebruiken. Niettemin heeft hij er bewust voor gekozen met de medeverdachten op pad te (blijven) gaan en de hun ondersteunende handelingen te verrichten.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op bedreiging met zware mishandeling jegens aangever. Het hof overweegt hierbij dat het misdrijf waarop het voorwaardelijke opzet van verdachte (tenminste) was gericht naar het oordeel van het hof voldoende verband houdt met het gronddelict van verdachtes mededaders.

Voor zover er door de verdediging is betoogd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verder zijn gegaan dan waarop het voorwaardelijk opzet van verdachte was gericht, treft dit betoog ten aanzien van de bewezenverklaring en kwalificatie geen doel (vergelijk HR 22 maart 2011, LJN BO4471). Wel zal bij de strafoplegging rekening worden gehouden met de bijdrage van verdachte.

Het hof overweegt ten aanzien van b)

Uit de onder 9 opgenomen bewijsmiddelen en hetgeen het hof onder a) heeft vastgesteld en overwogen, blijkt – in tegenstelling tot wat de raadsman heeft betoogd – dat er sprake was van een voldoende significante bijdrage van verdachte om van medeplichtigheid te spreken.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en komt tot de navolgende bewezenverklaring.

12. Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging gekregen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 10 september 2010 te [plaats], ter uitvoering van het door hun voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg tezamen en in vereniging, met een mes in de rug van die [benadeelde] hebben gestoken en gezegd "We gaan je dood maken. Je gaat het zien, je gaat eraan.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 10 september 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de auto naar de plaats van het misdrijf te brengen en samen met die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar die [benadeelde] op zoek te gaan en op die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te wachten, terwijl zij [benadeelde] staken en die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] vervolgens met de auto naar huis te brengen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

13. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot moord.

14. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

15. Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 10 september 2010 schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan medeplegen van een poging tot moord. Hij heeft de broers [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gefaciliteerd – onder meer door ze met de auto van zijn moeder rond te rijden, naar de plaats van het delict te brengen en ze na het incident naar huis te brengen – en heeft actief bemiddeld om een afspraak met aangever te maken, zogenaamd om wiet van hem te kopen. Tijdens die afspraak is aangever door mededader [medeverdachte 2] met een groot mes dusdanig krachtig in zijn rug gestoken dat het heft afbrak en is geslagen en geschopt door mededader [medeverdachte 1]. Door aldus te handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van aangever. Daarmee heeft hij voor gevoelens van onrust en onveiligheid gezorgd in de maatschappij en met name bij degenen die zich bevonden in de nabije omgeving van het incident.

Uit de slachtofferverklaring van [benadeelde] d.d. 28 maart 2013 blijkt dat aangever ten gevolge van het delict nog steeds problemen heeft met zijn ademhaling en het daardoor iedere dag benauwd heeft. Voorts gaat het emotioneel slecht met aangever. Hij is nog steeds in de war en heeft last van zogeheten flashbacks en angst- en paniekaanvallen. Aangever voelt zich sinds de steekpartij onveilig buiten en gaat daarom het liefst zo weinig mogelijk naar buiten. Hij voelt zich somber en verdrietig en vraagt zich – nu iemand heeft geprobeerd hem te vermoorden – af wie er nog om zijn leven geeft.

Het hof slaat bij de strafoplegging voorts acht op het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 maart 2013, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld.

De advocaat-generaal heeft 5 jaren gevangenisstraf gevorderd.

Het hof zal aanzienlijk afwijken van de vordering van de advocaat-generaal, omdat de rol van verdachte beperkt is gebleven tot handelingen die hebben bijgedragen aan het tot stand komen van het geweldsincident, maar niet aan het daadwerkelijke geweldsincident zelf. Anders dan de rechtbank en kennelijk ook de advocaat-generaal, acht het hof op grond van de beschikbare bewijsmiddelen verdachtes bijdrage aan het strafbare feit niet ‘zeer dicht tegen medeplegen’ aan liggen. Verdachtes handelingen zijn beduidend minder ernstig van aard en omvang dan die van de medeverdachten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden een passende en noodzakelijke bestraffing.

16. Bevel gevangenneming

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de gevangenneming van verdachte zal bevelen. Het hof ziet in de omstandigheden van de zaak en de opgelegde straf geen aanleiding om hiertoe over te gaan en in die zin af te wijken van de gangbare manier van tenuitvoerlegging. Het hof wijst de vordering af.

17. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.111,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. Daarbij heeft de benadeelde partij zich opnieuw gevoegd in het geding in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.111,-, bestaande uit € 361,- aan materiële schade en € 1.750,- aan immateriële schade.

Het verweer van de verdediging dat de kostenpost van € 92,- aan materiële schade niet is onderbouwd en om die reden een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, wordt verworpen, daar deze post het hof – gelet op de omstandigheden van de zaak – geenszins onredelijk voorkomt. Het hof is voorts – anders dan de verdediging – van oordeel dat het bedrag van € 1.750,- aan immateriële schade niet voor matiging in aanmerking komt.

Verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade en de wettelijke rente gehouden. Derhalve zal de vordering worden toegewezen. Het hof verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze

18. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 48, 49, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.111,00 (tweeduizend honderdelf euro) bestaande uit € 361,00 (driehonderdeenenzestig euro) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 2.111,00 (tweeduizend honderdelf euro) bestaande uit € 361,00 (driehonderdeenenzestig euro) materiële schade en

€ 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.G.H. van Krugten, griffier,

en op 25 april 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.