Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9261

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
200.110.096/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling hoofdverblijf en verdeling van de zorg- en opvoedtaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 18 april 2013

Zaaknummer 200.110.096

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. H.M.A.W. Erven, kantoorhoudende te Lelystad,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H. Vosmeijer, kantoorhoudende te Amstelveen,

Belanghebbende:

Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland,

kantoorhoudende te Almere,

hierna te noemen: BJZ.

Het hof verwijst naar zijn tussenbeschikking van 10 januari 2013.

Het verdere procesverloop

Na de tussenbeschikking is op 20 februari 2013 binnengekomen ter griffie van het hof een brief gedateerd 19 februari 2013 met bijlagen (een rapport van 14 februari 2013) van de Raad voor de Kinderbescherming (de raad) en voorts een brief van mr. Erven van 22 maart 2013 met bijlagen.

De zaak is verder behandeld ter zitting van het hof - in een andere samenstelling - van 4 april 2013. Verschenen zijn de vader en zijn advocaat, de moeder en haar advocaat, mw. [X] namens de raad in het kader van zijn adviserende taak en namens BJZ zijn verschenen mw. [Y] (gezinsvoogd) en mw. [Z].

De beoordeling

Inleiding

1. Gelet op de inhoud van het nader rapport van de raad van 14 februari 2013 en het verhandelde ter zitting op 4 april 2013, mede bezien in het licht van hetgeen reeds bekend was, acht het hof zich thans voldoende ingelicht voor het nemen van een definitieve beslissing op het voorliggende geschil over het hoofdverblijf van de minderjarige [het kind] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen als ouders van [het kind].

2. Voor zover namens de vader is betoogd dat het nader advies van de raad van 14 februari 2013 ondeugdelijk is of onvoldoende onderbouwd, volgt het hof hem daarin niet. Het nader rapport van de raad is - overeenkomstig de opdracht van het hof in de voormelde tussenbeschikking - niet bedoeld als een geheel nieuwe beoordeling op basis van een geheel nieuw (netwerk)onderzoek maar als een update van de rapportage van de raad van 14 september 2011. Bovendien hebben ook de ouders en BJZ ter zitting hun visie kunnen geven op de recente stand van zaken. Het hof zal daarom thans beschikken op hetgeen partijen verdeeld houdt.

Feiten en achtergronden van het geschil

3. Partijen zijn op 17 mei 2004 in [plaats] met elkaar gehuwd. De vader heeft de Nederlandse- en de moeder de Braziliaanse nationaliteit.

4. Uit het huwelijk is op [geboortedatum] te [plaats] geboren de thans nog minderjarige [het kind] (verder te noemen: [het kind]).

5. De vader heeft op 2 februari 2010 een echtscheidingsverzoek met nevenverzoeken ingediend.

6. In het kader van de voorlopige voorzieningen is bij beschikking van de rechtbank van 22 januari 2010 de minderjarige voorlopig aan de vader toevertrouwd met een begeleide omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige van elk weekend een hele dag van 9.00 uur tot 17.00 uur of gedurende twee separate dagdelen van telkens tenminste vier uur aaneengesloten. Tevens is de raad verzocht om rapport en advies uit te brengen over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de omgangsregeling met de niet-verzorgende ouder.

7. De raad heeft op 16 juli 2010 gerapporteerd. In dit rapport adviseert de raad kort gezegd om de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader te laten en de omgang met de moeder uit te breiden.

8. Op 24 januari 2011 is de minderjarige [het kind] door de kinderrechter voorlopig onder toezicht gesteld van BJZ, welke maatregel nadien definitief is geworden en verlengd. De ondertoezichtstelling is voor het laatst bij beschikking van 12 april 2012 verlengd tot 12 april 2013. BJZ heeft ter zitting van het hof laten weten inmiddels weer een verlengingsverzoek bij de rechtbank te hebben ingediend.

9. Bij beschikking van 15 juni 2011 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bij de echtscheidingsbeschikking is voorlopig bepaald dat [het kind] haar hoofdverblijf bij de vader heeft en is voorts een voorlopige zorgregeling vastgesteld inhoudende:

- de ene week bij de moeder

- de andere week bij de vader

- één en ander in overleg met de gezinsvoogd in te vullen en aan te passen.

De rechtbank heeft daarbij de raad (opnieuw) gevraagd advies uit te brengen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling.

10. De raad heeft op 14 september 2011 rapport uitgebracht, toegezonden bij brief van 15 september 2011, en daarin onder meer geconcludeerd en geadviseerd om het hoofdverblijf van [het kind] bij de moeder te bepalen en een zorgregeling vast te stellen tussen [het kind] en haar ouders, inhoudende de ene week bij de moeder en andere week bij de vader. Eén en ander in overleg met de gezinsvoogd in te vullen en aan te passen. De raad is blijkens dat rapport op dat moment van mening dat beide ouders in staat zijn om de minderjarige een stabiel en adequaat opvoedingsklimaat te bieden. Volgens de raad is de moeder echter het best in staat om het belang van [het kind] te dienen, zonder hierin telkens haar eigen belang dan wel de onderlinge strijd tussen de ouders te betrekken. De vader heeft volgens de raad in het verleden de omgang laten stagneren, zonder hiervoor een legitieme reden aan te voeren, en met name de vader blijft de onderlinge strijd tussen de ouders benadrukken.

11. De echtscheidingsbeschikking is op 4 oktober 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

12. Bij de hier bestreden beschikking van 5 juli 2012 heeft de rechtbank kort gezegd in overeenstemming met voormeld advies van de raad beslist voor wat betreft het hoofdverblijf van [het kind] (bij de moeder) en de zorgregeling (week op week af).

Het geschil

13. Het principaal appel van de vader strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte het hoofdverblijf van [het kind] bij de moeder heeft bepaald. Hij verzoekt het hof te bepalen dat [het kind] het hoofdverblijf bij hem zal hebben en een zorgregeling met de moeder vast te stellen inhoudende kort gezegd een weekend per twee weken.

14. Het incidenteel appel van de moeder strekt tot betoog dat de rechtbank een te ruime zorgreling heeft vastgesteld tussen de vader en [het kind]. Zij verzoekt kort gezegd een regeling vast te stellen waarbij [het kind] een weekend per twee weken bij de vader zal zijn.

De tussenbeschikking

15. In de tussenbeschikking van 10 januari 2013 heeft het hof de beslissing aangehouden in afwachting van een update van de raad en BJZ, waarbij het hof onder meer gevraagd heeft aandacht te schenken aan de onderlinge communicatie tussen partijen, de ontwikkelingen rondom de aangifte van seksueel misbruik en de stelling van de vader dat de moeder zonder geldig rijbewijs rondrijdt met [het kind].

Het nader raadsrapport

16. De raad heeft in zijn nader rapport van 14 februari 2013, op basis van verkregen informatie van partijen en van BJZ, geconcludeerd dat de communicatie tussen partijen aan het verbeteren is, mede door de inzet van mediation. De raad heeft zijn eerder advies met betrekking tot het hoofdverblijf van [het kind] - bij de moeder - gehandhaafd. Met betrekking tot de aangifte van seksueel misbruik van [het kind] concludeert de raad dat door het CPH (Centrum Psychotrauma Hulpverlening), na een gezamenlijk gesprek met de ouders, is geconstateerd dat er geen reden is tot onderzoek en/of behandeling van [het kind]. Ook de politie ziet geen reden tot onderzoek. Duidelijkheid over de verblijfplaats van [het kind] en het verminderen van de strijd tussen de ouders zal [het kind] ten goede komen, aldus de raad.

De overwegingen van het hof

Inleiding

17. Partijen hebben in deze procedure - als ouders die gezamenlijk zijn belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over [het kind] - hun geschil met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [het kind] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, op de voet van artikel 1:253a BW ter beoordeling in rechte voorgelegd. De rechter dient een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

18. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat duidelijkheid omtrent de hoofdverblijfplaats van [het kind] thans noodzakelijk is, mede gelet op de nog zeer jonge leeftijd van [het kind] en de turbulente periode die zij achter de rug heeft, welke gekenmerkt wordt door strijd tussen de ouders, spanningen en onrust. Het hof sluit zich daarbij aan en voegt daaraan toe dat het tevens in het belang van [het kind] zou zijn wanneer de ouders, na het jarenlang getouwtrek, de strijdbijl begraven. Het gevaar bestaat immers dat zich anders de gedachte bij [het kind] ontwikkelt dat zij er zelf als persoon niet toe doet en dat zij in twee onverenigbare werelden leeft. Illustratief dieptepunt is wellicht in dit verband het incident dat ter zitting van het hof naar voren is gekomen waarbij de ouders tijdens een overdrachtsmoment letterlijk allebei aan [het kind] trekken. Het hof is van oordeel dat partijen hun verantwoordelijkheid dienen te nemen en dit soort situaties in de toekomst dienen te voorkomen, aangezien deze gang van zaken niet in het belang van [het kind] is en slecht voor haar ontwikkeling.

Het hoofdverblijf

19. Alles afwegende komt het hof op grond van de thans beschikbare gegevens tot de conclusie dat het belang van [het kind] er het meest bij gediend is wanneer zij haar hoofdverblijfplaats bij de moeder houdt, zoals door de rechtbank is beslist.

20. De zorgen die de vader heeft over de veiligheid van [het kind] bij de moeder worden naar het oordeel van het hof onvoldoende gestaafd door objectiveerbare feiten en omstandigheden, waardoor het hof hieraan bij het nemen van zijn beslissing geen doorslaggevende waarde zal toekennen. Deze zorgen lijken voor een groot deel te zijn gestoeld op een gebrek aan vertrouwen bij de vader in de moeder. De vader heeft in dit verband bijvoorbeeld gesteld dat zijn woning is beschoten. Een beschieting waarin volgens vader, moeder mogelijk een rol heeft gespeeld. Uit niets blijkt echter dat dit door vader genoemde schietincident door moeder zou zijn geïnitieerd of ondersteund. Ook de beschuldiging geuit door vader over mogelijk seksueel misbruik van [het kind] gepleegd wanneer zij verblijft bij moeder, heeft niet geleid tot duidelijke, objectiveerbare aanwijzingen daarvoor. De ingeschakelde deskundigen op dit gebied hebben aangegeven geen concrete zorgen te hebben over de veiligheid van [het kind] bij de moeder.

Moeder heeft voorts gemotiveerd de stelling van vader betwist dat zij [het kind] vervoert in een door haar bestuurde auto terwijl zij, moeder, geen geldig rijbewijs zou hebben.

21. De raad heeft na uitvoerig onderzoek geconcludeerd dat beide ouders in principe zeer betrokken zijn op [het kind] en over voldoende vaardigheden beschikken om [het kind] een toereikende en stabiele opvoedingssituatie te bieden. Het hof zal de raad daarin, bij gebrek aan andersluidende gegevens, volgen. Het hof merkt daarbij wel op dat partijen er voor moeten waken in al hun betrokkenheid, het belang van [het kind] bij ruimte voor de andere ouder niet uit het oog te verliezen. Het hof gaat er evenwel vanuit dat de gezinsvoogd een en ander in goede banen zal blijven (bege)leiden. Beide ouders zijn gelukkig zeer te spreken over de begeleiding en de deskundigheid van de gezinsvoogd.

22. De vader lijkt weliswaar meer beschikbaar te zijn voor [het kind] dan de moeder (doordat hij momenteel geen werk heeft en een uitkering op grond van de WIA geniet en de moeder deelneemt aan het arbeidsproces) maar daar staat tegenover dat de vader kampt met chronische gezondheidsklachten (MS). Voorts is het niet ongebruikelijk dat een verzorgende ouder deelneemt aan het arbeidsproces en beschikt de moeder over een sociaal netwerk dat haar kan ondersteunen. Daarnaast heeft de vader ter zitting toegelicht dat hij binnenkort mogelijk ook weer aan het werk zal (moeten) gaan. Daarmee is de dagelijkse beschikbaarheid van partijen voor [het kind] in deze zaak voor het hof geen doorslaggevende factor. Andere aspecten zoals de bereikbaarheid van de school voor [het kind] en de geschiktheid van de woonomgeving van partijen, verschillen ook niet wezenlijk.

23. Voor het hof is echter van doorslaggevend belang dat de moeder blijkens de stukken meer (emotionele) ruimte biedt aan [het kind] waar het gaat om de omgang met de vader dan andersom. Ter zitting is dat beeld bevestigd. Zo is gebleken dat de vader bij de overdracht van [het kind] tijdens de omgangsmomenten meermaals veel moeite heeft om afscheid te nemen van [het kind], zo niet in woord dan wel in gedrag, en voorts dat [het kind] meerdere keren overstuur is geraakt tijdens zo'n overdrachtsmoment. Moeder lijkt beter in staat te zijn op dergelijke momenten in het belang van [het kind] te kunnen handelen en daarmee haar eigen belang ondergeschikt te maken.

Daarnaast dient gewaarborgd te worden dat [het kind] ook na een eventuele beëindiging van de ondertoezichtstelling contact blijft houden met de niet verzorgende ouder. Het hof acht deze waarborg sterker wanneer het hoofdverblijf van [het kind] bij de moeder is. Ter zitting is het hof namelijk gebleken dat vader de onderlinge strijd tussen hem en de moeder blijft benadrukken, waardoor hij op dit moment minder in staat lijkt te zijn dan moeder om zijn rol als ouder richting [het kind] vorm te geven.

24. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen op het punt van het hoofdverblijf van [het kind].

25. Aan de orde is vervolgens welke zorgregeling tussen [het kind] en de vader dient te worden vastgesteld. Bij de beoordeling daarvan dient het belang van het kind tot uitgangspunt te worden genomen.

De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling)

26. Op grond van de bestreden beschikking geldt thans een regeling waarbij [het kind] de ene week bij de moeder is (in [woonplaats]) en de andere week bij de vader (in [plaats]). Een en ander in overleg met de gezinsvoogd in te vullen en aan te passen.

27. De moeder heeft kort gezegd een regeling bepleit waarbij [het kind] een weekend per twee weken bij de vader zal zijn. De vader schaart zich kort gezegd achter de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling wanneer het hoofdverblijf van [het kind] bij moeder zal worden bepaald.

28. Mede gelet op het bepaalde in artikel 1:247 BW heeft naar het oordeel van het hof als uitgangspunt te gelden dat een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Dit uitgangspunt betekent echter niet dat in alle gevallen tot een regeling moet worden gekomen waarbij de beide ouders ieder de helft van de zorg- en opvoedingstaken op zich dienen te nemen. Steeds zal moeten worden beoordeeld welke regeling het meest in het belang van de minderjarige is. Voorts kunnen praktische belemmeringen bestaan voor een dergelijke gelijke verdeling.

29. In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat de thans geldende regeling onvoldoende tegemoet komt aan de belangen van [het kind]. Zo is ter zitting gebleken dat zij zeer binnenkort naar groep 1 van de basisschool gaat en is de geografische afstand tussen de woonplaatsen van partijen, mede gelet op die schoolgang, zodanig dat een 'week op week af regeling' op grote praktische bezwaren stuit. Het hof zal daarom de door de moeder voorgestane (reguliere) weekendregeling vaststellen en de nadere invulling/aanpassing daarvan aan de gezinsvoogd in overleg met de ouders overlaten zoals voor wat betreft het halen en brengen van [het kind] en de bijzondere dagen zoals feest- en vakantiedagen en schoolvrije (mid)dagen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat geen van partijen het hof heeft verzocht een bepaling op te nemen omtrent het halen- en brengen en de bijzondere dagen.

30. Voor het overige is niets aangevoerd dat het hof tot de keuze voor een andere zorgregeling doet komen.

De slotsom

31. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking deels niet in stand kan blijven en het hof in zoverre opnieuw zal beslissen als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin het hoofdverblijf van de minderjarige [het kind] bij de moeder is bepaald;

vernietigt de bestreden beschikking op het punt van de zorgregeling:

en in zoverre opnieuw beslissende:

stelt een zodanige zorgregeling vast dat de vader [het kind] bij zich zal hebben een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur, een en ander in overleg met de gezinsvoogd in te vullen en aan te passen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, voorzitter, F.J. Streppel en G.K. Schipmölder en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 april 2013 in bijzijn van de griffier.