Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8948

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
24-001293-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2886, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op dinsdag 14 oktober 2008 is [slachtoffer 1] om het leven gebracht door vuurwapengeweld.

Dit vuurwapengeweld heeft zich afgespeeld in de groentezaak/toko van één van de medeverdachten in de [adres] te [plaas]. Na de liquidatie van [slachtoffer 1] is diens lijk in een vuilniscontainer gelegd en weggevoerd van de plaats van het delict en uiteindelijk in de kofferbak van zijn eigen auto achtergelaten in [plaats]. Op 1 december 2008 is het lijk van [slachtoffer 1] ontdekt.

Het hof spreekt de verdachte vrij van betrokkenheid bij het medeplegen van deze moord en bij het verbergen en/of wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 1].

Op 16 oktober 2008 is [slachtoffer 2] om het leven gebracht door vuurwapengeweld.

Dit vuurwapengeweld heeft zich afgespeeld bij de groentezaak/toko [naam] aan de [adres] te [plaats]. De verdachte was daar aanwezig op het moment waarop [slachtoffer 2] daar om het leven werd gebracht. Op 14 november 2008 is het lijk van [slachtoffer 2] ontdekt in een rioolput.

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het medeplegen van deze moord en het verbergen en/of wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 1], tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren en zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-001293-10

Uitspraak d.d.: 26 april 2013

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 mei 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

thans in preventieve hechtenis verblijvende in de penitentiaire inrichtingen Zuid-Oost, Evertsoord Ter Peel, gevangenis te Evertsoord.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 september 2012, 9 januari 2013, 8 april 2013, 9 april 2013, 10 april 2013 en 12 april 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

- vernietiging van het vonnis van de eerste rechter;

- veroordeling van de verdachte ter zake van het haar onder 3 en 4 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren;

- niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] in de vordering;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], tot een bedrag van € 500,-;

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en haar raadsman,

mr. M.A. Hupkes, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht vernietigen omdat het hof tot een andere bewijsoverweging en strafoplegging komt dan de rechtbank. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na een nadere omschrijving tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 14 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] en/of [medeverdachte] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 14 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een) mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voorgenoemde [slachtoffer 1] is overleden

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand oktober 2008, in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/of alleen, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) behulpzaam is geweest door (telkens)

- een afspraak te maken met die [slachtoffer 1] om geld op te halen bij de groentezaak/toko (genaamd [naam]) (gelegen aan de [adres] te [plaats]) en/of

- al dan niet in opdracht van die [medeverdachte] en/of (een) ander(en) geld uit te betalen aan die [slachtoffer 1] in die groentezaak/toko en/of

- (telkens) telefonisch contact te onderhouden met die [medeverdachte] en/of die [medeverdachte] en/of (een) ander(en) en/of (een van) hen op de hoogte te houden van en/of te informeren over de komst en/of aanwezigheid van die [slachtoffer 1] in die groentezaak/toko en/of over de gang van zaken rond de dood van die [slachtoffer 1] en/of

- al dan niet in opdracht van die [medeverdachte] en/of (een) ander(en), de dagelijkse/gebruikelijke werkzaamheden in die groentezaak/toko voort te zetten, althans de dagelijkse/gebruikelijke werkzaamheden in die groentezaak/toko te verrichten en/of (aldus) naar derden toe de indruk te wekken dat de dagelijkse/gebruikelijke werkzaamheden in die groentewinkel/toko werden verricht en/of voortgezet (zodat voornoemde [slachtoffer 1] geen onraad zou bespeuren) en/of

- na te laten die [slachtoffer 1] te waarschuwen voor die [medeverdachte] en/of die [medeverdachte] en/of (een) ander(en) en/of na te laten bijstand/hulp in te roepen van politie en/of (een) ander(en) en/of

- na te laten die [slachtoffer 1] weg te sturen bij die groentezaak/toko en/of de directe omgeving van die groentezaak/toko en/of die [slachtoffer 1] te bewegen zich te verwijderen uit die groentezaak/toko en/of de directe omgeving van die groentezaak/toko en/of

- niet in te grijpen en/of te laten ingrijpen door (een) ander(en) ter voorkoming dat die [medeverdachte] en/of die [medeverdachte] en/of (een) ander(en) tot de uitvoering van het plegen van bovengenoemd misdrijf zou(den) overgaan en/of (aldus) (op geen enkele wijze) (niet) te voorkomen dat die [slachtoffer 1] het leven zou laten en/of

- handelingen te verrichten met betrekking tot het verplaatsen van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of het schoonmaken van de locatie waar die [slachtoffer 1] om het leven werd gebracht, waartoe voorafgaand aan/tijdens de uitvoering van bovengenoemd misdrijf opdracht(en) is/zijn gegeven door en/of afspra(a)k(en) is/ zijn gemaakt met die [medeverdachte] en/of die [medeverdachte] en/of (een) ander(en);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2008 tot en met 28 november 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of ander(en) en/of alleen nadat er op of omstreeks 14 oktober 2008 het misdrijf was gepleegd van moord/doodslag van [slachtoffer 1], in elk geval nadat er enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een of meer voorwerpen waarop of waarmede dat misdrijf was gepleegd of andere sporen van dat misdrijf heeft vernietigd en/of weggemaakt en/of verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s)

- het lijk van die [slachtoffer 1] ontdaan van sieraden en/of horloge en/of telefoon(s) en/of (heup)tasje en/of andere voorwerpen en/of

- het lijk van die [slachtoffer 1] in een vuilcontainer gegooid/geplaatst en/of (vervolgens) in die vuilcontainer vervoerd vanuit de groentezaak/toko (genaamd [naam]) (gelegen aan de adres] te [plaats]) naar een auto en/of

- het lijk van [slachtoffer 1] in een kofferbak van een auto gelegd/getild en/of

- de groentezaak/toko en/of de keuken van die groentezaak/toko, althans de locatie waar die [slachtoffer 1] om het leven werd gebracht met water en/of chloor gedweild, althans schoongemaakt;

2.

zij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2008 tot en met 28 november 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of ander(en) en/of alleen het lijk/lichaam van [slachtoffer 1] heeft/hebben verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer 1] te verhelen, door met dat oogmerk

- het lijk van die [slachtoffer 1] in een vuilcontainer te gooien/plaatsen en/of (vervolgens) in die vuilcontainer te vervoeren vanuit de groentewinkel/toko (genaamd [naam]) (gelegen aan de [adres] te [plaats]) naar een auto en/of

- het lijk van die [slachtoffer 1] in een kofferbak van een auto te leggen en/of

- (vervolgens) met die auto het lijk van die [slachtoffer 1] te verbergen/weg te voeren en/of die auto (met dat lijk) op een parkeerplaats achter te laten en/of

- (aldus) dat lijk aan het (directe) oog te onttrekken

3.

zij op of omstreeks 16 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

4.

zij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2008 tot en met 14 november 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, het lijk van [slachtoffer 2] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer 2] te verhelen door met dat oogmerk het lijk van die [slachtoffer 2] in de kofferbak van een auto te tillen/leggen en/of (vervolgens) met die auto het lijk van die [slachtoffer 2] te verbergen/weg te voeren en/of het lijk van die [slachtoffer 2] in een rioolput te gooien/stoppen/plaatsen en/of (aldus) dat lijk aan het (directe) oog te onttrekken.

Verweer van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 12 april 2013 bij gelegenheid van het voeren van het laatste woord aangevoerd dat geen sprake is van een eerlijk proces. Dit gelet op de aanwezigheid van mr. Kamper als plaatsvervangend advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep. Hiertoe is gesteld dat mr. Kamper, die bij de behandeling van de strafzaak van de verdachte in eerste aanleg heeft opgetreden als officier van justitie, bevooroordeeld is ten aanzien van de (strafzaak van de) verdachte.

Het hof stelt vast dat een identiek (preliminair) verweer door de verdediging is gevoerd ter terechtzitting van het hof van 24 oktober 2011, zij het méér onderbouwd. Het hof heeft bij tussenarrest van 7 november 2011 beslist op laatstgenoemd verweer en heeft dat verweer verworpen.

Nu door of namens de verdachte geen nieuwe of nader onderbouwde argumenten zijn aangevoerd met betrekking tot dit verweer, wijst het hof dit verweer andermaal af, op identieke gronden als genoemd in het tussenarrest van het hof van 7 november 2011.

Vrijspraak ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Op grond van het strafdossier kan vastgesteld worden dat de verdachte wetenschap had van het plan van de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] om op gewelddadige wijze een einde te maken aan de situatie dat [medeverdachte] wekelijks geldbedragen aan [slachtoffer 1] moest afdragen. Ook kan worden vastgesteld dat de verdachte zich in dat kader bereid heeft getoond een vuurwapen te leveren. Dit laatste volgt, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, onmiskenbaar uit het verhoor van de verdachte bij de politie op 9 juni 2009 (dossier 17 pagina 386).

Niet vastgesteld kan echter worden dat de verdachte daadwerkelijk ondersteunende en/of uitvoerende handelingen heeft verricht met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Niet is gebleken dat het vuurwapen waarmee [slachtoffer 1] van het leven is beroofd afkomstig is van verdachte, terwijl zij bovendien ten tijde van de levensberoving op [slachtoffer 1] was opgenomen in een ziekenhuis.

Evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 en 2 aan haar ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde

Anders dan de verdediging heeft bepleit, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 3 aan haar ten laste gelegde heeft begaan. Het hof grondt deze beslissing op het volgende.

Het opzet

Uit het strafdossier blijkt dat de verdachte er vooraf van op de hoogte was dat de medeverdachte [medeverdachte] wekelijks geldbedragen moest afstaan aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. In de kringen van de verdachte en haar medeverdachten wordt in dat verband gesproken over afpersing van [medeverdachte] door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Voorts stelt het hof vast dat de verdachte wetenschap had van het plan van de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] om een einde te maken aan de situatie dat [medeverdachte] wekelijks geldbedragen aan [slachtoffer 1] moest afdragen Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachte er van op de hoogte was dat [slachtoffer 1] op 14 oktober 2008 door middel van vuurwapengeweld om het leven was gebracht door [medeverdachte], in opdracht van [medeverdachte]. Dat [medeverdachte] en/of [medeverdachte] konden beschikken over een vuurwapen heeft verdachte aldus ook geweten.

Op 16 oktober 2008 is de verdachte er van op de hoogte dat er op die dag problemen zijn tussen [medeverdachte] en [slachtoffer 2] en dat het daarbij gaat om de afdracht van geld door [medeverdachte] aan [medeverdachte]. Zij is er tevens van op de hoogte dat [medeverdachte] dan erg nerveus is en dat [medeverdachte] het (telefonisch) contact met [slachtoffer 2] veelvuldig vermijdt.

Met die wetenschap gaat zij samen met [medeverdachte], die twee dagen eerder op verzoek van [medeverdachte] [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht, en [medeverdachte] naar de toko van [medeverdachte] in [plaats], waar [slachtoffer 2] - zo weet de verdachte - die avond nog zal verschijnen om geld van [medeverdachte] te innen. Op grond van hetgeen verdachte voordien met betrekking tot [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had vernomen, concludeert het hof dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] tijdens de ontmoeting op gewelddadige wijze om het leven zou worden gebracht.

Het medeplegen

Eenmaal gearriveerd bij de toko, worden de daar werkzame drie illegalen in het bijzijn van de verdachte naar achteren gestuurd door [medeverdachte]. Dit laatste duidt er naar het oordeel van het hof al op dat zich iets af gaat spelen dat weinig goeds voorspelt.

De verdachte houdt zich vervolgens op in de kantoorruimte van de toko en [medeverdachte] en [medeverdachte] houden zich elders in of bij de toko op. Op een gegeven moment arriveert [slachtoffer 2], waarop de verdachte een gesprek met [slachtoffer 2] aanknoopt.

Op de vragen van [slachtoffer 2] waar [medeverdachte] is, antwoordt de verdachte binnen een kwartier tot twee keer toe dat [medeverdachte] ergens in de buurt is en dadelijk wel zal komen. Dat blijkt uit de politieverhoren van de verdachte (dossier 17, pagina’s 125 en 443).

Deze mededelingen van de verdachte aan [slachtoffer 2] kunnen niet anders gezien worden dan als verhullend en/of misleidend naar [slachtoffer 2] toe. Immers, uit niets blijkt dat [medeverdachte], die zich eerder op die avond zeer nerveus heeft getoond voor [slachtoffer 2], in de toko een persoonlijke ontmoeting met [slachtoffer 2] zal aangaan. Niet gebleken is voorts dat [medeverdachte] zich heeft ingesteld op een dergelijke persoonlijke ontmoeting en evenmin is gebleken dat [medeverdachte] daartoe enige intentie had of heeft geuit. Integendeel, [medeverdachte] ging een (persoonlijk) contact met [slachtoffer 2] telkens uit de weg op die avond.

Niet gebleken is dat de verdachte op dat moment pogingen in het werk heeft gesteld [medeverdachte] te roepen, te bellen of een sms-bericht te sturen, met de mededeling dat [slachtoffer 2] hem wenst te spreken.

[slachtoffer 2] vertrekt vervolgens. Op het moment dat [slachtoffer 2] daarna terugkomt naar de toko, ontvangt de verdachte op haar mobiele telefoon een sms-bericht, dat afkomstig is van [slachtoffer 2] en is gericht aan [medeverdachte], en dat door [medeverdachte] kennelijk naar haar is doorgestuurd vanaf diens mobiele telefoon. De strekking van dat sms-bericht is dat er problemen komen wanneer [medeverdachte] nu niet tevoorschijn komt. Voor zover dat de verdachte tot dan toe nog niet bekend of duidelijk was, kan het niet anders zijn geweest dan dat dit bericht erop duidde dat er van [slachtoffer 2] een verbaal dreigende houding richting [medeverdachte] uit ging en dat dit in elk geval vanaf dat moment kenbaar was voor de verdachte. Waar de verdachte heeft verklaard dat inhoud en/of strekking van dit sms-bericht haar op dat moment niet duidelijk zijn geweest, acht het hof de verdachte ongeloofwaardig. Enkele minuten nadien wordt [slachtoffer 2] neergeschoten door [medeverdachte]. De verdachte verricht vervolgens kennelijk onbewogen verdere ondersteunende en uitvoerende handelingen, te weten met betrekking tot het wissen van sporen van het misdrijf en het wegvoeren van het lijk.

Onder de hiervoor vermelde omstandigheden heeft verdachte [slachtoffer 2] ten onrechte in de waan gelaten dat er een gesprek met [medeverdachte] of betaling zou volgen in plaats van hem te waarschuwen of er op een andere manier voor te zorgen dat [slachtoffer 2] weg zou gaan. Op die manier heeft zij er een bijdrage aan geleverd dat [slachtoffer 2] bij de toko in de buurt bleef en terugkwam waardoor het voor [medeverdachte] mogelijk was [slachtoffer 2] neer te schieten. Er was aldus sprake van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met [medeverdachte] en [medeverdachte].

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 10 april 2012 aangevoerd dat zij op 14 oktober 2008 uitsluitend is meegegaan om [medeverdachte] morele ondersteuning te kunnen bieden en omdat zij een sussende en/of bemiddelende rol meende te kunnen spelen in het geheel. Het hof acht deze lezing van de feiten door de verdachte ongeloofwaardig.

Uit niets is immers gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte op de daartoe geschikte en aangewezen momenten daadwerkelijk invulling heeft gegeven of heeft willen geven aan de rol die zij zichzelf meent toe te kennen. Daarnaast heeft de verdachte niet op een eerder daartoe aangewezen moment - tijdens de politieverhoren - kenbaar gemaakt een dergelijke rol te hebben willen vervullen op 14 oktober 2008.

De voorbedachte raad

Tenslotte is het hof van oordeel dat verdachtes opzet mede de voorbedachte raad omvat, nu zij gelet op de gang van zaken die het hof heeft doen concluderen dat er sprake was van opzet en nauwe en bewuste samenwerken, terwijl zij zowel in de auto onderweg naar de toko, als gedurende haar verblijf in het kantoortje van de toko, voldoende tijd heeft gehad voor kalm beraad en rustig overleg ten aanzien van de komende gebeurtenissen.

Onder de hierboven weergegeven omstandigheden acht het hof, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte, voorwaardelijk opzet op het medeplegen van de moord van [slachtoffer 2] aanwezig bij de verdachte.

Van de hierboven in de bewijsoverweging aangehaalde redengevende feiten en/of omstandigheden blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Van een situatie waarin het bewijs enkel en in beslissende mate berust op verklaringen van medeverdachten die belastend zijn voor de verdachte en ten aanzien waarvan de verdachte het haar toekomende ondervragingsrecht niet heeft kunnen effectueren, aangezien die medeverdachten zich, gehoord als getuige in de zaak van de verdachte, in eerste aanleg bij de rechter-commissaris en/of in hoger beroep ter terechtzitting van het hof, hebben beroepen op hun verschoningsrecht en geen enkele vraag van de verdediging hebben beantwoordt,

is daarbij geen sprake. Integendeel, het bewijs in deze berust hoofdzakelijk op hetgeen de verdachte zelf heeft verklaard. Hetgeen de medeverdachten hebben verklaard met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde levert daarnaast steunbewijs op.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde

Evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 4 aan haar ten laste gelegde heeft begaan. Op basis van het strafdossier kan niet worden vastgesteld dat het opzet van de verdachte zich eveneens heeft uitgestrekt tot het in een rioolput verbergen van het lijk van [slachtoffer 2].

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 aan haar ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

3:

zij op 16 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een vuurwapen kogels afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

4:

zij op of omstreeks 16 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen het lijk van [slachtoffer 2] heeft verborgen en weggevoerd, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer 2] te verhelen door met dat oogmerk het lijk van die [slachtoffer 2] in de kofferbak van een auto te tillen/leggen en vervolgens met die auto het lijk van die [slachtoffer 2] te verbergen/weg te voeren en aldus dat lijk aan het (directe) oog te onttrekken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van moord.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de verdachte is op 5 maart 2010 gerapporteerd door D. Breuker, gezondheidszorg- en forensisch psycholoog. Dit rapport houdt met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte onder meer in dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, met enige (lichte) borderline en ontwijkende trekken, maar met name van afhankelijke trekken in de afweer. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde, in die zin dat zij niet goed in staat is zich te verweren tegen de verkeerde intenties en het grensoverschrijdend gedrag van anderen. Daarnaast heeft zij ook een beperkt zicht op het eigen gedrag en het gedrag van anderen, waardoor ze kwestbaar en gemakkelijk beïnvloedbaar is, aldus Breukers. Breukers adviseert justitie de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De inhoud van dit rapport is nader toegelicht door Breukers, voornoemd, ter terechtzitting van het hof van 9 januari 2013.

Het hof is op grond van de inhoud van dit rapport van oordeel dat de hiervoor bewezen verklaarde delicten de verdachte in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof acht de verdachte strafbaar, met inachtneming van het vorenstaande. Strafuitslui¬tings¬gronden worden niet aanwezig geacht.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Op 16 oktober 2008 is [slachtoffer 2] om het leven gebracht door vuurwapengeweld.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven beroven van [slachtoffer 2] en aan het medeplegen van het wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 2]. Op 14 november 2008 is het lijk van [slachtoffer 2] ontdekt in een rioolput.

Door het plegen van deze delicten is de rechtsorde ernstig geschokt. De verdachte heeft door haar handelen het slachtoffer het meest fundamentele recht dat hem toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde in het algemeen en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

Daarnaast heeft de verdachte door het meewerken aan het wegvoeren van het lijk een inbreuk gemaakt op het belang van het ongestoord laten van een lijk en tevens meegewerkt aan mensonterende handelingen met betrekking tot dat lijk.

Aan de nabestaanden van [slachtoffer 2] is daardoor een onnoemelijk leed aangedaan, niet alleen gedurende de periode waarin de nabestaanden nog in de veronderstelling konden verkeren dat sprake was van vermissing van [slachtoffer 2], maar ook vanaf het moment dat duidelijk werd wat er daadwerkelijk met hem was gebeurd. Dit leed van de nabestaanden is op indrukwekkende wijze verwoord ter terechtzitting van het hof, ter gelegenheid van het uitoefenen van het spreekrecht door en namens de nabestaanden.

Voor een weerzinwekkende daad als het medeplegen van moord past binnen het Nederlandse rechtstelsel geen andere straf dan gevangenisstraf, de zwaarste strafsoort. Volgens artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht kan voor moord worden opgelegd levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren. Moord is één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent, en rechtvaardigt naar zijn aard en ernst op zichzelf oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gezien het hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof voor het onder 3 bewezen verklaarde het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur in casu ook noodzakelijk en geboden.

Uit het meest recente uittreksel uit de justitiële documentatie met betrekking tot de verdachte, waarover het hof beschikt, blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van strafbare feiten.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft kunnen blijken.

Voorts heeft het hof bij de strafoplegging in aanmerking genomen de hiervoor genoemde conclusie van de psycholoog Breuker dat de ten laste gelegde feiten aan de verdachte slechts in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof heeft tenslotte rekening gehouden met de rol en het aandeel van de verdachte in de onder 3 en 4 bewezen verklaarde delicten, in die zin dat de verdachte niet de hoofdrol daarin heeft gespeeld.

Gezien de bovenstaande overwegingen en uit het oogpunt van vergelding en normhandhaving, acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren in beginsel passend en noodzakelijk.

Het hof stelt vast dat de zaak in hoger beroep in het algemeen behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 18 mei 2012 behoorde te zijn afgerond.

Nu dit niet het geval is, is er gerekend vanaf die datum dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim elf maanden, welke overschrijding geheel toe te schrijven is aan de omstandigheid dat aan de onderzoekswensen van de verdediging in hoger beroep op weinig voortvarende wijze uitvoering is gegeven. Dit is niet alleen het geval in de strafzaak van de verdachte, maar ook in de strafzaken van de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte], welke laatstgenoemde strafzaken in hoger beroep op proces-economische gronden gekoppeld zijn aan de met hun strafzaken samenhangende strafzaak van de verdachte. Van enige andere reden die de vertraging zou verklaren en rechtvaardigen, is niet gebleken.

Het hof ziet hierin aanleiding om in de strafmaat rekening te houden met deze overschrijding, door de gevangenisstraf voor de duur van tien jaren die het hof voornemens was op te leggen, te matigen tot negen jaren en zes maanden.

De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het hof een verdere strafmatiging aangewezen acht. Ook overigens is het hof daarvan niet gebleken. Het hof zal de verdediging dan ook niet volgen in het verzoek om in geval van oplegging van een gevangenisstraf aan de verdachte een aanzienlijk deel daarvan op te leggen in voorwaardelijke vorm. Een dergelijke strafoplegging zou volstrekt onvoldoende recht doen aan de ernst en impact van de bewezen verklaarde delicten.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zich in de strafzaak in eerste aanleg hebben gevoegd, dat deze benadeelde partijen in eerste aanleg niet-ontvankelijk zijn verklaard in de vordering en dat deze benadeelde partijen zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw hebben gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vorderingen tot schadevergoe¬ding in de strafzaak in hoger beroep voort.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] dient in verband met de vrijspraak van de verdachte in hoger beroep ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde - de ten laste gelegde feiten waarop de door deze benadeelde partij ingediende vordering betrekking heeft - niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Gelet op het vorenstaande dient deze benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.065,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Gelet op hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van het bewijs met betrekking tot feit 3, is er, anders dan door de raadsman ter zitting aangevoerd, voldoende causaal verband tussen de gestelde schade en het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover één of meer van de mededaders het bedrag reeds heeft of hebben voldaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Gelet op hetgeen het hof heeft overwogen ten aanzien van het bewijs met betrekking tot feit 3, is er, anders dan door de raadsman ter zitting aangevoerd, voldoende causaal verband tussen de gestelde schade en het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover één of meer van de mededaders het bedrag reeds heeft of hebben voldaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.065,00 (duizend vijfenzestig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 1.065,00 (duizend vijfenzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 26 april 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.